Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3245

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
200.148.385/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Het hof oordeelt dat de behoefte van de stiefkinderen mede wordt bepaald door hun nieuwe gezinssituatie. Het hof bepaalt de kinderalimentatie voor de zoon van partijen in redelijkheid op € 250 per maand, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de onderhoudsverplichting van de vader jegens zijn andere (stief)kind(eren) die bij hem wonen en voorts met de verhouding tussen zijn inkomen en dat van de nieuwe echtgenoot van de moeder (de stiefvader). De wijziging van de verblijfplaats van de dochter van partijen van de vader naar de moeder vormt voor het hof geen aanleiding haar behoefte opnieuw te beoordelen. De na deze wijziging van de verblijfplaats door de moeder berekende kinderalimentatie voor de zoon en de dochter van partijen van € 234 per maand per kind acht het hof redelijk nu deze nagenoeg overeen komt met de verhouding in draagkracht (tweederde/éénderde) tussen de vader en de stiefvader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 8 oktober 2014

Zaaknummer : 200.148.385/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-1625

Zaaknummer rechtbank : C/10/411397

[De vader],

wonende te[woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.H. Benard te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 mei 2014 (tijdig) in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2014 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 25 juni 2014 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 6 augustus 2014 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 7 augustus 2014 een brief van 6 augustus 2014 met bijlagen.

De zaak is op 21 augustus 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2006 gewijzigd in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1998 te[geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige sub 1], bij de vader zal zijn.

Voorts is, met wijziging van voormelde beschikking, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage ten behoeve van [de minderjarige sub 1] met ingang van 22 augustus 2012 op nihil bepaald.

Tevens is, eveneens met wijziging van voormelde beschikking, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige sub 2], geboren [in]2002 te[geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige sub 2], met ingang van 22 augustus 2012 op € 339,09 per maand bepaald.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is komen vast te staan dat de minderjarige [de minderjarige sub 1] vanaf 26 mei 2014 weer bij de moeder woont.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is, naast het hoofdverblijf van de minderjarige [de minderjarige sub 1], de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie, ten behoeve van [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: uitsluitend voor wat betreft de kinderalimentatie) en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de door hem te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige sub 2] met ingang van 1 april 2013 te wijzigen in € 18,55 per maand, althans te bepalen met ingang van een datum en op een bedrag als het hof vermeent te behoren;

  • -

    de door de moeder aan hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 1] met ingang van 1 april 2013 te bepalen op € 25,- per maand, althans te bepalen met ingang van een datum en op een bedrag als het hof vermeent te behoren, met veroordeling van de moeder in de proceskosten van dit geding (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

3. De moeder vraagt de verzoeken van de vader af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie (ten behoeve) van [de minderjarige sub 1] en, in zoverre opnieuw beschikkende, onder bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige, te bepalen dat:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige sub 1] van 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014 bij de vader zal zijn en met ingang van 26 mei 2014 bij de moeder;

  • -

    de kinderalimentatie voor [de minderjarige sub 1] van 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014 op nihil wordt gesteld en met ingang van 26 mei 2014 wordt bepaald op € 347,95 per maand, bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, kosten rechtens.

4. De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, althans haar incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens.

Hoofdverblijfplaats [de minderjarige sub 1]

5.

Vast staat dat [de minderjarige sub 1], die vanaf 22 augustus 2012 bij de vader heeft gewoond, met ingang van 26 mei 2014 weer bij de moeder is gaan wonen en dat de vader zich daar niet tegen verzet. Partijen zijn het er over eens dat het hoofdverblijf van [de minderjarige sub 1] om die reden met ingang van 26 mei 2014 weer bij de moeder moet worden bepaald. Hoewel het verzoek in zoverre voor het eerst in hoger beroep door de moeder is gedaan, is het hof van oordeel dat het voldoende samenhang heeft met het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, zodat het hof overeenkomstig het verzoek van de moeder zal beslissen.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

6.

