Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3377

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
K140053
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

art. 12c Sv. beschikking; beklag ongegrond

Na bestudering van de stukken in het dossier is ook het hof van oordeel dat de vraag of de Raad van Discipline, gezien in het licht van artikel 7 van de Grondwet en de artikelen 10 en 53 EVRM, bevoegd was de klacht tegen klager te beoordelen, in het kader van de onderhavige klacht niet aan de orde is.

Naar het oordeel van het hof zijn er geen aanknopingspunten aanwezig om tot het oordeel te komen dat hetgeen in de wrakingsbeslissing is neergelegd valselijk is opgemaakt of is vervalst in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het feit dat klager het niet eens is met die beslissing maakt nog niet dat er sprake is van valsheid in geschrift.

Ten overvloede merkt het hof op dat het feit dat de beslissing van de wrakingskamer de suggestie wekt, dat de gewraakte kamer ook heeft gerespondeerd op het betoog van klager met betrekking tot artikel 53 EVRM door te vermelden “ook op het beroep van verzoeker op de bepalingen van het EVRM is gerespondeerd”, terwijl in de beslissing van de gewraakte kamer slechts een oordeel met betrekking tot artikel 10 EVRM valt te lezen, naar het oordeel van het hof nog geen begin oplevert van een aanwijzing dat dit opzettelijk is opgenomen in de beslissing dan wel dat de inhoud daarvan gefalsifieerd zou zijn.

Het hof is dan ook van oordeel dat de sepotbeslissing waartegen de klacht zich richt op goede gronden berust, aangezien het handelen van beklaagden niet valt te brengen onder de delictsomschrijving van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, noch onder die van enige andere strafbepaling dan wel (grond)wettelijke of verdragsrechtelijke regel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[naam klager],

klager.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 28 januari 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Den Haag om [namen beklaagden], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van valsheid in geschrift in vereniging gepleegd.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 16 juni 2014 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Den Haag van 4 februari 2014 en de reactie van klager van 7 augustus 2014 op het verslag van de advocaat-generaal.

4 De behandeling van het klaagschrift

In verband met toepassing van artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering is nader onderzoek in raadkamer achterwege gebleven en zijn betrokkenen niet opgeroepen.

5 De feiten

Ter zitting van de Raad van Discipline van 18 november 2013 heeft klager een preliminair verweer gevoerd inzake de onbevoegdheid van de Raad van Discipline om een klacht inzake meningsuitingen te behandelen. De voorzitter heeft zijn bevoegdheid uitgesproken. Klager heeft vervolgens de leden van de op die datum zittende kamer van de Raad van Discipline gewraakt. De wrakingskamer heeft het verzoek bij beslissing van 16 december 2013 afgewezen.

Klager heeft bij brief van 6 januari 2014 bij de hoofdofficier van justitie te Den Haag aangifte gedaan tegen beklaagden, leden van de wrakingskamer, ter zake van valsheid in geschrift. Klager heeft aangegeven dat beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift in hun wrakingsbeslissing betreffende zijn wrakingsverzoek.

De hoofdofficier van justitie heeft geoordeeld dat de beslissing van de wrakingskamer niet onjuist, laat staat vals dan wel vervalst is en derhalve niet valt onder de bepaling van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, zodat er geen vervolging zal worden ingesteld tegen de leden van de wrakingskamer.

Klager stelt in zijn klaagschrift dat de hoofdofficier van justitie geen enkele poging heeft gedaan om na te gaan of de beweringen van de beklaagden in hun wrakingsbeslissing in overeenstemming zijn met de waarheid. Klager acht de beslissing van de hoofdofficier van justitie volkomen ongefundeerd en genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6 De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de hoofdofficier van justitie om beklaagden niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

Na bestudering van de stukken in het dossier is ook het hof van oordeel dat de vraag of de Raad van Discipline, gezien in het licht van artikel 7 van de Grondwet en de artikelen 10 en 53 EVRM, bevoegd was de klacht tegen klager te beoordelen, in het kader van de onderhavige klacht niet aan de orde is.

Naar het oordeel van het hof zijn er geen aanknopingspunten aanwezig om tot het oordeel te komen dat hetgeen in de wrakingsbeslissing is neergelegd valselijk is opgemaakt of is vervalst in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het feit dat klager het niet eens is met die beslissing maakt nog niet dat er sprake is van valsheid in geschrift.

Ten overvloede merkt het hof op dat het feit dat de beslissing van de wrakingskamer de suggestie wekt, dat de gewraakte kamer ook heeft gerespondeerd op het betoog van klager met betrekking tot artikel 53 EVRM door te vermelden “ook op het beroep van verzoeker op de bepalingen van het EVRM is gerespondeerd”, terwijl in de beslissing van de gewraakte kamer slechts een oordeel met betrekking tot artikel 10 EVRM valt te lezen, naar het oordeel van het hof nog geen begin oplevert van een aanwijzing dat dit opzettelijk is opgenomen in de beslissing dan wel dat de inhoud daarvan gefalsifieerd zou zijn.

Het hof is dan ook van oordeel dat de sepotbeslissing waartegen de klacht zich richt op goede gronden berust, aangezien het handelen van beklaagden niet valt te brengen onder de delictsomschrijving van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, noch onder die van enige andere strafbepaling dan wel (grond)wettelijke of verdragsrechtelijke regel.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag

–met toepassing van artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering- als kennelijk ongegrond moet worden aangemerkt.

7 De beslissing

Het hof:

Verklaart het beklag ongegrond.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 8 september 2014 door mr. J.J.I. Verburg, voorzitter, mr. A.J.T.M. Franken-van Zinnicq Bergmann en N. Zandbergen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bakker-Otjens, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.