Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3226

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
BK-11_00387
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:15586, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:678
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Boete. Omkering bewijslast. Winst uit onderneming. Loon uit dienstbetrekking. Privégebruik auto. Eigen woning. Persoonsgebonden aftrek. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/5
NTFR 2015/1039 met annotatie van Drs. N.E. Vis
NTFR 2015/935 met annotatie van Drs. N.E. Vis
NTFR 2015/945
NTFR 2015/463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00387

Uitspraak d.d. 1 oktober 2014

in het geding tussen

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de Directeur van de Belastingdienst Haaglanden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 mei 2011, nummer AWB 10/4107 IB/PVV betreffende na te noemen aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 210.000. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen is € 7.918 aan heffingsrente in rekening gebracht alsmede een verzuimboete opgelegd van € 1.134.

1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 4 juni 2010, heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd alsmede de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld, gedagtekend 10 juni 2010. Het is op 11 juni 2010 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is bij brief van 16 juni 2011, bij het Hof ingekomen op 20 juni 2011, van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft bij schrijven van 29 november 2011, bij het Hof ingekomen op 2 december 2011, een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaken BK-09/00047 tot en met BK-09/00060, BK-09/00559, BK-09/000560, BK-10/0106 en BK-10/00302 van belanghebbende en haar echtgenoot [Y] (hierna te samen aangeduid als: belanghebbenden) die was geagendeerd voor 9 november 2010 heeft op verzoek van de toenmalige gemachtigde mr. [A] wegens gezondheidsredenen van de heer [Y] geen doorgang gevonden.

2.3. Op 2 mei 2011 heeft mevrouw [B] namens belanghebbenden verzocht om toezending van de stukken in de zaken BK-09/00047 tot en met BK-09/00060, BK-09/00559, BK-09/000560, BK-10/0106 en BK-10/00302 en heeft zij bericht dat de heer [C] van [D-accountants], de nieuwe gemachtigde/adviseur is.

2.4. Een in overleg met de heer [C] vastgestelde zitting op 28 september 2011 heeft op zijn verzoek geen doorgang gevonden.

2.5. Op 13 september 2011 heeft het Hof aan de gemachtigde van belanghebbende, de heer [C] van [D-accountants], bericht dat de mondelinge behandeling van de zaken zal plaatsvinden op 14 december 2011 en dat bij het vaststellen van deze datum uitdrukkelijk rekening is gehouden met de gezondheidstoestand en revalidatie van de heer [Y].

2.6. Op 24 oktober 2011 is aan de gemachtigde van belanghebbenden, de heer [C] van [D-accountants], de uitnodiging voor de mondelinge behandeling op 14 december 2011 verzonden.

2.7. Bij faxbericht van 24 november 2011 heeft mr. [E] zich als gemachtigde van belanghebbende gesteld en om uitstel van de mondelinge behandeling die was vastgesteld op 14 december 2011 verzocht. In het bericht is vermeld dat verschillende gemachtigden reeds hebben verzocht om een afschrift van het procesdossier en dat hij verzoekt om inzage in de dossiers. Bij brief van 30 november 2011 heeft het Hof hem geantwoord dat de mondelinge behandeling van 14 december 2011 geen doorgang zal vinden, dat hem een afschrift van de gedingstukken zo spoedig mogelijk zal worden toegezonden en dat voor inzage een afspraak kan worden gemaakt met een medewerker van de administratie waarbij het Hof tevens het verzoek heeft gedaan de verhinderdata op te geven voor de maanden februari tot en met mei 2012. Bij brief van 9 december 2011 zijn mr. [E] de gedingstukken in de zaken BK-09/00047 tot en met BK-09/00060, BK-09/00559, BK-10/00106 en BK-10/00302 toegezonden.

Een afspraak voor inzage is van zijn zijde of door belanghebbenden niet gemaakt.

Bij brief van 30 november 2011 is de Inspecteur van het verleende uitstel in kennis gesteld onder bijvoeging van een afschrift van het faxbericht van mr. [E].

2.8. Bij faxbericht van 14 december 2011 heeft mr. [E] het Hof bericht dat een zitting eind mei 2012 belanghebbende beter uitkomt teneinde de achterstand in de administratie weg te kunnen laten werken en omdat de heer [Y] een operatie in maart zal ondergaan.

2.9. Bij brief van 14 december 2011 heeft de Inspecteur verhinderdata opgegeven voor de zitting en een verzoek tot voeging van de procedures BK-11/00386 en BK-11/00387 gedaan betreffende de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2004.

2.10. Bij brief van 16 december 2011 heeft mr. [E] verhinderdata opgegeven voor de zitting.

2.11. Bij brief van 23 december 2011 is mr. [E] ervan op de hoogte gesteld dat de mondelinge behandeling van de zaken met BK-11/00386 en BK-11/00387 samen met de zaken BK-09/00047 tot en met BK-09/00060, BK-09/00449 en BK-09/00560, BK-10/00106 en BK-10/00302 is gepland op 9 mei 2012.

2.12. In de zaken BK-11/00386 en 11/00387 is hoger beroep ingediend door [D-accountants]. De aanvulling van het hoger beroep is op 20 september 2011 in BK-11/00386 en op 19 september 2011 in de zaak BK-11/00387 bij het Hof binnengekomen. Het verweerschrift van de Inspecteur van 1 december 2011 in BK-11/00386 en van 29 november 2011 in BK- 11/00387 is in afschrift verzonden aan mr. [E] op 27 december 2011, waarna deze bij brief van 13 februari 2012 uitstel voor conclusie van repliek in beide zaken heeft verzocht.

