Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3401

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
BK-14-00059
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:19332, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende, woonachtig in Nederland, heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn in Nigeria wonende kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2140
V-N 2015/2.23.15
FutD 2014-2493
NTFR 2014/2814 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
PFR-Updates.nl 2014-0287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00059

Uitspraak d.d. 7 oktober 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2013, nummer SGR 13/3986, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000. Daarbij heeft de Inspecteur bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 399.

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 44 griffierecht geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 118 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 augustus 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Belanghebbende is gehuwd. Zijn echtgenote en zijn kinderen wonen in 2009 in [Q], Nigeria.

3.2.

Belanghebbende was in 2009 woonachtig in [Z] en werkzaam als docent bij [A]. In 2009 genoot belanghebbende inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking ten bedrage van € 50.000.

3.3.

Op 3 maart 2010 heeft belanghebbende voor het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan en daarin een aftrek ten behoeve van het levensonderhoud van zijn kinderen opgevoerd ten bedrage van € 7.960.

3.4.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aftrek kosten levensonderhoud kinderen geweigerd en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 50.000.

3.5.

Ter zitting van de rechtbank heeft belanghebbende tevens om toepassing van de 30%-regeling verzocht.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

4.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"7. Ingevolge artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking genomen indien voor het kind het recht op kinderbijslag volgens artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is uitgesloten.

8. Artikel 7b van de AKW bepaalt - voor zover hier van belang - dat geen recht op kinderbijslag bestaat indien het eigen kind niet in Nederland woont op de eerste dag van een kalenderkwartaal. Dit is anders indien dat kind op dat moment woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.

9. Uit de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 maart 2003, Bekendmaking op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003, Stcrt. 2003, 64, blijkt dat het recht op kinderbijslag op grond van de AKW niet bestaat in Nigeria.

10. Niet is in geschil dat [belanghebbende] voor zijn kinderen geen recht op kinderbijslag heeft. Alsdan brengt het bepaalde in artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 met zich dat [belanghebbende] geen recht heeft op aftrek van kosten voor levensonderhoud van zijn kinderen.

11. Hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd kan aan het vorenstaande niet afdoen.

[Belanghebbende] heeft erop gewezen dat zijn collega’s, van wie de gezinnen in andere landen wonen, de kosten voor levensonderhoud wel mogen aftrekken. Voor zover [belanghebbende] hiermee heeft bedoeld te betogen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel doordat onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die in een land wonen waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten op grond waarvan recht op kinderbijslag kan bestaan en mensen die in een land wonen waarmee Nederland niet een dergelijk verdrag heeft gesloten zoals Nigeria, faalt dit betoog. Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 6.14 van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 254-255) is het volgende opgemerkt:

“In onderdeel b is een bepaling opgenomen waarmee wordt bewerkstelligd dat voor een kind geen uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking kunnen worden genomen indien voor dat kind het recht op kinderbijslag niet wordt toegekend als gevolg van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). Vanwege problemen bij de controle van onder meer naar het buitenland geëxporteerde kinderbijslag worden indien de controle niet voldoende is gewaarborgd uitkeringen niet langer geëxporteerd. Om te voorkomen dat de belastingdienst met dezelfde controleproblemen wordt geconfronteerd, zijn uitgaven voor levensonderhoud van een kind waarvoor op grond van de Wet BEU geen recht op kinderbijslag bestaat van aftrek uitgesloten.”

Voor zover al sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, bestaat hiervoor naar het oordeel van de rechtbank dan ook een objectieve en redelijke rechtvaardiging, te weten dat bij verdragslanden betere controlemogelijkheden voorhanden zijn.

12. Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] om nadere informatie verzocht. In zijn reactie van 25 oktober 2012 heeft [belanghebbende] onder meer opgemerkt dat de Belastingdienst voortaan de regel van persoonsgebonden aftrek soepel zou toepassen. Voor zover [belanghebbende] hiermee heeft beoogd een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, dient ook dit beroep te falen, nu [belanghebbende] het gestelde niet nader met stukken heeft onderbouwd.

13. Ter zitting heeft [belanghebbende] nog aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor toepassing van de zogenoemde 30%-regeling. [De Inspecteur] heeft daarop aangegeven bereid te zijn [belanghebbendes] claim te onderzoeken. In verband hiermee is de behandeling ter zitting geschorst en is [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld zijn claim te onderbouwen. Op de door [belanghebbende] daarop ingediende stukken heeft [de Inspecteur] als reactie te kennen gegeven dat [belanghebbendes] claim in onderhavige zaak niet aan de orde kan komen, nu daarvoor een aparte procedure geldt waarbij onder meer het verzoek om toepassing van de 30%-regeling door [belanghebbende] en de inhoudingsplichtige gezamenlijk dient te worden gedaan.

De rechtbank overweegt dat zij in onderhavige procedure niet toekomt aan de beoordeling of aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling is voldaan nu deze regeling als door [de Inspecteur] terecht opgemerkt een afzonderlijke rechtsgang kent. [Belanghebbende] zal om voor toepassing van de 30%-regeling in aanmerking te komen tezamen met zijn werkgever een verzoek daartoe bij [de Inspecteur] moeten indienen ingevolge het bepaalde in artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

14. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Niet in geschil is dat belanghebbende op grond van artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) is uitgesloten van het recht op kinderbijslag en dat hij derhalve op grond van artikel 6.14, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen aanspraak kan maken op aftrek van kosten voor levensonderhoud van zijn kinderen.

7.2.

