Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3340

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
200.124.283-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling voor goederen waarvan betwist is dat zij zijn besteld en geleverd. Verschuldigdheid van contractuele rente op grond van algemene leveringsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.124.283/01

Zaaknummer rechtbank : 1310677 \ CV EXPL 12-1722

arrest van 21 oktober 2014

inzake

[…] B.V.,

gevestigd te […],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [X],

advocaat: mr. A. Kara te Maastricht,

tegen

[…] B.V.,

gevestigd te […],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [Y],

advocaat: mr. G.E. Helder te Bovenkarspel.

Het vervolg van het geding

Bij tussenarrest van 3 juni 2013 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013. Van het ter comparitie verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Ten behoeve van de comparitie van partijen heeft de advocaat van [Y] bij brief van 4 juli 2012 stukken aan het hof toegestuurd. Vervolgens heeft [X] bij memorie van grieven (met een productie) acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, (met een productie) heeft [Y] de grieven bestreden en vijf grieven in incidenteel appel aangevoerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [X] de incidentele grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het door [X] overgelegde dossier ontbreken het proces-verbaal van 12 juni 2013 en voornoemde brief van 4 juli 2012 met producties.

Beoordeling van het hoger beroep

In het principaal en het incidenteel appel

1. Voor zover de door de rechtbank vastgestelde feiten niet zijn weersproken, neemt ook het hof deze tot uitgangspunt.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[Y] verkoopt en levert groente en fruit. [X] is in januari 2009 klant geworden van [Y]

2.2

In mei 2011 is [X] gestopt met het kopen van groente en fruit bij [Y] In november 2011 heeft [Y] [X] gesommeerd tot betaling van drie facturen, contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft [X] twee van de facturen voldaan.

2.3

[Y] heeft in eerste aanleg van [X] betaling gevorderd van een bedrag van € 13.532,23, te vermeerderen met contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 21 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. In verband met de betaling door [X] van factuur 56247 op 22 mei 2012 en factuur 56313 op 23 mei 2012 heeft [Y] haar eis met € 5.763,76 verminderd.

2.4

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 5.932,87 en [X] in de kosten van de procedure veroordeeld, en voor het overige afgewezen.

3. In principaal hoger beroep vordert [X] vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van het door [Y] gevorderde met veroordeling van [Y] in de kosten van beide instanties. In incidenteel hoger beroep vordert [Y] vernietiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [X] tot betaling van € 7.959,43, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 5.632,87 vanaf 23 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [X] in de kosten van beide instanties. Subsidiair – zo begrijpt het hof – maakt [X] aanspraak op de wettelijke rente.

4.1

De principale grieven I tot en met IV richten zich tegen het oordeel dat [Y] het bewijs heeft geleverd dat [X] bij haar heeft besteld en geleverd heeft gekregen de goederen die zijn vermeld en gefactureerd op factuur 56045. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt.

4.2

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de in het geding zijnde bewijsopdracht aan [Y] heeft gegeven. In principaal of incidenteel hoger beroep wordt daar niet tegen opgekomen. Het debat spitst zich toe op de bewijswaardering na bewijslevering door [Y]

4.3

In eerste aanleg heeft [Y] twee getuigen doen horen: de heer J. [B], directeur van [Y] (hierna: [B]), en de heer […], chauffeur in dienst van [Y] (hierna: [M]).

[M] heeft onder meer verklaard:

Ik ben sinds zeven jaar werkzaam als chauffeur bij eiseres. (…) Ik ken het bedrijf [X]. (…) Ik ben wel vijftig of zestig keer bij [X] geweest. Het kan ook wel honderd keer zijn. Ik kan mij al die keren niet meer herinneren. Ik los gewoon mijn goederen. Ik controleer aan de hand van een bon of ik de goede spullen los. Meestal is dat een getypte bon. Soms is het een handgeschreven bon. Ik heb mijn agenda bij mij. Ik kan daarin zien dat ik in april 2011 de 11e, 14e, 18e, 21e, 26e en de 28e bij [X] ben geweest. Ik nam ook wel eens goederen mee bij [X]. Ik zeg u spontaan dat ik nooit alleen maar goederen ging halen bij [X]. (…)”

[B] heeft onder meer verklaard:

Ik ben directeur en tevens enig aandeelhouder. (…) De factuur met nummer 56045 heb ik op een zaterdag opgenomen. Dat wil zeggen dat ik op zaterdag in de loop van de ochtend heb gebeld met gedaagde. Ik heb toen gesproken met […].