2.13. De uitnodiging voor de mondelinge behandeling van de zaken BK-09/00047 tot en met BK-09/00060, BK-09/00449 en BK-09/00560, BK-10/00106 en BK-10/00302 en de zaken BK-11/00386 en BK-11/00387 is aan partijen verzonden op 18 januari 2013.

2.14. Op 19 januari 2012 heeft mr. [E] een faxbericht en op 23 januari 2012 een brief aan het Hof gezonden waarin deze een verzoek tot ontvoeging doet voor de zaken BK-11/00386 en BK-11/00387.

2.15. Bij brief van 20 januari 2012 is mr. [E] in de gelegenheid gesteld in de zaken BK-11/00386 en BK-11/00387 een conclusie van repliek in te dienen.

2.16. Bij brief van 23 januari 2012 heeft het Hof het verzoek van mr. [E] tot ontvoeging afgewezen, waarbij is gelet op de omstandigheid dat de zaken op een tussenliggend jaar betrekking hebben.

2.17. Bij brief van 13 februari 2012, ingekomen op 14 februari 2012, heeft mr. [E] verzocht om een uitstel voor het indienen van de conclusie van repliek in de zaken BK-11/00386 en BK-11/00387. Dit uitstel is verleend tot 16 maart 2012. De conclusie van repliek in beide zaken is op 16 maart 2012 in opdracht van mr. [E] ingediend door [D-accountants]. Een afschrift van de brief van de Inspecteur dat hij afziet van het nemen van conclusie van dupliek in beide zaken is op 23 april 2012 aan mr. [E] verzonden.

2.18. Op 24 april 2012 heeft mr. [E] het Hof verzocht om uitstel van de zitting van 9 mei 2012. In het verzoek is vermeld dat de heer [F] als nieuwe accountant is aangesteld en dat hij beschikbare informatie tot jaarrekeningen zal omzetten maar niet op tijd klaar zal zijn. Een dergelijk verzoek heeft [F] van [G] ook rechtstreeks aan het Hof gedaan. Het verzoek is door het Hof afgewezen met bericht aan mr. [E] op 25 april 2012 en aan [F], met kopie aan de Inspecteur van de brieven van [E] en [F].

2.19. Op 25 april 2012 hebben belanghebbenden per faxbericht, gedateerd 23 april 2012, een verzoek om uitstel van de zitting van 9 mei 2012 gedaan. Het Hof heeft op 27 april 2012 dit verzoek afgewezen en aan mr. [E] gezonden alsmede een kopie aan belanghebbenden en een kopie aan de Inspecteur.

2.20. Op 7 mei 2012 heeft mr. [E] bij faxbericht meegedeeld niet meer op te treden namens belanghebbenden. Bij faxbericht van 7 mei 2012 heeft het Hof een afschrift hiervan aan belanghebbenden gefaxt en meegedeeld dat voor zover in dit bericht een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van 9 mei 2012 is besloten dit verzoek wordt afgewezen. Per faxbericht is hiervan een kopie aan de Inspecteur verzonden op 7 mei 2012.

Op 7 mei 2012 hebben belanghebbenden per faxbericht verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van 9 mei 2012 omdat mr. [E] zich heeft teruggetrokken als gemachtigde. Bij brief van 8 mei 2012 en faxbericht heeft het Hof het uitstelverzoek afgewezen. Een kopie van faxbericht en de reactie van het Hof daarop is verzonden aan de Inspecteur op 8 mei 2012 per brief en per fax.

2.21. Op 9 mei 2012 heeft de eerste mondelinge behandeling van de zaken plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.22. Na deze mondelinge behandeling heeft tussen het Hof en partijen de volgende briefwisseling plaatsgevonden.

2.23. Op 14 mei 2012 heeft het Hof een brief aan belanghebbenden gezonden en een kopie daarvan aan de Inspecteur, waarin het Hof ter bevestiging van hetgeen op de zitting van 9 mei 2012 is afgesproken over het horen van getuigen met betrekking tot het aanbod genoemd onder A op bladzijde 7 en onder B op bladzijde 8/9 van de pleitnota. Het Hof verzoekt belanghebbenden een lijst te zenden met namen van de definitieve getuigen en verhinderdata van belanghebbenden en getuigen voor de eerste twee weken van juli 2012. In de brief van het Hof wordt belanghebbenden meegedeeld dat zij zelf voor uitnodiging of oproeping van de getuigen dienen te zorgen.

2.24. Op 24 mei 2012 is een brief van belanghebbenden ingekomen, eerder per fax ontvangen op 23 mei 2012, gedagtekend 21 mei 2012 met in bijlage de opgaaf van de door hen gewenste getuigen, verhinderdata en een reactie op de zitting van 9 mei 2012. Op 7 juni 2012 heeft het Hof hiervan een afschrift gezonden aan de Inspecteur.

2.25. Op 5 juni 2012 is bericht van belanghebbenden ontvangen dat mr. [H] namens hen optreedt in de procedure in hoger beroep en dat de dossiers bij mr. [E] zijn opgevraagd alsmede het verzoek daarmee rekening te houden bij het bepalen van de datum voor de nadere mondelinge behandeling tevens getuigenverhoor.