Belanghebbende acht het discriminerend dat hij vanwege het verblijf van zijn kinderen in Nigeria geen aanspraak kan maken op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud terwijl zijn collega's, met kinderen in het buitenland, maar niet in Nigeria, hierop wel aanspraak kunnen maken. Het gaat hier, naar het Hof begrijpt, om de vraag of het bepaalde in artikel 6.14, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag, doordat deze bepaling uitgaven voor levensonderhoud van kinderen waarvoor geen recht op kinderbijslag bestaat omdat zij - zoals de kinderen van belanghebbende - in een land wonen waarmee Nederland geen verdrag heeft gesloten op grond waarvan voor die kinderen recht op kinderbijslag bestaat, van aftrek uitsluit.

7.3.

Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

7.4.

Over de redenen waarom de uitgaven voor levensonderhoud van een kind waarvoor op grond van artikel 7b van de AKW geen recht op kinderbijslag bestaat van aftrek zijn uitgesloten, is in de geschiedenis van totstandkoming van artikel 6.14, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 het volgende opgemerkt:

"(…)

In onderdeel b is een bepaling opgenomen waarmee wordt bewerkstelligd dat voor een kind geen uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking kunnen worden genomen indien voor dat kind het recht op kinderbijslag niet wordt toegekend als gevolg van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). Vanwege problemen bij de controle van onder meer naar het buitenland geëxporteerde kinderbijslag worden indien de controle niet voldoende is gewaarborgd uitkeringen niet langer geëxporteerd. Om te voorkomen dat de belastingdienst met dezelfde controleproblemen wordt geconfronteerd, zijn uitgaven voor levensonderhoud van een kind waarvoor op grond van de Wet BEU geen recht op kinderbijslag bestaat van aftrek uitgesloten.

(…)"

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 255.

"Op 1 januari 2000 treedt de Wet beperking export uitkeringen in werking (Wet van 27 mei 1999, Stb. 250). Deze wet beoogt door de invoering van het territorialiteitsbeginsel een verbeterde handhaafbaarheid van uitkeringen te realiseren. Als gevolg van de Wet beperking export uitkeringen ontstaat geen recht op een uitkering of eindigt het recht op een uitkering indien de uitkeringsgerechtigde buiten Nederland woont of gaat wonen. Export van uitkeringen blijft mogelijk naar EU-landen en naar landen waarmee Nederland een bilateraal verdrag heeft gesloten waarin handhavingsafspraken zijn opgenomen. Voor bestaande gevallen geldt een overgangsregeling van 3 jaar waarin het bestaande recht op uitkering in het buitenland gehandhaafd blijft. In die tijd zal het Kabinet met zoveel mogelijk landen verdragen met handhavingsafspraken pogen te sluiten of reeds bestaande verdragen aanpassen in die zin dat daarin alsnog handhavingsafspraken worden opgenomen. Een belastingplichtige die op grond van de Wet beperking export uitkeringen voor een kind geen recht heeft op kinderbijslag en dat kind in belangrijke mate onderhoudt, heeft recht op buitengewone lasten-aftrek wegens uitgaven in het levensonderhoud van dat kind. Hierdoor zou mogelijk de werking van de Wet beperking export uitkeringen worden belemmerd, althans voorzover het de kinderbijslag betreft. Voor een land zal het afsluiten van een verdrag met Nederland immers minder opportuun zijn indien de kinderbijslag-uitkeringen worden vervangen door bijdragen in het levensonderhoud, mogelijk gemaakt door de aftrek wegens buitengewone lasten. Het is overigens nooit de bedoeling geweest van de Wet beperking export uitkeringen de wegvallende uitkering voor een groot deel fiscaal te compenseren. Bovendien zouden dan de uitvoeringsproblemen niet worden opgelost, maar slechts worden verplaatst (en dan nog van de in beginsel beter geëquipeerde Sociale Verzekeringsbank naar de hiertoe niet uitgeruste Belastingdienst). Om deze redenen wordt voorgesteld de regeling inzake buitengewone lastenaftrek zodanig te wijzigen dat het niet mogelijk is in aanmerking te komen voor die aftrek wegens uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen die jonger zijn dan 27 jaar, indien het recht op kinderbijslag op grond van de Wet beperking export uitkeringen is uitgesloten. Met deze wijziging wordt tevens voorkomen dat een deel van de beoogde opbrengst van de Wet beperking export uitkeringen weglekt via de buitengewone lasten-aftrek."

MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 26 852, nr. 3, p. 2- 3.

7.5.

Blijkens deze wetsgeschiedenis is het uitgangspunt van de wetgever bij de voorgestelde aftrekbeperking geweest om problemen in de controle ten aanzien van een dergelijke aftrekpost te verkleinen en voorts de werking van de Wet beperking export uitkeringen niet te belemmeren door uitgaven voor levensonderhoud van kinderen die buiten de EU of een verdragsland wonen fiscaal wel in aanmerking te nemen terwijl geen recht zou bestaan op kinderbijslag.

7.6.

Voor zover al sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, moet gelet op het voorgaande worden geoordeeld dat de wetgever zonder overschrijding van de hiervoor onder 7.3 bedoelde ruime beoordelingsvrijheid heeft kunnen menen dat, een objectieve en redelijk rechtvaardiging bestaat om aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen die buiten de EU of een verdragsland wonen, uit te sluiten.

7.7.

Ook voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het niet verlenen van aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen immoreel of onredelijk is, kan het hoger beroep niet slagen. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

7.8.

Ten aanzien van de 30%-regeling is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat in de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld of belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling.

7.9.

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Beslist moet worden zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 7 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.