Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3284

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
22-005663-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten gedurende een periode van een aantal maanden telkens een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne uitgevoerd naar Denemarken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (drie) jaren en 9 (negen) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005663-08

Parketnummer: 10-750042-07

Datum uitspraak: 3 september 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1982,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12 oktober 2009, 2 september 2010, 3 februari 2011, 13 september 2012, 19 en 20 augustus 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De verdachte is ter zake van het onder 1 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

In navolging van hetgeen het hof, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ter terechtzitting van 3 februari 2011, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, heeft beslist, beslist het hof voorts dat niet aan de orde zijn de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 03 juli 2007, te Rotterdam, Schiedam, Capelle aan de IJssel, Ridderkerk en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) handelshoeveelhe(i)d(en), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.
hij meermalen, althans eenmaal, (telkens) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 november 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, te weten

- in of omstreeks de periode van 24 augustus 2006 tot en met 29 augustus 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 4 september 2006 tot en met 6 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 13 september 2006 tot en met 14 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 20 september 2006 tot en met 22 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

5

kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 23 oktober 2006 tot en met 27 oktober 2006 een hoeveelheid van ongeveer

3,5 kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 5 november 2006 een hoeveelheid van ongeveer

8

kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 14 november 2006 tot en met 15 november 2006 een hoeveelheid van ongeveer 3,5 kilogram, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne

zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk voornoemd middel in een auto (laten) vervoer(d)(en) met bestemming het buitenland, te weten Denemarken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De onder 1 geformuleerde verdenking met betrekking tot de stof heroïne ziet blijkens de dossierstukken uitsluitend op het opzettelijk aanwezig hebben van de hoeveelheid heroïne die op 3 juli 2007 is aangetroffen bij de doorzoeking van de woning aan [adres] te Rotterdam.

Nu nergens uit volgt dat de verdachte enige wetenschap heeft gehad over de hoeveelheid heroïne die is aangetroffen in de slaapkamer van de medeverdachte [medeverdachte] in die woning, in welke woning ook de verdachte verbleef, kan reeds om die reden niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte die heroïne aanwezig heeft gehad. Derhalve dient de verdachte ter zake van het deel van het onder 1 ten laste gelegde dat ziet op heroïne te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in op of omstreeks 30 maart 2007 de periode van 01 januari 2007 tot en met 03 juli 2007, te Rotterdam, Schiedam, Capelle aan de IJssel, Ridderkerk en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) handelshoeveelhe(i)d(en), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


6.
hij meermalen, althans eenmaal, (telkens) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 november 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

- in of omstreeks de periode van 24 augustus 2006 tot en met 29 augustus 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 4 september 2006 tot en met 6 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 13 september 2006 tot en met 14 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

7

kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 20 september 2006 tot en met 22 september 2006 een hoeveelheid van ongeveer

5

kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 23 oktober 2006 tot en met 27 oktober 2006 een hoeveelheid van ongeveer

3,5 kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 5 november 2006 een hoeveelheid van ongeveer

8

kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 14 november 2006 tot en met 15 november 2006 een hoeveelheid van ongeveer

3,5 kilogram, in elk geval van een materiaal bevattende cocaïne

zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde

Alhoewel de eerste zes transporten van Nederland naar Denemarken niet zijn onderschept en daardoor geen nader onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de stof die Nederland is uitgevoerd, volgt uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] genoegzaam dat het steeds cocaïne betrof. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben het in hun verklaring immers telkens over pakketjes met cocaïne. Uit de verklaring van de verdachte volgt verder dat de medeverdachte [medeverdachte 4] werd gebeld om een bepaalde hoeveelheid cocaïne te regelen. De cocaïne werd door de verdachte versneden, geperst en verpakt en ging dan via de verdachte of medeverdachten naar de klant. Bovendien volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat tussen de € 19.000 en € 20.000 werd betaald voor een kilo cocaïne en uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij met aanzienlijke bedragen (van onder andere € 200.000,-) naar Nederland is gereden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke bedragen niet voor alleen versnijdingsmiddelen worden betaald. Indien de stof geen cocaïne had bevat, ligt het voor de hand dat dit tot klachten bij de afnemers had geleid. Hiervan is bij het uitgebreide onderzoek niets gebleken. Al met al moet worden geoordeeld dat het ook bij deze transporten steeds cocaïne betrof dat werd uitgevoerd, net als bij het laatste, wel onderschepte transport, waarbij door middel van een deskundigenonderzoek is vastgesteld dat het om cocaïne ging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten gedurende een periode van een aantal maanden telkens een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne uitgevoerd naar Denemarken. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in ons land en het buitenland. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Bij de straftoemeting neemt het hof in aanmerking dat de uitvoer van cocaïne gedurende een geruime periode en in goed georganiseerd verband heeft plaatsgevonden. Voorts betrof het steeds een niet geringe hoeveelheid materiaal die werd uitgevoerd. Uit het dossier is gebleken dat grote financiële belangen met de uitvoer van de cocaïne waren gemoeid. Verder acht het hof van belang dat de verdachte een belangrijke rol in het geheel heeft gehad door de pure cocaïne te versnijden en vermengen en daarna te verpakken.

Als strafverlagende omstandigheid neemt het hof in aanmerking dat ruim zeven jaren zijn verstreken sinds het plegen van de feiten.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

De behandeling in hoger beroep heeft niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, nu na het instellen van het hoger beroep op 17 oktober 2008 pas op 3 september 2014 dit arrest wordt uitgesproken. De termijn voor de berechting in hoger beroep is daarmee met ruim 4,5 jaar overschreden. Het hof zal deze termijnoverschrijding verdisconteren door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 9 maanden op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Blijkens het vonnis waarvan beroep is in beslag genomen en nog niet teruggegeven een geldbedrag van € 1.200,-. De rechtbank heeft gelast dat dit geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte. Op de kopie van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 7 augustus 2014 staat echter dat op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd op voornoemd geldbedrag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de teruggave zal worden gelast van het geldbedrag aan de verdachte.

Het hof zal uitgaan van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 7 augustus 2014 en derhalve geen beslissing nemen ter zake van het beslag nu het een conservatoir beslag betreft op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 6 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (

drie) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Klein Wolterink, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. P.C. Römer, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2014.