Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3456

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
BK-13-01311, BK-13-01312, BK-13-01313
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:11703, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Parkeren met Europese gehandicaptenparkeerkaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2565
V-N Vandaag 2014/2178
Belastingblad 2014/495
V-N 2015/3.20

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummers BK-13/01311, BK-13/01312 en BK-13/01313

Uitspraak d.d. 27 augustus 2014

in het geding tussen:

[X], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, hierna: de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de rechtbank) van 3 september 2013, nummers SGR 13/2986, SGR 13/5855 en SGR 13/5857, betreffende de hierna te vermelde naheffingsaanslagen.

Naheffingsaanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1

Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag (de naheffingsaanslagen) opgelegd:

Datum

Aanslagnr.

Parkeerbelasting

Kosten

Totaal

8 maart 2013

[...]

€ 2,10

€ 56

€ 58,10

21 juni 2013

[...]

€ 1,70

€ 56

€ 56,70

4 juli 2013

[...]

€ 2,10

€ 56

€ 58,10

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren bij uitspraken op bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake is eenmaal griffierecht geheven ten bedrage van € 44.

Geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 118.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 juli 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 1 november 2007 de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2008 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

r. gehandicaptenparkeerkaart: ingevolge de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart daarmee

gelijkgestelde parkeerkaart of de Stadsgewestelijke

Gehandicapten-parkeerkaart.

Artikel 2 Parkeerbelastingen

Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het – anders dan krachtens een vergunning als bedoeld in onderdeel b en met inachtneming van de daaraan verbonden voorwaarden – parkeren van een voertuig op een bij, danwel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning door het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

(…)

Artikel 4a Vrijstelling Haagse invaliden met gehandicapten bestuurderskaart

Houders van een geldige bewonersvergunning Gehandicapten (BVG) zijn vrijgesteld van het betalen van parkeerbelastingen op reguliere parkeerplaatsen en gehandicaptenparkeerplaatsen op individueel kenteken in betaald parkeergebieden, mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst. Indien geen voorruit aanwezig is, dient de bewonersvergunning Gehandicapten op een van buitenaf zichtbare plaats duidelijk leesbaar te worden aangebracht.

Artikel 4b Vrijstelling gehandicaptenparkeervergunning

Houders van een geldige gehandicaptenparkeerkaart zijn vrijgesteld van het betalen van parkeerbelastingen op een algemene gehandicaptenparkeerplaats mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijke leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst. Indien geen voorruit aanwezig is, dient de gehandicaptenparkeerkaart op een van buitenaf zichtbare plaats duidelijk leesbaar te worden aangebracht. De vrijstelling geldt niet voor reguliere parkeerapparatuurplaatsen en individuele gehandicaptenparkeerplaatsen op individueel kenteken."

Vaststaande feiten

4.1.

Op 8 maart 2013, omstreeks 13.01 uur, stond de auto met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [a-straat] te Den Haag. Op 21 juni 2013, omstreeks 11.26 uur, stond de auto met kenteken [kenteken 2] geparkeerd aan de [b-straat] te Den Haag. Op 4 juli 2013, omstreeks 21.15 uur, stond de auto met kenteken [kenteken 2] geparkeerd aan de [c-straat] te Den Haag.

4.2.

Tijdens een controle op voormelde plaatsen, data en tijdstippen hebben parkeercontroleurs geconstateerd dat in de desbetreffende auto's geen geldige parkeervergunning of geldig parkeerkaartje aanwezig was. Wel bevond zich een op naam van de moeder van belanghebbende, [A], gestelde Europese gehandicaptenparkeerkaart achter de voorruit.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Heffingsambtenaar bevestigend.

5.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen.

6.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft geoordeeld:

"6. Vaststaat dat de wijziging van het parkeerbeleid voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart binnen Den Haag door de gemeente is vastgesteld op 7 juni 2012 en op 1 december 2012 in werking is getreden. Vanaf deze datum is parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart op een parkeerplaats die wordt gereguleerd door parkeerapparatuur niet langer vrijgesteld van het betalen van parkeerbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Heffingsambtenaar] aan de op hem rustende zorgplicht ter zake van de bekendmaking van nieuwe of gewijzigde regelgeving voldaan. Immers door het uitdelen van waarschuwingsflyers, het publiceren in huis-aan-huis bladen, een persbericht in de landelijke pers en berichten op digitale media, het informeren van belangengroepen en het verzenden van brieven naar houders van een gehandicaptenparkeerkaart, is in ruime mate en tijdig bekendheid gegeven aan de gewijzigde parkeerregeling. Bovendien mág van een parkeerder worden verwacht dat hij zich ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime.