(…)

Ik weet nog goed dat mijn computer op vrijdag was meegenomen voor een reinigingsbeurt. Daarom heb ik de bestelling die gedaagde deed met de hand opgeschreven. (…) De goederen die op zaterdag werden besteld, werden op maandag geleverd. (…)

Op woensdag heb ik weer een bestelling opgenomen van gedaagde. (…) Beide bestellingen zijn in één factuur opgenomen. (…) Beide bestellingen zijn bij gedaagde afgeleverd door de heer [M]. (…) Het komt nooit voor dat ik alleen goederen ophaal bij gedaagde.”

4.4

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [M] en/of zijn verklaring, noch in de omstandigheid dat hij bij [Y] in dienst is, noch in de omstandigheid dat hij voorafgaand aan het getuigenverhoor met […] en [B] over de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor heeft gesproken. Dat de verklaring van [M] inhoudelijk is gestuurd en/of gemanipuleerd door [Y] is niet aannemelijk geworden. Het feit dat [M] zijn agenda van de advocaat van [Y] vlak voor het verhoor heeft ontvangen terwijl hij onder ede heeft verklaard dat hij zijn agenda nooit uit handen geeft, wijst naar het oordeel van het hof niet op onbetrouwbaarheid van [M].

4.5

[M] heeft verklaard dat hij vele malen in opdracht van [Y] goederen heeft afgeleverd bij [X], telkens aan de hand van een bon die meestal getypt is en een enkele maal handgeschreven. Tevens heeft hij verklaard dat hij bij die gelegenheden soms ook goederen heeft meegenomen van [X]. Aan de hand van zijn agenda verklaarde hij dat hij op 11 en 14 april 2011 bij [X] is geweest. Dat sluit aan bij de facturen van [X] (door [Y] als producties 12a en 12b overgelegd bij akte in eerste aanleg van 24 mei 2012), waarin wordt gerefereerd aan leveringen van [X] aan [Y] op 11 en 14 april 2011. Dat er op die data op andere wijze aan [Y] is geleverd dan door het meenemen van goederen door [M] is gesteld noch gebleken.

4.6

Nu [M] heeft verklaard dat hij bij [X] nooit kwam om alleen maar goederen af te halen, volgt daaruit in samenhang met het voorgaande dat [M] op de genoemde data inderdaad voor [Y] goederen heeft afgeleverd aan [X]. Uit de omstandigheid dat in het proces-verbaal van het verhoor is vermeld dat [M] op dit punt spontaan heeft verklaard leidt het hof niet af dat [M] zijn verklaring met die van [B] heeft afgestemd, zoals [X] heeft aangevoerd.

4.7

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat [Y] op 11 en 14 april 2011 goederen heeft geleverd aan [X], alsmede dat die leveringen correspondeerden met getypte of handgeschreven pakbonnen waarover [M] de beschikking had.

4.8

Nu vaststaat dat [Y] op 11 en 14 april 2011 goederen aan [X] heeft geleverd, is aannemelijk dat aan die leveringen bestellingen ten grondslag lagen. Hierbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [X] bij of kort na de leveringen aan [B] te kennen heeft gegeven dat aan de leveringen geen bestellingen ten grondslag lagen. Een en ander maakt het naar het oordeel van het hof zo waarschijnlijk dat aan de leveringen bestellingen ten grondslag lagen, dat daarvan in rechte moet worden uitgegaan. Voor het overige heeft [X] onvoldoende gesteld om anders te oordelen. Daartoe is onvoldoende de verklaring van de heer E. Korkmaz (productie 11 bij memorie van grieven in het principaal beroep), nu die verklaring slechts in de meest algemene termen [Y] laakt als onbetrouwbare zakenpartner. Het hof merkt nog op, in verband met grief III in het principaal beroep, dat derhalve niet alleen op grond van de verklaring van [B] ervan wordt uitgegaan dat [X] ook daadwerkelijk een bestelling heeft geplaatst.