Met ingang van 1 april 2013 is de nieuwe Richtlijn voor de vaststelling van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen (hierna: nieuwe richtlijn) in werking getreden. Door de Werkgroep Alimentatienormen wordt aanbevolen de behoefte en draagkracht te berekenen volgens de nieuwe rekenwijze indien de ingangsdatum van de vaststelling (of wijziging) van de kinderalimentatie ligt na 1 april 2013 wat de draagkracht betreft en na 1 januari 2013 wat de vaststelling van de behoefte betreft. De vader heeft bij zijn inleidend verzoek wijziging van de kinderalimentatie per 22 augustus 2012 verzocht, zijnde de datum waarop [de minderjarige sub 1] bij hem is komen wonen. Later in de procedure heeft hij gesteld dat de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2013 moet worden gewijzigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie heeft bepaald op 22 augustus 2012 en daarmee niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Bepalend voor de ingangsdatum is immers in de regel de datum waarop de wijziging in werking is getreden. Dat de rechtbank vanwege mediation tussen partijen en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming pas voor het eerst bij de bestreden beschikking op het wijzigingsverzoek heeft kunnen beslissen doet aan het vorenstaande niet af. Het vorenstaande brengt tevens met zich dat het hof de stelling van de vader, dat de nieuwe richtlijnen op de berekening van zijn draagkracht van toepassing zijn, zal passeren. Het hof zal derhalve de oude methode toepassen.

Behoefte minderjarigen

7.

De vader vormt met zijn huidige echtgenote en drie (stief)dochters een gezin, terwijl [de minderjarige sub 1] in de periode van 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014 eveneens deel heeft uitgemaakt van dat gezin. Naast het feit dat [de minderjarige sub 2] deel uitmaakt van het gezin van de moeder en haar huidige echtgenoot, is voor het eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gekomen dat de moeder en haar huidige echtgenoot samen een kind hebben gekregen. Bovendien is de minderjarige [de minderjarige sub 1] per 26 mei 2014 weer deel uit gaan maken van het gezin van de moeder.

8.

Naar het oordeel van het hof staat de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1] van € 339,09 per maand per kind per 2012 als niet bestreden vast. Het feit dat [de minderjarige sub 1] vanaf 26 mei 2014 weer bij de moeder is gaan wonen, is in beginsel een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van partijen rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof vormt uitsluitend de wijziging van het hoofdverblijf van [de minderjarige sub 1] echter geen reden om haar behoefte opnieuw te beoordelen, zodat het hof een geïndexeerde behoefte van [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1] van € 342,14 per maand per kind in 2014 in aanmerking neemt.

9.

Bij gebreke van voldoende financiële gegevens is de behoefte van de (stief)kinderen van de vader en zijn huidige echtgenote niet exact vast te stellen. Voor het hof is wel komen vast te staan dat zowel in het gezin van de vader als in het gezin van de moeder “de man” de kostwinner is. Gebleken is dat de echtgenote van de vader een gering bedrag aan kinderalimentatie van € 50,- per maand per kind voor haar drie kinderen ontvangt, alsmede dat zij een gering inkomen geniet. Het hof gaat er derhalve van uit dat de behoefte van de (stief)kinderen van de vader lager is dan de behoefte van [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1]. Nu de (stief)kinderen echter deel uitmaken van het gezin van de vader en hij, gelet op het vorenstaande, financieel gezien nagenoeg geheel in de behoefte van die kinderen moet voorzien, alsmede gelet op het feit dat de (stief)kinderen en [de minderjarige sub 1] in de periode dat [de minderjarige sub 1] ook deel uitmaakte van het gezin van vader, gelijkelijk zijn behandeld, is het hof van oordeel dat de behoefte van de (stief)kinderen mede wordt bepaald door hun nieuwe gezinssituatie.

Aangezien de (stief)kinderen nagenoeg dezelfde leeftijd hebben als [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1] brengt de huidige situatie met zich dat de behoefte van de (stief)kinderen iets lager zal zijn dan de behoefte van [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1]. Naar het oordeel van het hof is de behoefte van de (stief)kinderen derhalve niet te stellen op bedragen, zoals door de moeder betoogd, variërend van € 41,- per maand per kind in 2012 tot € 25,- per maand per kind in 2014.