2.26 Op 7 juni 2012 heeft het Hof belanghebbenden en de Inspecteur uitgenodigd voor de nadere mondelinge behandeling van 13 juli 2012 en heeft daarbij opgave gedaan welke getuigen zullen worden gehoord die daartoe door belanghebbenden zelf moeten worden opgeroepen ([getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8]). Tevens is opgave gedaan van de getuigen die zullen worden gehoord op een nader te bepalen zitting in september 2012 ([getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11]) en is verzocht om opgave van de verhinderdata in de maand september 2012.

2.27. Het Hof heeft op 18 juni 2012, bij gebreke van een eerder bericht van de zijde van mr. [H] zelf inzake de gestelde vertegenwoordiging, aan mr. [H] verzocht te laten weten of zij belanghebbenden vertegenwoordigt en voor het geval dat zo is, is een kopie bijgevoegd van de uitnodiging voor de mondelinge behandeling tevens getuigenverhoor van 13 juli 2012.

2.28. Mr. [H] (hierna: de gemachtigde) heeft bij faxbericht van 19 juni 2012 meegedeeld dat het bericht van belanghebbenden van 4 juni 2012 juist is en dat zij in de procedure namens hen optreedt en dat de correspondentie aan haar kan worden gezonden.

2.29. Op 26 juni 2012 heeft het Hof in antwoord op de brief van de gemachtigde betreffende de te horen getuigen op de nadere mondelinge behandeling van 13 juli 2013 geantwoord met afschrift aan de Inspecteur.

2.30. Op 12 juli 2012 is een faxbericht van mr. [H] binnengekomen waarin de namen van de getuigen die ter zitting van 13 juli 2012 zullen verschijnen worden meegedeeld.

Op 12 juli 2012 is een faxbericht van belanghebbende [Y] van 12 juli 2012, ingekomen met de verhinderdata van de getuigen die op de zitting van 13 juli 2012 niet kunnen worden gehoord. Hiervan is op 16 juli 2012 een afschrift gezonden aan de Inspecteur.

2.31. Op 13 juli 2012 heeft een nadere mondelinge behandeling van de zaken plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn als getuigen gehoord; [getuige 6], [getuige 3], [getuige 7], [getuige 1] en [getuige 2]. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.32. Bij brief van 23 juli 2012 heeft het Hof aan mr. [H], de gemachtigde van belanghebbenden, een uitnodiging voor een nadere mondelinge behandeling van 28 september 2012 gezonden waarbij is meegedeeld dat het Hof op die datum de getuigen [getuige 4], [getuige 9], [getuige 11], [getuige 10] en [getuige 5] zal horen na uitnodiging door belanghebbenden. Bij brief van 23 juli 2012 is zo’n uitnodiging ook naar de Inspecteur gezonden.

2.33. Bij brief van 27 juli 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbenden een overzicht van specificaties van door de FIOD overgedragen stukken ingezonden en een verklaring van [getuige 8] met kopie identiteitsbewijs. Op 3 augustus 2012 is hiervan een afschrift aan de Inspecteur gezonden.

2.34. Op 3 augustus 2012 heeft het Hof een afschrift van de processen-verbaal van de zittingen van 9 mei 2012 en 13 juli 2012 gezonden aan partijen.

2.35. Op 31 augustus 2012 heeft het Hof een brief van de Inspecteur ontvangen met in een bijlage een faillissementsverslag van de curator betreffende [I] BV. Hiervan is op 4 september 2012 een afschrift verzonden aan de gemachtigde van belanghebbenden.

2.36. Op 5 september 2012 heeft het Hof een brief van de gemachtigde van belanghebbenden ontvangen met in een bijlage de onderzoeksrapportage [J] van deskundige [getuige 3] ([K]). Hiervan is op 5 september 2012 een afschrift gezonden aan de Inspecteur.

2.37. Op 17 september 2012 heeft het Hof van de gemachtigde van belanghebbenden een brief toezending stukken ontvangen en een brief met een nadere reactie met 7 bijlagen, waaronder een bezwaarschrift omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 en een jaarrekening 1999.

Op 17 september 2012 heeft het Hof een brief ontvangen van de kant van belanghebbenden, met een bijlage 8 en een bijlage 9 betreffende een faxbericht aan de heer [getuige 11] van de heer en mevrouw [X] en een brief van de heer [L] namens [I] B.V. aan de heer en mevrouw [X]. Van al de stukken van 17 september 2012 is een afschrift gezonden aan de Inspecteur op 18 september 2012.

2.38. Op 21 september 2012 heeft het Hof een reactie van de kant van de Inspecteur ontvangen op het rapport van [K]. Per faxbericht en per brief is hiervan door het Hof een kopie verzonden aan de gemachtigde van belanghebbenden op 25 september 2012.

2.39. Op 28 september 2012 heeft een nadere mondelinge behandeling van de zaken plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling is mevrouw [getuige 9] als getuige verschenen en gehoord. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.40. Na deze mondelinge behandeling heeft tussen het Hof en partijen de volgende briefwisseling plaatsgevonden.

2.41. Op 3 oktober 2012, ontvangen op 4 oktober 2012, is een brief binnengekomen van de gemachtigde van belanghebbenden met betrekking tot bij haar ontbrekende kopieën van procesdossiers BK-10/00106, BK-11/00386 en BK-11/00387.

