Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3271

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
22-005655-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde ( artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005655-08

Parketnummer: 10-750505-07

Datum uitspraak: 3 september 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1970, thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, blijkens opgave door de verdachte ter terechtzitting van 19 augustus 2014 wonende: [adres] (Marokko).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 september 2010, 3 februari 2011, 13 september 2012, 19 en 20 augustus 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde voor zover dit feit ziet op het op 29 en 30 maart 2007 buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. De verdachte is vrijgesproken van hetgeen verder onder 2 ten laste is gelegd en ter zake van het onder

1

ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

In navolging van hetgeen het hof, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ter terechtzitting van 3 februari 2011, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, heeft beslist, beslist het hof dat niet aan de orde zijn de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 30 maart 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

ongeveer twee kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid vaneen materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] opzettelijk voornoemd middel in een auto (laten) vervoer(d)(en) met bestemming naar het buitenland, te weten Denemarken,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 29 maart 2007 tot en met 30 maart 2007 te Rotterdam, althans in Nederland gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door

in genoemde periode zijn garage [garage] (Rotterdam) ter beschikking te stellen,

en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- genoemde cocaïne in een reserveband te verstoppen/laten verstoppen en/of

- ( deze vervolgens) in een auto (een Volkwagen, type golf, met kenteken [kentekennr.]) te (ver)stoppen/laten (ver)stoppen, terwijl deze auto in de garage van verdachte stond.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Vrijspraak

Niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geweten dat op of omstreeks 30 maart 2007 in zijn garage cocaïne is verstopt in het reservewiel dat op 30 maart 2007 in de achterbak van de door de medeverdachte [medeverdachte 3] bestuurde Volkswagen Golf is aangetroffen. Het ten laste gelegde verschaffen van gelegenheid en/of middelen, en de ten laste gelegde behulpzaamheid zijn daarmee ook niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan. Derhalve dient de verdachte – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman – te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Klein Wolterink, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. P.C. Römer, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2014.