Draagkracht vader

Periode 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014

10.

Bij het vaststellen van de draagkracht van de vader neemt het hof evenals de rechtbank een inkomen van € 73.447,- bruto per jaar in aanmerking overeenkomstig de jaaropgave 2012. Op dezelfde grond als de rechtbank acht het hof het redelijk om het inkomen van de echtgenote van de vader van € 8.741,- bruto per jaar bij zijn draagkracht te betrekken. Weliswaar maakt de vader bezwaar tegen het in aanmerking nemen van dat inkomen, maar daar staat tegenover dat in dat geval de volledige woonlasten ten laste van de vader komen, dat de gezinsnorm wordt toegepast en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 45. Het hof passeert de stelling van de moeder dat de echtgenote van de vader geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof acht de stelling van de vader ter zitting, dat zijn echtgenote als militair een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) heeft opgelopen vanwege haar uitzending naar het buitenland en dat zij als gevolg daarvan niet normaal in het dagelijks leven kan functioneren, laat staan werken, aannemelijk. Weliswaar is uit de aan het hof overgelegde stukken gebleken van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 10, maar de vader heeft ter zitting medegedeeld dat een procedure aanhangig is over de mate van arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote, hetgeen het hof eveneens aannemelijk acht.

Het hof houdt voorts rekening met een eigenwoningforfait van € 1.326,- per jaar, een fiscaal aftrekbare rente op een hypothecaire geldlening van € 8.595,- per jaar en met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Tevens neemt het hof de volgende, door de rechtbank in aanmerking genomen en in hoger beroep niet betwiste, maandlasten van de vader in aanmerking: € 716,- rente op een hypo-thecaire geldlening, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 286,- premie Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) voor de vader en zijn echtgenote, inclusief aanvullende verzekeringen, € 58,- eigen risico ZVW en € 60,- kosten zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige sub 2].

11.

Op de woonlasten strekt in mindering de “gemiddelde” basishuur en op de premie ZVW het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel ZVW.

12.

Aangezien het hof de beschikbare draagkracht van de vader over vijf kinderen zal verdelen, zal het hof tevens rekening houden met de bijdrage van € 50,- per maand per kind die de echtgenote van de vader van haar ex-echtgenoot ten behoeve van haar kinderen ontvangt.

13.

In beginsel hebben een vader en stiefvader een nagenoeg gelijke onderhoudsplicht jegens een minderjarig kind. Gezien het inkomen van de echtgenoot van de moeder van € 48.290,- bruto per jaar blijkens zijn jaaropgaaf 2012 en het feit dat tussen de vader en de minderjarigen een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de echtgenoot van de moeder en de minderjarigen, acht het hof het redelijk om de door de vader te betalen alimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 2], ook rekening houdend met zijn onderhoudsplicht jegens de andere kinderen, in de periode van 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014 te stellen op € 250,- per maand. Een dergelijke bijdrage doet recht aan de inkomensverhouding vader/stiefvader en de vader heeft voldoende draagkracht om een dergelijke bijdrage te voldoen.

Het hof passeert de stelling van de vader dat de moeder in voormelde periode een bijdrage van € 25,- per maand per kind voor [de minderjarige sub 1] kan betalen, aangezien die stelling is gebaseerd op basis van de per 1 april 2013 geldende richtlijnen, die het hof niet toepast.

Periode met ingang van 26 mei 2014

14.

Het feit dat [de minderjarige sub 1] met ingang van 26 mei 2014 weer bij de moeder is gaan wonen en het hof haar hoofdverblijf met ingang van die datum bij de moeder zal bepalen, brengt met zich dat – gezien deze wijziging van omstandigheden - de draagkracht van de vader per die datum moet worden beoordeeld aan de hand van de nieuwe richtlijn.

15.