2.42. Bij e-mailberichten van 3 oktober 2012 en 8 oktober 2012 is daarop door het Hof gereageerd met toezending van de dossiers in pdf-formaat kenmerknummers BK-10/00106, BK-11/00386 en BK-11/00387.

2.43. Op 9 oktober 2012 heeft het Hof een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 28 september 2012 gezonden aan partijen.

2.44. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 9 oktober 2012 een uitstelverzoek en ontvoegingsverzoek van de zitting van 21 november 2012 bij het Hof ingediend.

Bij brief van 12 oktober 2012 van het Hof is het uitstelverzoek van de zitting van 21 november 2012 en het verzoek tot ontvoeging van de dossiers BK-10/00106, BK-11/00386 en Bk-11/00387 afgewezen.

2.45. Bij brief van 19 oktober 2012 van het Hof is aan de gemachtigde, op het schriftelijk verzoek van haar van 16 oktober 2012, een afschrift van het verweerschrift van de Inspecteur bij de rechtbank gezonden in de zaak BK-09/00559 van 19 oktober 2009.

2.46. Op 9 november 2012 zijn twee brieven van de Inspecteur ontvangen van 9 november 2012 met bijlagen waarvan op 12 november 2012 een afschrift is verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende. Op 9 november 2012 zijn een brief en twee faxen van de gemachtigde ontvangen met bijlagen nrs. 10 tot en met 27 waarvan op 12 november 2012 een afschrift is verzonden aan de Inspecteur.

Op 9 november 2012 is een brief ontvangen waarbij de gemachtigde in de zaak BK-09/00060 aan de orde stelt dat het beroep tijdig is omdat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, waarvan op 12 november 2012 een afschrift is verzonden aan de Inspecteur.

Op 14 november 2012 is een faxbericht van de gemachtigde ontvangen waarbij de tijdigheid van de aanslag in de inkomstenbelasting 2000 van mevrouw [Y] en drie faxberichten van 16 november 2012 waarbij de tijdigheid van de aanslag en navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting 2001 en de aanslag in de inkomstenbelasting 2002 van de heer [Y] aan de orde wordt gesteld. Hiervan is op 16 november 2012 een afschrift verzonden aan de Inspecteur.

2.47. Op 21 november 2012 heeft een nadere mondelinge behandeling van de zaken plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.48. Na deze mondelinge behandeling heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

Op 27 november 2012 heeft het Hof aan de gemachtigde van belanghebbenden, overeenkomstig een door de Inspecteur aan het Hof doorgezonden verzoek, een kopie gezonden van de door de Inspecteur op de zitting van 21 november 2012 overgelegde brief met bijlagen van accountantskantoor [getuige 11] aan [M] van 18 maart 2002.

Op 5 december 2012 is een faxbericht van de gemachtigde van belanghebbenden ingekomen, de schriftelijke versie daarvan op 6 december 2012. De Inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 11 december 2012. De reactie is op 17 december 2012 toegezonden aan de gemachtigde van belanghebbenden.

Bij brief van 23 januari 2013 heeft het Hof de gemachtigde verzocht mee te delen of prijs wordt gesteld op een nadere mondelinge behandeling. Hierop heeft de gemachtigde bevestigend geantwoord bij brief van 25 januari 2013, binnengekomen bij het Hof op 28 januari 2013. Een kopie van deze brief is op 28 januari 2013 aan de Inspecteur gezonden.

Op 4 maart 2013 heeft het Hof van de gemachtigde van belanghebbenden een nader stuk met dagtekening 1 maart 2013 inclusief zes bijlagen ontvangen waarvan op 4 maart 2013 een afschrift per fax en per post aan de Inspecteur is gezonden.

2.49. Op 12 maart 2013 heeft een afsluitende mondelinge behandeling van de zaken plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.8 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

2.1 Eiseres is geboren op [dag en maand] 1964 en gedurende het jaar 2004 gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenoot). Eiseres is in 2004 directeur en mede aandeelhoudster van [I] B.V. ((hierna: [I]). [I] exploiteert een kinderopvangcentrum te [Z]. Daarnaast is eiseres eigenaresse van de eenmanszaak [N] (hierna: [N]). De bedrijfsomschrijving volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel [Q] van [N] luidt: “Het leveren van diensten en goederen die op enigerlei wijze in verband staan met de opvang van kinderen in de leeftijd van 0 t/m 12 jaar, alsmede detail- en groothandel, distributie van o.a. speelattributen”.

2.2 De echtgenoot is in 2004 eigenaar van de eenmanszaken [O] en [M] – later ingebracht in [M] B.V. (hierna: [M]). [O] is een adviesbureau en [M] is een computerspeciaalzaak. Deze ondernemingen zijn gevestigd op het adres [a-straat 1] te [Z].

2.3 Voor de heffing van IB heeft eiseres op 12 mei 2006 een elektronische aangifte voor het jaar 2004 ingediend. Voor loon uit tegenwoordige arbeid, ingehouden loonheffing en persoonsgebonden aftrek vermeldt de aangifte bedragen van respectievelijk € 50.111, € 17.121 en € 40. Verder vermeldt de aangifte een eigenwoningforfait van € 2.787 en een bedrag voor rente en kosten van geldleningen ter zake van de eigen woning van € 36.345. Het adres van de eigen woning volgens de aangifte is [a-straat 1] te [Z]. Het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt volgens de aangifte derhalve € 50.111 + € 2.787 -/- € 36.345 -/- € 40 = € 16.513.