4.9

Ten overvloede merkt het hof nog op dat uit de verklaring van [M] valt af te leiden dat het meer dan eens voorkwam dat een pakbon handgeschreven was. De pakbon van 9 april 2011 was volgens [B] handgeschreven omdat hij op die dag niet de beschikking had over zijn computer en zijn printer, de eerste in verband met onderhoud en de tweede door een defect. Ter onderbouwing daarvan heeft [Y] bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, een nota van Basic Software Design overgelegd. Op deze nota heeft [X] ter gelegenheid van de memorie van antwoord in het incidenteel beroep niet meer gereageerd. Gelet op dit een en ander ziet het hof geen grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [B], waaruit volgt dat factuur 56045 inderdaad betrekking heeft op de goederen die zijn besteld en aan de hand van de overgelegde pakbonnen op 11 en 14 april 2011 zijn geleverd. Het hof verwerpt voorts de suggestie dat het werken met een handgeschreven pakbon afbreuk doet aan het door [Y] gestelde. Die suggestie is onvoldoende onderbouwd.

4.10

Voor zover [X] met grief II nog heeft beoogd om, ook als vaststaat dat de in factuur 56045 genoemde goederen zijn besteld en geleverd, te betogen dat deze goederen al zijn betaald, is dat onvoldoende onderbouwd en zal het hof daaraan derhalve voorbijgaan. Het hof verenigt zich derhalve met de vaststelling door de rechtbank dat de geleverde goederen nog niet zijn betaald.

4.11

Op grond van het voorgaande acht het hof [Y] geslaagd in de bewijsopdracht en falen de grieven I tot en met IV in het principaal beroep. In verband hiermee kunnen de grieven A en B in het incidenteel beroep, die eveneens betrekking hebben op de bewijslevering, onbesproken blijven.

5.1

Het hof ziet aanleiding nu grief C in het incidenteel beroep te behandelen. Volgens deze grief heeft de rechtbank in r.o. 5.1 van het bestreden vonnis ten onrechte overwogen dat er onvoldoende grondslag is voor toewijzing van de gevorderde contractuele rente, en eveneens ten onrechte vervolgens ook geen vergoeding van de wettelijke handelsrente toegewezen. [Y] vult daarbij haar eis in die zin aan dat als het hof van oordeel is dat [Y] geen recht heeft op de contractuele handelsrente, zij subsidiair vergoeding van de wettelijke handelsrente vordert. [Y] baseert haar vordering van contractuele rente op art. 20 lid 2 van haar algemene voorwaarden. Deze voorwaarden zijn volgens haar van toepassing, aangezien [X] voorafgaand aan de transactie waarop de vordering in deze procedure betrekking heeft, frequent goederen van [Y] heeft gekocht en [Y] telkens onderaan de voorzijde van haar facturen heeft vermeld dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn en telkens op de achterzijde van de facturen de algemene voorwaarden zijn afgedrukt. [Y] heeft bij brief van 4 juli 2013 voorafgaande aan de comparitie na aanbrengen een origineel exemplaar overgelegd van het door haar gebruikte factuurpapier met doorslag, waarop aan de achterzijde van het origineel de algemene voorwaarden zijn vermeld. [X] heeft niet betwist dat [Y] dit papier gebruikte voor haar facturen. In dit verband heeft zij slechts erop gewezen dat uit het feit dat ter comparitie na aanbrengen een ‘voorbeeld factuur’ is getoond waarop inderdaad de algemene voorwaarden op de achterzijde zijn vermeld, niet volgt dat dat ook het geval was op factuur 56045.

5.2

Nu op de voorzijde van de facturen telkens naar de algemene voorwaarden is verwezen en [X] daartegen, zoals in de stellingen van [Y] besloten ligt en door [X] niet is betwist, nimmer heeft geprotesteerd, zijn deze algemene voorwaarden ook van toepassing op de transacties waarvoor in deze procedure betaling wordt gevorderd. [X] heeft nog aangevoerd dat [Y] in de toelichting op grief A in het incidenteel beroep heeft erkend dat de algemene voorwaarden van [X] van toepassing zijn en derhalve niet die van [Y], maar dit verweer faalt aangezien zodanige erkenning daarin geenszins te lezen valt. Niet van belang is of de algemene voorwaarden ook zijn afgedrukt op factuur 56045, aangezien [X] in elk geval door ontvangst van eerdere facturen een redelijke mogelijkheid heeft gekregen om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en deze derhalve niet vernietigbaar zijn op grond van art. 6:233 onder b BW. Grief C in het incidenteel beroep slaagt derhalve.