7. Voor zover [belanghebbende] bedoeld heeft te stellen dat de wijziging van het parkeerbeleid onredelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad, met inachtneming van een aantal voorwaarden, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. In die autonome bevoegdheid mag de rechter in beginsel niet treden. Daarop geldt een uitzondering in geval komt vast te staan dat de tarieven leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij de toekenning aan de gemeente van de bevoegdheid tot het heffen van de belastingen niet voor ogen kan hebben gehad . Gegeven de hoogte van het tarief waarnaar de belasting van [belanghebbende] is geheven, zijnde het daar voor ieder ander voertuig geldende tarief - welke ook geldt voor andere auto 's met een Europese gehandicaptenparkeerkaart die niet op een aangewezen gehandicaptenparkeerplaats staan -, is van onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de drie onderhavige procedures sprake van samenhang als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er dient dan ook eenmaal griffierecht te worden geheven. Het teveel betaalde griffierecht van in totaal € 44 dient aan [belanghebbende] te worden terugbetaald."

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

De gemeente Den Haag heeft gebruik gemaakt van de haar in artikel 225 lid 1 van de Gemeentewet gegeven mogelijkheid om twee parkeerbelastingen te heffen. Eén daarvan heeft als belastbaar feit het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens de belastingverordening bepaalde plaats, tijdstip en wijze (hierna: de betaaldparkerenbelasting). De andere parkeerbelasting heeft als belastbaar feit de van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in de vergunning aangegeven plaats en wijze (hierna: de parkeervergunningbelasting). Beide parkeerbelastingen worden geheven in het kader van de parkeerregulering, maar zijn voor het overige vormgegeven als aparte belastingen. In de Gemeentewet noch in de Verordening is de verhouding tussen beide belastingen geregeld. Naar volgt uit HR 17 december 1997, nr. 32834, ECLI:NL:HR:1997:AA3336 moet het ervoor worden gehouden dat de betaaldparkerenbelasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor parkeervergunningbelasting is betaald, met dien verstande dat, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, geen sprake is van het parkeren met die vergunning.

8.2.

Uit de stukken van het geding en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd volgt dat de onder 4.2. genoemde, op naam van de moeder van belanghebbende gestelde parkeerkaart een gehandicaptenparkeerkaart in de zin van artikel 1 aanhef en onderdeel r van de Verordening is en niet kan worden aangemerkt als een vergunning voor het parkeren van een voertuig waarvoor parkeervergunningbelasting is betaald. Reeds daarom bevrijdt, gelet op hetgeen onder 8.1 is overwogen, de aanwezigheid van de zo-even genoemde parkeerkaart in een auto de parkeerder niet van de verplichting om betaaldparkerenbelasting te voldoen voor het parkeren van die auto op – kort gezegd – een betaaldparkerenplaats, ook niet indien is voldaan aan de voorwaarden die aan de parkeerkaart zijn verbonden. Dit zou anders zijn indien de Verordening in de ten tijde van het parkeren geldende tekst zou voorzien in een vrijstelling van betaaldparkerenbelasting voor het parkeren op een betaaldparkerenplaats van een voertuig waarin een gehandicaptenkaart aanwezig is. Daarvan is echter geen sprake.

De in art. 4a van de Verordening opgenomen ‘Vrijstelling Haagse invaliden met gehandicapten bestuurderskaart’ ziet, naar uit de tekst van de bepaling blijkt, niet op het parkeren van een voertuig met een gehandicaptenparkeerkaart maar op het parkeren van een voertuig met een op naam van de houder van het voertuig gestelde vergunning voor het parkeren van een voertuig waarvoor parkeervergunningbelasting is betaald. De in art. 4b van de Verordening opgenomen ‘Vrijstelling gehandicaptenparkeervergunning’ ziet, naar uit de tekst van de bepaling blijkt, wel op het parkeren van een voertuig met een gehandicaptenparkeerkaart, maar is uitsluitend van toepassing op het parkeren op een algemene gehandicaptenparkeerplaats. Niet in geschil is dat de onder 4.1 genoemde plaatsen geen algemene gehandicaptenparkeerplaatsen zijn. De Verordening voorziet niet in andere voor het parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart op een betaaldparkerenplaats relevante vrijstellingen of ontheffingen.

8.3.

Belanghebbende neemt voorts het standpunt in dat de Verordening, doordat zij heffing van betaaldparkerenbelasting mogelijk maakt ter zake van het parkeren op een betaaldparkerenplaats van een voertuig waarin een gehandicaptenparkeerkaart aanwezig is, in strijd is met het Europese recht. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit standpunt. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, verplicht het recht van de Europese Unie de lidstaten niet om toe te staan dat met een Europese gehandicaptenkaart zonder betaling gebruik kan worden gemaakt van een betaaldparkerenplaats. In dit verband wijst het Hof op het antwoord van de Europese Raad op vragen van Michl Ebner, lid van het Europese Parlement, Publicatieblad van 3 april 2004 nr. C84E/0294. In reactie op het pleidooi van de vragensteller voor “de invoering van een door de gehele EU geldende gehandicaptenkaart die faciliteiten en voordelen ongeacht de nationaliteit garandeert en deze zonder problemen voor elke gehandicapte toegankelijk maakt” merkt de Raad op: “De Raad herinnert het geachte parlementslid eraan dat gehandicaptenkaarten onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. De Raad heeft zich herhaaldelijk bezorgd getoond over de situatie van mensen met een handicap, maar heeft de vragen die het geachte parlementslid stelt, nooit besproken”.