2.4 Met dagtekening 4 augustus 2006 heeft verweerder eiseres de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 210.000, namelijk € 60.000 loon uit dienstbetrekking, € 50.000 resultaat uit overige werkzaamheden en € 100.000 winst uit onderneming.

2.5 Eiseres heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 10 augustus 2006 en ondertekend door de toenmalige adviseur van eiseres [getuige 2] van [AA-advieskantoor] te [R] (hierna: [getuige 2]). Per brief van 15 augustus 2006 is het bezwaar gemotiveerd. In deze brief, die is ondertekend door eiseres zelf, wordt onder meer verzocht de correspondentie ook in kopie aan de adviseur te zenden.

2.6 Per brief aan [getuige 2] van 21 augustus 2008 verzoekt verweerder om nadere gegevens over de aangifte. Per brief aan [getuige 2] van 26 september 2008 herhaalt verweerder dit verzoek. Op beide brieven, die in kopie tot de gedingstukken behoren, wordt niet gereageerd. Per brief aan [getuige 2] van 16 februari 2009, die ook in kopie tot de gedingstukken behoort, deelt verweerder mee dat hij voornemens is het bezwaar af te wijzen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking

U vermeldt een bedrag van € 50.111 aan inkomsten ([I] B.V.) waarbij een bedrag van € 17.121 aan loonheffing is ingehouden. Dit bedrag komt echter niet overeen met de gegevens waarover ik beschik. Op basis van het rapport (datum rapport 10 december 2007) van het (…) bij [I] B.V. ingestelde boekenonderzoek bedraagt het gebruikelijk loon van [eiseres] € 68.712.

In een (…) brief van 23 september 2008 verwijst u in eerste instantie naar de jaren 2001 tot en met 2003 waarbij u vervolgens verwijst naar de CAO voor de kinderopvang. U geeft daarbij (…) aan dat het salaris over de jaren 2001 tot en met 2003 te hoog was vastgesteld. Dit zou zijn gekomen door een foutieve dan wel geen omrekening van de gulden naar de euro. Hiervan zou in het verleden al melding zijn gemaakt en er zijn hiervoor suppletieverzoeken gedaan.

(…)

De verzoeken zijn (…) in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve herziening. Daarbij is (…) diverse malen verzocht om de (…) gevraagde bescheiden toe te zenden. De verzoeken zijn vervolgens ongegrond verklaard omdat er geen informatie is verstrekt. Uit de mij ter beschikking staande stukken is op geen enkele wijze op te maken dat er sprake zou zijn van een foutieve dan wel geen omrekening van de gulden naar de euro. Ofschoon de verzoeken zien op voorgaande jaren 2001 t/m 2003 ben ik van mening dat op basis van hetgeen gesteld in het controlerapport van 10 december 2007 onder punt 5.3.1 inzake de jaren 2004 en verder het gebruikelijk loon tot een juist bedrag is vastgesteld door de controlerende ambtenaren.

(…) Ik ben dan ook voornemens bij de afhandeling van het bezwaar het eerder door mij ingenomen standpunt te handhaven.

Privé-gebruik auto van de werkgever

In mijn brief van 21 augustus 2008 heb ik verzocht gegevens te verstrekken aangaande het ter beschikking stellen van een auto van de werkgever aan [eiseres]. Tot op heden is dit niet gebeurd. Uit mijn gegevens blijkt dat [eiseres] een auto van de werkgever voor privé-gebruik ter beschikking had. Omdat door u geen gegevens zijn verstrekt wordt de bijtelling privé-gebruik auto door mij dan ook nader vastgesteld op € 20.000.

Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen

Uit mijn gegevens blijkt dat [eiseres] vermogensbestanddelen ter beschikking heeft gesteld aan [[M] en [O]]. In de aangifte heeft u hiervoor geen bedrag aangegeven. Op basis van voorgaande jaren, (…) blijkt dat er aan huuropbrengst ([a-straat 1] te [Z]) een bedrag van € 49.757 (f 109.650) is gerealiseerd. (…). Bij het opleggen van de (ambtshalve) aanslag is een bedrag van € 50.000 in de aangifte verwerkt als inkomen uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. (…).

Rente ter zake van ter beschikking gestelde gelden

[Eiseres] heeft aan [I] B.V. gelden ter beschikking gesteld. U heeft tijdens het op 19 september 2007 gevoerde hoorgesprek (…) aangegeven een overzicht te verstrekken van de ontvangen en betaalde rente en/of kosten met betrekking tot de aan [I] B.V. verstrekte gelden. Tot op heden is dit niet gebeurd. De geschatte rente (…) wordt door mij geschat op 5% van € 700.000 = € 35.000.

Eigen woning

U vermeldt een bedrag voor in aftrek te brengen hypotheekrente ter zake van de eigen woning van € 36.345 waarbij als eigen woning het pand [a-straat 1] wordt aangemerkt. Ik verwijs naar het rapport van 20 september 2007 (…) waaruit blijkt dat [eiseres en haar echtgenoot] hun woonadres had én heeft aan de [a-straat 2]. Dit pand wordt dan ook als eigen woning aangemerkt door de Belastingdienst. Ondanks het feit dat ik diverse malen heb verzocht om een specificatie (inclusief te overleggen betalingsbewijzen) van het bedrag van de betaalde rente en kosten van hypothecaire geldleningen, betrekking hebbende op de [a-straat 2] te [Z], is hieraan geen gehoor gegeven. De in aftrek te brengen hypotheekrente wordt derhalve door mij op nihil gesteld.

