Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3282

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
22-004593-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot afpersing van het slachtoffer.

Daarnaast heeft de verdachte twee politieambtenaren bedreigd en een gaspistool in het bezit gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004593-11

Parketnummer: 10-691160-11

Datum uitspraak: 11 juni 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 27 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres],

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in PI Rijnmond, De Schie, R'dam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 januari 2013, 7 februari 2013 en 28 mei 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Het in beslag genomen voorwerp, een gaspistool van het merk BLOW, model F92, is onttrokken aan het verkeer. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 07 december 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- de auto waarin die [benadeelde partij 1] zat klemgereden en/of

- een of meer (op een) vuurwapen(s) (gelijkend(e) voorwerpen)) getoond aan en/of gericht op (het hoofd en/of lichaam) van en/of gehouden tegen (het hoofd en/of lichaam van) die [benadeelde partij 1] en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen in een auto te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen een capuchon op/over zijn hoofd te doen en/of zijn hoofd naar beneden te houden en/of

- die [benadeelde partij 1] (bij zijn hoofd) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- gedurende lange(re), althans enige, tijd met een auto waarin die [benadeelde partij 1] zat gereden, terwijl die [benadeelde partij 1] in die auto zat en die auto niet kon verlaten en/of

- ( zodoende) die [benadeelde partij 1] heeft belet te gaan waar hij wilde gaan;

2.


hij op of omstreeks 07 december 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [benadeelde partij 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de auto waarin die [benadeelde partij 1] zat heeft klemgereden en/of - een of meer (op een) vuurwapen(s) (gelijkend(e) voorwerpen)) heeft getoond aan en/of gericht op (het hoofd en/of lichaam) van en/of gehouden tegen (het hoofd en/of lichaam van) die [benadeelde partij 1] en/of

- die [benadeelde partij 1] heeft gedwongen in een auto te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of

- die [benadeelde partij 1] heeft gedwongen een capuchon op/over zijn hoofd te doen en/of zijn hoofd naar beneden te houden en/of

- die [benadeelde partij 1] (bij zijn hoofd) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Je gaat nu dat geld halen, als je binnen tien minuten niet terug bent dan vermoorden we je moeder, je zus, [naam] en dat kleine meisje”, althans woorden van gelijkende dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

3.


hij op of omstreeks 18 mei 2011 te Rotterdam [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak jullie dood, ik maak jullie af” en/of “ik weet wie je bent, ik onthoud je gezicht, ik maak je af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


4.


hij op of omstreeks 18 mei 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een gaspistool van het merk BLOW, model F92, kaliber 9mm, en/of (voor dat wapen geschikte) munitie van Categorie III, te weten 3, althans één of meer, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 07 december 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- de auto waarin die [benadeelde partij 1] zat klemgereden en/of

- een of meer (op een) vuurwapen(s) (gelijkend(e) voorwerpen)) getoond aan en/of gericht op (het hoofd en/of lichaam) van en/of gehouden tegen (het hoofd en/of lichaam van) die [benadeelde partij 1] en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen in een auto te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen een capuchon op/over zijn hoofd te doen en/of zijn hoofd naar beneden te houden en/of

- die [benadeelde partij 1] (bij zijn hoofd) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- gedurende lange(re), althans enige, tijd met een auto waarin die [benadeelde partij 1] zat gereden, terwijl die [benadeelde partij 1] in die auto zat en die auto niet kon verlaten en/of

- (zodoende) die [benadeelde partij 1] heeft belet te gaan waar hij wilde gaan;

2.


hij op of omstreeks 07 december 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [benadeelde partij 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de auto waarin die [benadeelde partij 1] zat klemgereden en/of

- een of meer (op een) vuurwapen(s) (gelijkend(e) voorwerpen)) getoond aan en/of gericht op (het hoofd en/of lichaam) van en/of gehouden tegen (het hoofd en/of lichaam van) die [benadeelde partij 1] en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen in een auto te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of

- die [benadeelde partij 1] gedwongen een capuchon op/over zijn hoofd te doen en/of zijn hoofd naar beneden te houden en/of

- die [benadeelde partij 1] (bij zijn hoofd) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Je gaat nu dat geld halen, als je binnen tien minuten niet terug bent dan vermoorden we je moeder, je zus, [naam] en dat kleine meisje”, althans woorden van gelijkende dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

3.


hij op of omstreeks 18 mei 2011 te Rotterdam [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak jullie dood, ik maak jullie af” en/of “ik weet wie je bent, ik onthoud je gezicht, ik maak je af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


4.


hij op of omstreeks 18 mei 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een gaspistool van het merk BLOW, model F92, kaliber 9mm, en/of (voor dat wapen geschikte)

munitie van Categorie III, te weten 3, althans één of meer, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het hof is omtrent de verklaring van [getuige], afgelegd op 3 maart 2014 bij de raadsheer-commissaris, van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige wijziging in haar verklaring dat er tegenstrijdigheid is ontstaan met haar eerder afgelegde verklaringen. Het hof neemt de verklaring van Biere op 8 februari 2011 bij de politie afgelegd (pag. 198-204) als uitgangspunt. Gelet op die verklaring van Biere, de verklaring van het slachtoffer [benadeelde partij 1] ter terechtzitting in eerste aanleg op 13 september 2011, die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg –op een hem getoonde foto in het dossier- heeft herkend, en de overige voorhanden zijnde bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot afpersing.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot afpersing van het slachtoffer. Door zijn handelwijze heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de psychische integriteit en bewegingsvrijheid van het slachtoffer. Feiten als de onderhavige worden door slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk (gewelds)delicten nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De verdachte heeft zich kennelijk uitsluitend laten leiden door financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte twee politieambtenaren bedreigd en een gaspistool in het bezit gehad. De beide politieambtenaren zijn erg bang geweest en de ervaring leert dat politieambtenaren ook nadien nog nadelige psychische gevolgen van dit soort bedreigingen kunnen ondervinden. Het bezit van een vuurwapen verdient bestraffing aangezien dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich brengt, temeer omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 mei 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een geweldsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft vastgesteld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep is ingesteld op 27 september 2011, terwijl de stukken van het geding eerst op 28 september 2012 ter griffie van het hof zijn binnengekomen. De inzendtermijn is aldus met ongeveer vier maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat, met dien verstande dat op de overwogen deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, één maand in mindering zal worden gebracht, zodat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden resteert, waarbij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf in beide gevallen zes maanden is.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de speciale en generale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot welke het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, ieder afzonderlijk tot een bedrag van € 150,-.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg volledig toegewezen bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte niet betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vorderingen ter zake van geleden immateriële schade lenen zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot de gevorderde bedragen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 150,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2], alsmede de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 63, 282, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (

zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een gaspistool van het merk BLOW, model F92.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 150,- (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 150,- (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering, mr. T.L. Tan en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2014.

Mr. T.J.P. van Os van den Abeelen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.