Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3446

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
BK-12-00772
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2486
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2549
V-N Vandaag 2014/2202
Belastingblad 2014/527
V-N 2015/4.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00772

Uitspraak d.d. 24 september 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiderdorp, de heffingsambtenaar,

en

de Staat, de minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende om immateriële schadevergoeding in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2012, nummer AWB 11/7861.

Procesverloop

1.1.

Bij uitspraak van 25 november 2013 heeft het Hof in het hoofdgeding uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft het Hof de bestreden uitspraak van de rechtbank bevestigd en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Verdere loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Minister heeft bij brief van 4 april 2014 een schriftelijke reactie gegeven. Een afschrift hiervan is toegezonden aan belanghebbende en de heffingsambtenaar.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 augustus 2014, gehouden te Den Haag. Belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn verschenen. De Minister is niet verschenen. Ter zitting zijn tegelijk behandeld de hoger beroepen van belanghebbende met de kenmerken BK-13/01388, BK-13/01389, BK-13/01392, BK-13/01393, BK-13/01391, BK-13/01390 en BK-12/00772-isv. Voor zover door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht in alle genoemde zaken te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in alle genoemde zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Nadere vaststaande feiten

3.1.

Bij uitspraak van 11 juli 2014 heeft de Hoge Raad op het cassatieberoep van belanghebbende tegen de uitspraak van dit Hof van 25 november 2013, nr. BK-12/00772, geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden vanwege de lange duur van de behandeling van het geschil.

4.2.

Het Hof blijft bij hetgeen in de uitspraak van 25 november 2013 is overwogen en beslist. In die uitspraak heeft het Hof onder meer geoordeeld dat het feit dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard en dit oordeel in hoger beroep wordt bevestigd, geen reden is het verzoek om immateriële schadevergoeding op die grond af te wijzen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden. Het geschil met betrekking tot de redelijke termijn betreft derhalve slechts de bezwaar- en beroepsfase.

4.3.

Zoals in de uitspraak van 25 november 2013 voorts is overwogen geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt in beginsel aan op het moment dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.

4.4.

Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 maart 2005. Op die datum is de redelijke termijn aangevangen. De uitspraak op bezwaar is gevolgd op 12 oktober 2005. Daarmee is de bezwaarfase geëindigd. Belanghebbende heeft vervolgens een rechtsmiddel aangewend op 15 maart 2007, nadat zij kennis heeft genomen van de vermindering van de aanslag onroerendezaakbelastingen 2005. De vermindering is gedateerd 16 februari 2007.

4.5.

De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 30 augustus 2012. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 maart 2005 tot de uitspraak van de rechtbank op 30 augustus 2012 is zeven jaar en bijna zes maanden verstreken. Derhalve bijna vijf jaar en bijna zes maanden langer dan de termijn van twee jaar die als redelijk kan worden beschouwd voor de procedure in bezwaar en beroep tezamen.

4.6.

Het Hof neemt als bijzondere omstandigheden bij de beoordeling van de aanspraak op schadevergoeding in aanmerking dat, na het oordeel van de Hoge Raad van 11 juli 2014 vast staat dat het materiële geschil tussen partijen is geëindigd zes weken na de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 12 oktober 2005. Dit brengt mee dat het materiële geschil is geëindigd op 23 november 2005. De vraag rijst of de termijn die verstreken is tussen deze datum en het instellen door belanghebbende van het rechtsmiddel op 15 maart 2007 dient te worden meegenomen in de berekening van de termijnoverschrijding. Naar het oordeel van het Hof behoeft deze vraag thans geen beantwoording omdat partijen, gelet op het navolgende, daarbij in dit geval onvoldoende belang hebben.

4.7.

In de uitspraak op bezwaar wordt verregaand tegemoet gekomen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft zich bij brief van 15 maart 2007, getiteld “Aanvulling op bezwaarschrift, onder verwijzing naar de vermindering van de aanslag onroerendezaakbelastingen van 16 februari 2007 tot de heffingsambtenaar gewend. In die brief geeft zij te kennen dat zij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen. Uit het vervolg van de brief is op te maken dat belanghebbende zich realiseert dat de brief is te beschouwen als beroepschrift dat moet worden ingediend bij de rechtbank. Voorts is uit het vervolg van die brief op te maken dat het belang van belanghebbende bij de “Aanvulling op het bezwaarschrift” nagenoeg uitsluitend de kostenvergoeding betreft. In het gedingstuk gericht aan de rechtbank getiteld: “aanvulling op beroepschrift(en) WOZ, met name jaar 2005” gaat belanghebbende tevens in op het niet ontvangen hebben van de uitspraak op bezwaar. Op twee plaatsen wordt in dit gedingstuk melding gemaakt van een motiveringsgebrek ten aanzien van het verschil tussen de door belanghebbende voorgestane waarde en de in de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde waarde. Bij deze enkele melding blijft het; de brief noch het aanvullend beroep bevat enig aanknopingspunt voor een inhoudelijke stellingname met betrekking tot de WOZ-waarde en/of de hoogte van de aanslag onroerendezaakbelastingen.