Eigen woning: WOZ-waarde

(…) Volgens mijn gegevens is de WOZ-waarde van de woning ([a-straat 2]) van [eiseres] € 192.402. (…). Het huurwaardeforfait wordt door mij nader vastgesteld op € 1.635.

Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)

Ondanks meerdere verzoeken wordt er door u geen nadere specificatie gegeven van de aangegeven bezittingen. Ten onrechte is de waarde van [a-straat 2] ad € 192.402 opgevoerd als box III vermogen. (…).

Om dat aanzien van de schulden geen dan wel onvolledige informatie is verstrekt stel ik de schulden nader vast op nihil.

Persoonsgebonden aftrek

Ziektekosten of andere buitengewone uitgaven

In de aangifte heeft u € 2.384 opgevoerd (…). Er is verzocht een specificatie toe te zenden maar hier is geen gehoor aan gegeven. Uiteindelijk is aan [eiseres] een bedrag € 40 toegerekend. Dit bedrag wordt nader vastgesteld op nihil.

(…)

Zoals aangegeven heeft de behandelend ambtenaar op 14 juli 2006 een ambtshalve aanslag opgelegd. In de ambtshalve aanslag is mede een bedrag opgenomen voor winst uit onderneming welke is gebaseerd op een verklaring omtrent het inkomen van [eiseres] door de heer [getuige 11] (dagtekening 6 juni 2001). Tot op heden is mij niet gebleken dat er van winst uit onderneming geen sprake (meer) is.

Gezien het niet nader verstrekken van alle gegevens kan ik niet beoordelen of de opgelegde (ambtshalve) aanslag tot een onjuist bedrag is opgelegd.

Mede daarom ben ik van plan uw bezwaar af te wijzen.

Mondelinge toelichting

Voordat ik definitief uitspraak doe op uw bezwaar, stel ik u in de gelegenheid om op mijn voornemen te reageren. (…). In het reactieformulier kunt u tevens aangeven of u gehoord wil worden.”

2.7 Naar aanleiding van de in 2.6 geciteerde brief heeft op 14 augustus 2009 tussen partijen een hoorgesprek plaatsgevonden. Een verslag van het hoorgesprek, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, is op 24 augustus 2009 toegestuurd aan [getuige 2]. Per brief aan [getuige 2] van 19 mei 2010 geeft verweerder zijn motivering waarom hij het bezwaar zal afwijzen. Verder is in deze brief, die in kopie tot de gedingstukken behoort, onder meer het volgende vermeld:

“Mondelinge toelichting

Op 14 augustus 2009 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Middels mijn brief met dagtekening 24 augustus 2009 is aan u het op dit hoorgesprek betrekking hebbende verslag toegezonden. Het hoorverslag is op uw verzoek tevens naar de heer [A], welke eveneens aanwezig was bij het hoorgesprek, én [de echtgenoot] gezonden. In mijn brief van 24 augustus 2009 heb ik u in de gelegenheid gesteld binnen 15 werkdagen na dagtekening schriftelijk aan te geven op welke punten van het hoorverslag u op- en aanmerkingen had. Tot op heden heeft u hierop niet gereageerd.”

(…)

Beoordeling van de boete

(…) Ik ben van mening dat deze boete ten onrechte is opgelegd. Immers, gebleken is dat de aangifte (…) reeds op 12 mei 2006 door u is ingediend.”

2.8 Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de boetebeschikking vernietigd en de aanslag en de beschikking tot het in rekening brengen van heffingsrente gehandhaafd.”

3.2 In aanvulling op de feiten en omstandigheden die door de rechtbank zijn vastgesteld, is in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

3.3 Tot de gedingstukken behoort een bewijs van teruggaaf waaruit volgt dat op 2 november 2005 teruggaaf heeft plaatsgevonden van twee computers, een USB-stick en een systeemkast.

3.4 Uit de rapportage van deskundige [getuige 3] over twee in beslag genomen computers, en uit diens verklaringen ter zitting, volgt dat er bestanden op twee inbeslaggenomen computers zijn verwijderd of overschreven, dat niet kan worden vastgesteld wie hiervoor verantwoordelijk was, dat de oorzaak niet kan worden vastgesteld, dat het verwijderen of overschrijven of verschillende momenten heeft plaatsgevonden, doch voor zover het is geconstateerd niet in de periode van inbeslagname (van 31 oktober 2005 tot 2 november 2005). Tevens volgt uit de rapportage dat beide computers na de periode van inbeslagname zijn gebruikt. In de rapportage wordt de conclusie getrokken dat er geen digitale sporen zijn gevonden waaruit blijkt dat de FIOD in verband kan worden gebracht met het corrupt raken van bestanden.