5.3

In eerste aanleg heeft [X] zich nog erop beroepen dat de voorwaarden waarop [Y] zich beroept onredelijk bezwarend zijn. Nu deze stelling verder niet is onderbouwd en [Y] bij conclusie na getuigenverhoor onweersproken heeft gesteld dat de eigen voorwaarden van [X] een hogere contractuele rente inhouden zal het hof hieraan, mede gelet op art. 6:235 lid 3 BW, voorbijgaan. [X] heeft voorts zich erop beroepen dat de rente van 1,5% per maand gezien de wijze van handel tussen partijen onredelijk en onbillijk is en gematigd dient te worden. [X] doelt hierbij kennelijk op de door hem aangevoerde omstandigheid dat tussen partijen een langdurige relatie bestond, waarbij voor betaling een langere termijn dan vermeld in de algemene voorwaarden feitelijk gebruikelijk was geworden. [Y] heeft in dit verband onweersproken aangevoerd dat tussen partijen nimmer een langere betalingstermijn is overeengekomen en dat de door haar gevorderde rentevergoeding in de branche gebruikelijk is. Het hof is tegen de achtergrond van de aangevoerde omstandigheden van oordeel dat matiging van de contractuele rente niet klaarblijkelijk geboden is (art. 6:94 lid 1 BW) en zal daartoe derhalve niet overgaan.

6. Met grief V in het principaal beroep betoogt [X] dat [Y] geen aanspraak heeft op vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, omdat de werkzaamheden voornamelijk betrekking hebben gehad op de verschuldigdheid van factuur 56045 en voorts niet kunnen worden beschouwd als kosten anders dan ter inleiding van een procedure. Het hof is van oordeel dat de bedoelde werkzaamheden, bestaande in de brieven van 21 november 2011 en 9 december 2011, alsmede een telefoongesprek, niet van zodanige aard en omvang zijn dat zij een afzonderlijke vergoeding op de voet van art. 6:96 BW rechtvaardigen. Grief V in het principaal beroep slaagt derhalve. Met grief D in het incidenteel appel klaagt [Y] erover dat de rechtbank ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten € 300,00 heeft toegewezen in plaats van het gevorderde bedrag van € 800,00. [Y] voert daartoe aan dat het gevorderde bedrag overeenkomt met het bedrag genoemd in het Rapport Voor-werk II, welk bedrag in het algemeen als redelijk wordt beschouwd. In de gronden voor het slagen van grief V in het principaal beroep ligt besloten dat grief D in het incidenteel beroep faalt.

7. Grief VIII in het principaal appel klaagt erover dat de rechtbank [X] in de proceskosten heeft veroordeeld. Deze grief faalt, aangezien [Y] grotendeels in het gelijk is gesteld. Grief VI in het principaal beroep klaagt dat de rechtbank de verschotten ten onrechte heeft vastgesteld op € 949,31, aangezien het griffierecht volgens [X] € 861,00 beliep en de dagvaardingskosten € 76,31. Het hof verwerpt deze grief, omdat een griffierecht van € 873,00 verschuldigd was en ook is geheven.

8. Grief VII in het principaal beroep en grief E in het incidenteel beroep hebben betrekking op het bedrag van € 1.050,00 dat de rechtbank voor salaris in de proceskostenveroordeling ten laste van [X] heeft opgenomen. Aangezien de rechtbank op dit punt niet gehouden was tot een motivering, faalt grief VII. Grief E in het incidenteel beroep faalt eveneens, omdat het bedrag van € 1.050,00 het hof juist voorkomt.

9. De slotsom is dat de grieven in het principaal beroep, met uitzondering van grief V, falen, evenals de grieven D en E in het incidenteel beroep, dat de grieven C en E in het incidenteel beroep slagen en de overige grieven geen bespreking behoeven. Het hof zal omwille van de duidelijkheid het gehele vonnis van de rechtbank vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [Y] toewijzen als hierna vermeld. Het hierna te melden bedrag van € 7.159,43 komt overeen met het bedrag van de door [Y] in eerste aanleg bij conclusie na getuigenverhoor tot € 7.959,43 verminderde vordering, verminderd met € 800 aan gevorderde maar niet toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. Bij deze uitkomst past dat [X] wordt veroordeeld in de kosten van principaal en het incidenteel hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2013,

en opnieuw recht doende:

  • -

    veroordeelt [X] om aan [Y] te betalen € 7.159,43, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 5.632,87 vanaf 23 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [X] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [B] begroot op € 949,31 aan verschotten en € 1.050,00 aan salaris voor de gemachtigde.

verder in het principaal appel

- veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 1.862,00 griffierecht en € 1.341,00 salaris advocaat.

in het incidenteel appel

- veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 670,50 salaris advocaat.

in principaal en incidenteel appel

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van der Ven en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2014 in aanwezigheid van de griffier.