4.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij pas door ontvangst van de beschikking waarbij de aanslag onroerendezaakbelastingen is verminderd van 16 februari 2007 op de hoogte is geraakt van het bestaan van een uitspraak op bezwaar. Dit blijkt ook uit de brief van 15 maart 2007. Gelet op haar bekendheid met het bestaan van een uitspraak op bezwaar, had belanghebbende, die belastingconsulente is en – naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is – veelvuldig procedeert -, zich er van bewust moeten zijn dat zij ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van haar verlangd kon worden (in beginsel binnen twee weken), beroep moeten instellen bij de bevoegde rechtbank. Belanghebbende is echter eerst bij de brief van 15 maart 2007, derhalve vier weken na de ontvangst van de beschikking van 16 februari 2007, in rechte opgekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Derhalve heeft belanghebbende – zoals het Hof reeds in zijn uitspraak van 25 november 2013 heeft overwogen - niet zo spoedig als van haar verlangd mag worden haar beroepschrift ingediend.

4.9.

Belanghebbende heeft zich redelijkerwijs moeten realiseren dat zij een kansloos beroepschrift indiende, omdat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel hoe dan ook was verstreken.

4.10.

Zoals onder 4.7. is overwogen betreft de “Aanvulling op het bezwaarschrift” van

15 maart 2007 nagenoeg uitsluitend de vergoeding van de door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten. Het Hof heeft geconstateerd dat het bezwaarschrift vermeldt: “BEZWAARSCHRIFT. Door: kantoor [X]” en dat het niet is ondertekend. De brief van 15 maart 2007 vermeldt: “Door [X]” en is getekend met een paraaf bij het stempel [X]. Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbende in de bezwaarfase geen professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. Dit brengt mee dat geen grond bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding wegens beroepsmatige bijstand van een derde in bezwaar. Belanghebbende had, als veelvuldig procederend belastingconsulente, zich redelijkerwijs van bewust moeten zijn dat haar verzoek om een kostenvergoeding geen redelijke kans van slagen had. In zoverre zouden het beroep en het hoger beroep, indien de rechtbank en het Hof aan dit punt zouden zijn toegekomen, ongegrond zijn verklaard.

4.11.

In dit geval moet worden geoordeeld dat over het feitelijke belastinggeschil slechts van 2 maart 2005 tot en met 23 november 2005, derhalve iets minder dan 9 maanden, onzekerheid heeft kunnen bestaan bij belanghebbende. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep te laat aangewend en is het beroepschrift naar het bestuursorgaan in plaats van naar de rechtbank gezonden. Bovendien komen de door belanghebbende geclaimde kosten, die de inzet van het beroep vormden, naar hiervoor is overwogen niet voor vergoeding in aanmerking. Belanghebbende is zich, nu zij belastingconsulente is en gelet op haar proceservaring, redelijkerwijs ervan bewust geweest, althans had zich redelijkerwijs ervan bewust moeten zijn, dat haar beroep niet-ontvankelijk was en dat zij niet in aanmerking kwam voor vergoeding van de door haar geclaimde kosten. Weliswaar dient in beginsel ervan te worden uitgegaan dat sprake is van spanning en frustratie in het geval van enkele termijnoverschrijding, doch het Hof vindt in de omstandigheden van het geval aanleiding van dit beginsel af te wijken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt immers dat belanghebbende in de beroepsfase geen spanning en frustratie heeft ondervonden van het uitblijven van een rechterlijke uitspraak omdat belanghebbende wist, althans redelijkerwijs kon weten, hoe de rechter over de ontvankelijkheid en de kosten zou oordelen. Daarbij speelt mede een rol dat de heffingsambtenaar, door belanghebbende wat betreft de waarde van de onroerende zaak in bezwaar nagenoeg volledig tegemoet te komen, heeft bewerkstelligd dat er in de beroepsfase van noemenswaardige spanning en frustratie in verband met het uitblijven van een rechterlijk oordeel over het materiële geschil geen sprake was.

4.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling van de rechter dat inbreuk is gemaakt op de rechtszekerheid als algemeen rechtsbeginsel dat ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Het Hof zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor het overige dan ook afwijzen.

Proceskosten en griffierecht

5. Nu het hoger beroep ongegrond is acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. M.C.M. van Dijk, G.J. van Leijenhorst en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 24 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

bij afwezigheid van de voorzitter:

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.