3.5 De heer [getuige 2], die als zelfstandig accountant/adviseur van september 2004 tot maart 2010 werkzaamheden voor belanghebbenden heeft verricht, heeft de door de FIOD in beslag genomen administratie in dozen opgehaald bij de FIOD in [S] en getekend voor ontvangst.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de rechtbank met juistheid tot het oordeel is gekomen dat de bewijslast terecht is omgekeerd op de voet van artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en of de correcties op de aangifte terecht zijn aangebracht.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.513. Voorts maakt belanghebbende aanspraak op een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

2.14

Per faxbericht aan de rechtbank van 3 maart 2011 heeft eiseres meegedeeld dat zij vanwege drukke werkzaamheden en wegens ziekte van de echtgenoot niet ter zitting kon verschijnen en heeft zij verzocht de zitting uit te stellen tot medio september 2011. Eiseres heeft daarbij de kopie van een verklaring overgelegd van [BB], neuroloog in het [ziekenhuis 1] te [Z] en een kopie van een Pflegegebührenrechnung, gedagtekend 17 januari 2011, van [ziekenhuis 2]. Per brief van 15 maart 2001 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen omdat uitstel van een zitting voor een termijn als door eiseres gevraagd, alleen wordt verleend als beide partijen daarom verzoeken. Eiseres is daarbij gewezen op de mogelijkheid zich ter zitting te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Per faxbericht van 21 maart 2011 heeft eiseres de rechtbank opnieuw laten weten dat zij en de echtgenoot niet ter zitting konden verschijnen. Inmiddels was op 10 maart 2011 bij de rechtbank een brief binnengekomen van mr. [A], waarin hij meedeelde niet langer op te treden als gemachtigde van eiseres.

De rechtbank vindt in het vorenstaande geen aanleiding de zaak aan te houden. De rechtbank overweegt dat de eisen van een goede rechtspleging meebrengen dat in geval een eiser of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan (vergelijk Hoge Raad, 31 januari 2001, nr. 35 914, BNB 2001/132). Naar het oordeel van de rechtbank staan zwaarder wegende belangen aan het verlenen van het door eiseres gevraagde uitstel in de weg. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat deze zaak vele raakvlakken heeft met de procedures die eiseres en de echtgenoot bij de rechtbank hebben gevoerd en nog voeren over de aan hen opgelegde aanslagen voor andere jaren en de behandeling van die zaken vele malen is uitgesteld of aangehouden naar aanleiding van toezeggingen, welke tot op heden echter niet zijn gerealiseerd. In deze zaak doet zich weer hetzelfde voor. De rechtbank verwijst daarvoor naar de pleitnota die verweerder ter zitting heeft voorgedragen en overgelegd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Uit niets blijkt dat belanghebbenden effectieve maatregelen hebben getroffen om met de Belastingdienst tot een werkzame relatie te komen en tot het oplossen van de, al lang, lopende zaken. Ter onderbouwing geef ik een kort overzicht van de laatste twee jaar.

Maart 2009 Boekenonderzoek (…) wordt aangekondigd. Adviseurs ([A] en [CC]) vragen uitstel teneinde de jaarstukken over de te controleren jaren alsnog samen te stellen.

Juni 2010 Belastingdienst verleent opnieuw uitstel voor boekenonderzoek tot oktober 2010.

Oktober 2010 Adviseur [CC] staakt zijn werkzaamheden voor belanghebbenden.

Maart 2011 Belanghebbenden geven aan adviseur [A] te kennen dat zij met een nieuwe adviseur ([D-accountants] [Z]) de administraties vanaf 1999 (1999 is geen schrijffout) opnieuw gaan opzetten.”

De rechtbank is van oordeel dat het bij deze zaak en de zaken voor de andere jaren vooral gaat om de afwezigheid van deugdelijke administraties en dat het niet aannemelijk is dat daarvoor binnen afzienbare tijd nog een oplossing zal worden gevonden. Onder deze omstandigheden weegt thans, naar het oordeel van de rechtbank, het belang dat verweerder heeft bij de voortgang van de behandeling van deze zaak zwaarder dan het belang dat eiseres heeft bij zijn aanwezigheid in persoon bij de mondelinge behandeling van deze zaak.

Omkering van de bewijslast en interne compensatie

2.15

Vaststaat dat eiseres een onderneming in de vorm een eenmanszaak drijft, dat zij geld heeft geleend aan [I] en een pand heeft verhuurd aan de echtgenoot. Bij haar aangifte heeft eiseres echter geen winst uit onderneming aangegeven en evenmin jaarstukken overgelegd waaruit had kunnen blijken dat met de eenmanszaak geen winst was behaald of verlies was geleden. In de aangifte heeft eiseres ook niets vermeld over inkomsten uit overige werkzaamheden wegens ter beschikking gesteld vermogen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet de vereiste aangifte gedaan. Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerder eiseres meermalen om aanvullend informatie heeft gevraagd, maar dat eiseres daar nimmer adequaat op heeft gereageerd. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser ook niet heeft voldaan aan de informatieplicht ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de artikelen 25, zesde lid en 27e, van de Awr toepassing vinden en het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Daarbij dient wel in acht te worden genomen dat een aanslag, voor zover die is vastgesteld zonder dat daarvoor de juiste gegevens beschikbaar zijn, moet zijn gebaseerd op een redelijke schatting.

