Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3300

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
22-003381-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren (stelselmatige diefstal).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003381-13

Parketnummers: 10-661114-13, 10-661018-13, 10-692020-13, 10-661040-13 en 10-661329-12 (TUL)

Datum uitspraak: 17 april 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2013 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1968,

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde veroordeeld. Daarbij is last gegeven tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest en met de bepaling dat de rechtbank negen maanden na het onherroepelijk worden van deze uitspraak door het Openbaar Ministerie wordt bericht over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels afgewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en is de vordering tenuitvoerlegging afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd en haar vordering is derhalve thans niet meer aan de orde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand gelegen op of aan de Poolsterstraat heeft weggenomen een aantal verzorgingsartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand, gelegen op of aan het Maltaplein heeft weggenomen scheermesjes en/of een crème en/of (andere) (verzorgings)produkten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 16 januari 2013 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan de Picassopassage 30) heeft weggenomen een aantal tube(s) tandpasta, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn bv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (pknr. 661018-13)

5.

hij op of omstreeks 5 februari 2013 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere pakken koffie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (gevestigd aan de Centrum Passage), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (pknr. 661040-13).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de daarop betrekking hebbende camerabeelden verloren zijn gegaan zodat sprake is van een zodanig verzuim in het voorbereidend onderzoek dat de behandeling van de zaak niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet en de verdachte in zijn belangen is geschaad, een en ander als vermeld in de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities.

Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een vormverzuim is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en wordt mitsdien verworpen.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Verweer ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde, nu de herkenning van de verdachte door een opsporingsambtenaar op de camerabeelden wordt betwist.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

het Het hof ziet, gelet op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2013 met nummer PL17E0 2013017705-9, geen aanleiding tot twijfel aan de herkenning van de verdachte door de opsporingsambtenaar, nu deze in genoemd proces-verbaal heeft gerelateerd dat hij de verdachte zelf op
16 januari 2013 heeft gehoord. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand, gelegen op of aan het Maltaplein heeft weggenomen scheermesjes en/of een crème en/of (andere) (verzorgings)producten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 16 januari 2013 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan de Picassopassage 30) heeft weggenomen een aantal tube(s) tandpasta, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn bv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij op of omstreeks 5 februari 2013 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere pakken koffie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (gevestigd aan de Centrum Passage), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD) voor de duur van twee jaren, met een tussentijdse beoordeling.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor de betrokkenen. Diefstal betreft een misdrijf waarvoor op de voet van artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2014, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig voor misdrijven is veroordeeld en waaruit volgt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane misdrijven ten minste drie maal tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk en de thans ten laste gelegde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte trekt kennelijk geen lering uit zijn eerdere veroordelingen, nu deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof houdt er dan ook ernstig rekening mee dat de verdachte in de toekomst wederom een misdrijf zal begaan.

Het hof heeft kennis genomen van het verslag d.d. 3 juni 2013 van L.J.M. van Seggelen, psychiater NIFP, die de verdachte heeft bezocht in het kader van een voorgeleidingsconsult ISD. Hieruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van een gemengde persoonlijkheids-stoornis (cluster B) met cocaïneafhankelijkheid en met misbruik van alcohol. De verdachte is een kwetsbare man, onberekenbaar in zijn gedrag en lastig te behandelen. Klinische behandelingen zijn in het verleden wel gepoogd, maar de verdachte heeft deze opnames telkens voortijdig afgebroken of is weggestuurd vanwege gebruik van middelen. De persoonlijkheid van de verdachte kenmerkt zich door narcistische en antisociale trekken. Het ziektebesef is bij de verdachte aanwezig, maar het ziekte-inzicht is beperkt. Bij de verdachte is een duidelijke samenhang te zien tussen zijn psychiatrische problematiek (met name de verslavingsproblematiek) en het herhaaldelijk optreden van strafbare feiten. De problemen van de verdachte zijn ten minste een aantal jaren aanwezig en ernstig te noemen en er zijn geen contra-indicaties aanwezig voor het opleggen van een
ISD-maatregel.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een reclasseringsadvies d.d. 1 mei 2013 van S. Bos, reclasseringsmedewerker bij Bouman GGZ. Dit houdt onder meer in dat de verdachte vermogensdelicten lijkt te plegen om zijn drugsgebruik, cocaïneafhankelijkheid, te kunnen bekostigen. De verdachte heeft geen dagbesteding, kan moeilijk zelfstandig wonen, heeft geen beschermend sociaal netwerk en lijkt in een sociaal isolement te verkeren. Bij de verdachte is sprake van een ernstige psychiatrische- en persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van een anti-sociale, theatrale, narcistische- en borderlinepersoonlijkheidsstoornis, wat mede ten grondslag ligt aan zijn middelengebruik. Deze persoonlijkheidsproblematiek maakt de verdachte onberekenbaar en lastig te behandelen. Eerdere klinische opnames zijn niet van de grond gekomen door verdachtes gedrag en de verdachte vlucht in middelengebruik om problemen te hanteren. Door zijn gecompliceerde psychische problematiek is hij moeilijk begeleidbaar en trekt hij uiteindelijk zijn eigen plan. In het verleden hield hij zich niet aan de voorwaarden van een verplicht reclasseringstoezicht. Het recidiverisico is aanwezig gezien de psychische- en persoonlijkheidsproblematiek en het middelengebruik van verdachte. De reclassering ziet geen mogelijkheid om de verdachte op dit moment binnen een toezicht te begeleiden. De reclassering adviseert de oplegging van een ISD-maatregel, waarbij het van belang is dat er, gezien de ernstige psychische- en persoonlijkheidsproblematiek, diagnostiek plaatsvindt door een inrichtingspsycholoog teneinde een passend traject voor de verdachte uit te zetten. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij klinische behandeling wenst van zijn problematiek, maar dat hij een ISD-maatregel van twee jaren te lang acht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het hof niet de overtuiging dat de verdachte op eigen kracht zijn levenswijze zodanig zal weten aan te passen dat zijn recidiveren zal worden beëindigd en het hof houdt er rekening mee dat de verdachte, gezien zijn justitiële verleden en genoemde rapportages, opnieuw misdrijven zal plegen.

Het hof is - gelet op het voren overwogene - van oordeel dat oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren passend en geboden is, nu de veiligheid van goederen zulks eist en oplegging van de maatregel zowel tot de beveiliging van de maatschappij strekt als tot de beëindiging van het almaar plegen van strafbare feiten door de verdachte. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek en andere problematiek. Teneinde te waarborgen dat de mogelijkheden die de maatregel biedt optimaal worden benut, zal het hof de last tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren geven zonder aftrek van voorarrest.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd en anders dan door de verdachte gewenst, ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van een ISD-maatregel van kortere duur dan hiervoor vermeld.

Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade, dient het maatschappelijk belang te prevaleren boven de persoonlijke wensen van de verdachte.

Het hof zal hierbij bepalen dat na het verloop van een periode van zes maanden tussentijds de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal worden beoordeeld.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van
27 november 2012 onder parketnummer 10-661329-12 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger gevorderd dat deze vordering zal worden afgewezen.

Nu het hof aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zal opleggen, wordt de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de rechtbank Rotterdam over zes (6) maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest door het Openbaar Ministerie wordt bericht over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer
11-860711-11.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. A.J.M. Kaptein en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2014.

mr. A.J.M. Kaptein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.