Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3277

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
22-005423-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee politieagenten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005426-13

Parketnummers: 09-820334-13 09-817020-13

Datum uitspraak: 15 juli 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 10 december 2013 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1979 te [geboorteplaats] (Marokko),

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden – Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 juli 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 januari 2013 (met parketnummer 09-817020-13) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 01 december 2013 te 's-Gravenhage [benadeelde partij 1] (zijnde een politieambtenaar) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in de richting van die [benadeelde partij 1] met duim en/of wijsvinger een beweging gemaakt lijkend op een schietgebaar en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga hem schieten als ik vrij ben.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.


hij op of omstreeks 01 december 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening (te weten als politieambtenaar van Politie Haaglanden) in diens/dier tegenwoordigheid meermalen, althans eenmaal, mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsverweer ter zake feit 2

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, bepleit dat de aanhouding van de verdachte voor het niet tonen van een legitimatiebewijs onrechtmatig is geweest, omdat er alleen naar het legitimatiebewijs is gevraagd en er geen inzage van het legitimatiebewijs is gevorderd zoals de wet voorschrijft. Dit dient tot vrijspraak te leiden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het proces-verbaal van aanhouding van de politie Haaglanden met nummer PL1531-2013234088-2 staat met betrekking tot de aanhouding van de verdachte voor zover relevant het volgende gerelateerd: “Ik, verbalisant, liep naar de man toe. Ik zag dat de man nog steeds op de grond lag en niet reageerde op ons aanroepen. Ik heb de man gevraagd of hij zich kon legitimeren. Ik zag dat de man daar niet op reageerde. Hierop hebben wij de man ter zake het niet tonen van een legitimatiebewijs aangehouden.

Ingevolge artikel 2 Wet op de Identificatieplicht was de verdachte verplicht op de eerste vordering van de verbalisant, een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.

Naar het oordeel van het hof dient uit genoemd proces-verbaal te blijken dat een vordering als bedoeld in genoemd wettelijk voorschrift heeft plaatsgevonden. Nu het proces-verbaal van aanhouding slechts inhoudt dat aan de verdachte is gevraagd of hij zich kon legitimeren, blijkt niet dat een dergelijke vordering is gedaan. Ten tijde van de aanhouding ontbrak daarom een redelijk vermoeden van schuld ter zake een overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is dan ook van oordeel dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest.

Het vorenstaande maakt dat niet kan worden bewezen dat de politieambtenaren zich ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde in de rechtmatige uitoefening van hun bediening bevonden. De verdachte dient van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Dit leidt niet tot vrijspraak van de verdachte, nu vervolgens het impliciet subsidiair tenlastegelegde gronddelict van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is. Vervolging van dit delict vindt alleen op klacht plaats. In het dossier bevinden zich geen klachten van de betreffende politieambtenaren. Het hof acht het openbaar ministerie desalniettemin ontvankelijk in de vervolging nu uit de aangiftes van de politieambtenaren blijkt dat zij ten tijde van het doen van aangifte onmiskenbaar de bedoeling hadden dat vervolging zou worden ingesteld jegens de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 01 december 2013 te 's-Gravenhage [benadeelde partij 1] (zijnde een politieambtenaar) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in de richting van die [benadeelde partij 1] met duim en/of wijsvinger een beweging gemaakt lijkend op een schietgebaar en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga hem schieten als ik vrij ben.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 01 december 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening (te weten als politieambtenaar van Politie Haaglanden) in diens/dier tegenwoordigheid meermalen, althans eenmaal, mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee politieagenten. Zodoende heeft de verdachte het aan een ieder toekomende recht op een respectvolle bejegening met voeten getreden. Daarna heeft de verdachte op de bewezenverklaarde wijze één van de agenten bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Dergelijk handelen gericht op het aanjagen van angst kan niet worden getolereerd.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juni 2014, waaruit blijkt dat de verdachte al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder ook voor soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Alles afwegende is het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 januari 2013 (met parketnummer 09-817020-13) is de verdachte – voor zover hier van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, nu in een andere, nog niet onherroepelijke, strafzaak van de verdachte de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf reeds is gelast en de vordering in het hoger beroep van die strafzaak weer voorligt.

Het hof zal de vordering – overeenkomstig de conclusie van de advocaat-generaal – afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Den Haag van 2 december 2013, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 januari 2013, met parketnummer 09-817020-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. R.J. de Bruijn en mr. A.H. de Wild, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juli 2014.

Mr. A.H. de Wild en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.