8.4.

Belanghebbende neemt voorts het standpunt in dat de Verordening, doordat daarin het parkeren op een betaaldparkerenplaats met een gehandicaptenparkeerkaart niet van betaaldparkerenbelasting is vrijgesteld, personen die in Den Haag met een gehandicaptenkaart op een betaaldparkerenplaats parkeren benadeelt in vergelijking met personen die buiten de gemeente Den Haag voor het parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart gebruik maken van een betaaldparkerenplaats. Ook dit standpunt faalt. Op grond van artikel 219 lid 2 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad, binnen het bij of krachtens de wet in formele zin gestelde kader, zelf invulling geven aan onder meer de vrijstellingen van gemeentelijke belastingen. In deze autonome bevoegdheid mag de rechter in beginsel niet treden. Daarop geldt een uitzondering indien moet worden geoordeeld dat het ontbreken van een bepaalde vrijstelling in strijd is met enig algemene rechtsbeginsel. Het Hof vat het standpunt van belanghebbende op als een beroep op het algemene rechtsbeginsel dat ertoe verplicht gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk te behandelen (hierna: het gelijkheidsbeginsel). De (gemeentelijke) wetgever heeft, naar onder meer volgt uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 2 juni 1999, nr. 46757/99, BNB 2002/398 (zaak Della Ciaja/Italië), een 'wide margin of appreciation' bij de beoordeling of sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen alsmede of en in welke mate voor een ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Naar het oordeel van het hof is de (gemeentelijke) wetgever doordat hij de vrijstelling van parkeerbelasting voor het parkeren met een gehandicaptenkaart heeft beperkt tot de in artikel 4b van de Verordening genoemde gevallen, deze marge niet te buiten gegaan. Daarbij komt nog dat bij de toetsing van een gemeentelijke belastingverordening aan het gelijkheidsbeginsel ervan uit moet worden gegaan dat deze toetsing slechts de desbetreffende gemeentelijke verordening betreft en dat derhalve gevallen waarop deze gemeentelijke verordening niet van toepassing is omdat de gemeente ter zake van deze gevallen niet heffingsbevoegd is, niet als (on)gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel kunnen worden aangemerkt.

8.5.

Tenslotte neemt belanghebbende het standpunt in dat de Heffingsambtenaar ten onrechte van de ene op de andere dag is overgegaan van het vrijstellen op het belasten van het parkeren met een gehandicaptenkaart op betaaldparkerenplaatsen. De Heffingsambtenaar had, aldus belanghebbende, haar (moeder) van tevoren van de wijziging van de regelgeving op de hoogte moeten stellen. Verder had de gemeente, voordat zij tot de onderhavige wijziging van regelgeving overging, ervoor moeten zorgen dat er voor gehandicapten in de hele stad voldoende algemene gehandicaptenparkeerplaatsen waren. Bij de eerste constatering van het door belanghebbende zonder betaling parkeren op een betaaldparkerenplaats van een auto waarin achter de voorruit een gehandicaptenparkeerkaart lag, had de Heffingsambtenaar in plaats van een naheffingsaanslag een waarschuwing aan belanghebbende moeten zenden.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar voorafgaande aan de wijziging van de regeling voor het parkeren met een gehandicaptenkaart, deze wijziging in voldoende mate onder de aandacht van de betrokkenen gebracht. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat, naar de Heffingsambtenaar niet, althans onvoldoende, weersproken heeft gesteld, voordat de nieuwe regeling inging, onder de ruitenwissers van auto's met een gehandicaptenkaart in Den Haag briefjes zijn gestopt met daarin een aankondiging van de nieuwe regeling, dat alle aan de Heffingsambtenaar bekende houders van een gehandicaptenparkeerkaart per brief op de hoogte zijn gesteld van de voorgenomen wijziging van de regelgeving en dat over de wijziging van de regelgeving vooraf is gesproken met belangengroepen van gehandicapten. Hieraan doet niet af dat het, naar de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld, in de hectiek van de verhuizing van de moeder van belanghebbende naar een verzorgingstehuis in de periode waarin de gemeente over de wijziging van de regelgeving heeft gecommuniceerd, heel goed mogelijk is dat (de moeder van) belanghebbende een brief van de gemeente over de wijziging van de regelgeving over het hoofd heeft gezien.

Het is niet aan de rechter om in een (hoger) beroepsprocedure betreffende een aan een belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen een oordeel te geven over het gemeentelijke beleid inzake het aanleggen en de spreiding van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen in de gemeente.

Dat de Heffingsambtenaar na de verstrekking van informatie aan de betrokkenen voorafgaande aan de wijziging van de regelgeving, geen aanleiding zag om bij de eerste constatering van het zonder betaling parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart op een betaaldparkerenplaats, te volstaan met een waarschuwing, is naar het oordeel van het Hof niet onzorgvuldig, althans niet in die mate dat dit moet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

8.6.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

9. Het Hof acht geen termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier F.A. Mijnans. De beslissing is op 27 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.