Op basis van de nieuwe richtlijn heeft de advocaat van de moeder het netto besteedbaar inkomen van de vader in 2014, uitgaande van een bruto jaarinkomen van € 76.300,- berekend op € 3.896,- per maand. Het netto besteedbaar inkomen van de echtgenoot van de moeder is, uitgaande van eenzelfde inkomen als in 2012 van € 48.290,- berekend op € 2.557,- per maand. Nog in het midden gelaten dat het hof de behoefte van de stiefkinderen van de vader hoger acht dan het door de moeder gestelde bedrag van € 25,- per maand per kind, heeft de moeder de bijdrage die de vader ten behoeve van [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1] dient te voldoen, na aftrek van de zorgkorting berekend op € 234,- per maand per kind. Aangezien de echtgenoot van de moeder, zoals hiervoor reeds is overwogen, ook dient bij te dragen in de kosten van de minderjarigen, acht het hof de door de moeder berekende alimentatie alleszins redelijk. Een dergelijke alimentatie komt naar het oordeel van het hof nagenoeg overeen met de verhouding in draagkracht (tweederde/éénderde) tussen de vader en de echtgenoot van de moeder, zoals ter zitting van het hof met partijen is besproken. Het hof weegt daarbij mee dat partijen zelf, daarnaar gevraagd ter zitting, niet afwijzend tegenover het voorstel van het hof staan om voormelde verhouding in aanmerking te nemen met als resultaat een nagenoeg even hoge alimentatie voor [de minderjarige sub 2] en [de minderjarige sub 1] zoals door de advocaat van de moeder is berekend.

Nu voor het hof vaststaat dat zowel de moeder als de echtgenote van de vader een zeer gering inkomen hebben en het hof van oordeel is dat zij hun inkomen als bestaansminimum moeten kunnen behouden, acht het hof het niet redelijk te bepalen dat zij in staat zijn om met een bedrag van € 25,- per maand per kind bij te dragen in de behoefte van de kinderen, zijnde het minimale bedrag aan draagkracht volgens de nieuwe richtlijn. Met een dergelijke bijdrage houdt het hof derhalve geen rekening.

Terugbetalingsverplichting

16.

Ter terechtzitting van het hof heeft de moeder erkend dat de vader, zoals door hem gesteld, zijn alimentatieverplichting tot op heden is nagekomen. De onderhavige beschikking leidt ertoe dat de vader vanaf 22 augustus 2012 een bedrag van circa € 2.400,- teveel aan alimentatie voor [de minderjarige sub 2] heeft betaald. Met partijen is de mogelijke terugbetalingsverplichting besproken en de vader heeft terugbetaling verzocht indien hij teveel heeft betaald. De moeder heeft daarentegen gesteld dat zij de alimentatie, gezien het consumptieve karakter, heeft verbruikt. Bovendien heeft zij gesteld dat zij, gezien haar inkomen, niet tot terugbetaling in staat is.

17.

Het hof acht het enerzijds aannemelijk dat de kinderalimentatie is verbruikt, anderzijds had de moeder rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de kinderalimentatie gewijzigd zou kunnen worden. Gelet hierop acht het hof het redelijk dat de moeder circa de helft van de teveel ontvangen alimentatie voor [de minderjarige sub 2], te weten een bedrag van € 1.200,- over de periode van 22 augustus 2012 tot 21 augustus 2014, aan de vader terugbetaalt. Hierop kan de moeder de met ingang van 26 mei 2014 van de vader te vorderen kinderalimentatie voor [de minderjarige sub 1] in mindering brengen.

Proceskosten

18.

Het hof ziet geen reden, zoals door de vader is betoogd, om de moeder te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, en zal dat verzoek derhalve afwijzen. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

19.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de hoofdverblijfplaats en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige sub 1] met ingang van 26 mei 2014 betreft en voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige sub 2] met ingang van 22 augustus 2012 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende,

bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige sub 1] met ingang van 26 mei 2014 bij de moeder;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige sub 1] met ingang van 26 mei 2014 op € 234,- per maand;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige sub 2] in de periode van 22 augustus 2012 tot 26 mei 2014 op € 250,- per maand en met ingang van 26 mei 2014 op € 234,- per maand;

bepaalt dat de moeder een bedrag van € 1.200,- aan teveel ontvangen kinderalimentatie voor [de minderjarige sub 2] aan de vader moet terugbetalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Obbink-Reijngoud, Husson en Sierksma, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2014.