2.16

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 210.000, namelijk € 60.000 loon, € 50.000 resultaat uit overige werkzaamheden en € 100.000 winst uit onderneming. In het verweerschrift concludeert verweerder uiteindelijk dat de aanslag had moeten worden berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 224.547. De bestanddelen van dat inkomen en de bedragen waarvoor die bestanddelen in aanmerking zijn genomen wijken af van de bestanddelen van het belastbare inkomen waarnaar de aanslag is berekend. De rechtbank vat de in geding ingenomen standpunten van verweerder op als een beroep op zogenoemde interne compensatie. Dat wil zeggen dat, als de belastinggrondslag, waarnaar een aanslag is berekend, op één of meer onderdelen te hoog is vastgesteld, vermindering van de aanslag toch achterwege blijft indien en voor zover de belastinggrondslag op andere onderdelen te laag is vastgesteld.

2.17

Met inachtneming van hetgeen is overwogen in 2.15 en 2.16 dient bij de beantwoording van de vraag of de aanslag al dan niet te hoog is vastgesteld, te worden uitgegaan van de bedragen die verweerder in dit geding voorstaat en dient te worden beoordeeld of is gebleken dat en in hoeverre die bedragen onjuist zijn en of zij, voor zover nodig, zijn gebaseerd op redelijke schattingen.

Winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden

2.18

Bij het vaststellen van de aanslag is verweerder uitgegaan van een winst uit onderneming van € 100.000 en een resultaat uit overige werkzaamheden van € 50.000. De inhoud van de in 2.6 geciteerde brief en hetgeen verweerder daartoe in dit geding heeft aangevoerd, resulteren in een winst uit onderneming van € 50.000 en een resultaat uit overige werkzaamheden van € 84.757 (€ 49.747 + € 35.000). Hiertegen heeft eiseres geen specifieke gronden aangevoerd, zodat de rechtbank van de juistheid van deze bedragen uitgaat.

Privégebruik auto

2.19

Naar verweerder heeft gesteld en door eiseres als zodanig niet is betwist, had [I] in 2004 aan eiseres een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van ten minste € 40.000. Eiseres heeft geen rittenregistratie overgelegd een ook anderszins niet doen blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Het vorenstaande kan tot geen ander oordeel leiden dan dat, ingevolge artikel 3.145, eerste lid van de Wet IB 2001, een bedrag van 22% van € 40.000 = € 8.800 tot het loon moet worden gerekend. In zoverre is het door verweerder voorgestane bedrag van € 20.000 niet gebaseerd op een redelijke schatting en dient te worden uitgegaan van € 8.800.

Loon uit dienstbetrekking

2.20

Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat eiseres in dienstbetrekking werkzaamheden verrichtte voor [I] en dat zij in die vennootschappen een aanmerkelijk belang had als bedoeld in artikel 4.6, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, in samenhang met artikel 72, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, dient het loon van de voor de voor [I] verrichte arbeid te worden gesteld op ten minste € 38.118 of, indien aannemelijk is dat in een soortgelijke dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt een hoger of lager loon gebruikelijk is, op dat hogere of lagere loon.

2.21

Op 10 december 2007 heeft verweerder een controlerapport uitgebracht van een boekenonderzoek dat hij bij [I] heeft laten uitvoeren. In dit controlerapport, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer vermeld dat volgens de loonadministratie het loon van eiseres in 2002, 2003, 2004 en 2005 achtereenvolgens € 115.520, € 67.781, € 50.111 en € 48.995 bedroeg. Verder wordt vermeld dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat bij [I] ooit een besluit is genomen tot verlaging van de directiesalarissen. In het rapport wordt vervolgens een berekening gegeven die resulteert in een gebruikelijk loon voor 2004 van € 68.712. In zijn verweerschrift heeft verweerder onder meer gesteld dat voor het jaar 2004 het loon moet worden vastgesteld op minimaal € 68.155. Eiseres heeft daartegen slechts aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de binnen de branche geldende CAO, met de functie die eiseres bekleedt en de verliesgevende positie van [I]. Uit hetgeen eiseres daartoe heeft aangevoerd is niet op te maken wat de hoogte is van het bij haar functie passende CAO-loon. Dat [I] verliesgevend is heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken dat het door verweerder voorgestane bedrag van € 68.155 onjuist is en evenmin kan worden geoordeeld dat dit bedrag niet is gebaseerd op een redelijke schatting.

Eigen woning

2.22

Aangaande de eigen woning spitst het geschil zich toe op de vraag welk pand bij eiseres en haar gezin feitelijk als eigen woning in gebruik is. Verweerder stelt dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres en haar gezin het pand [a-straat 2] als eigen woning in gebruik hadden en hebben. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat het pand [a-straat 1] de eigen woning is en [a-straat 2] alleen tijdelijk is bewoond gedurende de periode dat [a-straat 1] werd gerenoveerd. In de aangifte heeft eiseres [a-straat 2] vermeld als tweede woning. Eiseres heeft haar stellingen niet met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, met hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd, niet doen blijken dat en in hoeverre het door verweerder voorgestane bedrag aan inkomsten uit eigen woning onjuist is. Ook anderszins is dat niet gebleken. Ook kan niet worden geoordeeld dat verweerder is uitgegaan van een onredelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door verweerder gehanteerde WOZ-waarde tussen partijen kennelijk niet in geschil is. In de aangifte heeft eiseres een bedrag van in totaal € 210.712 vermeld als schulden voor de tweede woning, maar zij heeft geen stukken overgelegd waaruit de juistheid van dit bedrag blijkt en evenmin iets aangevoerd of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat die schulden zijn aangewend ter verwerving van het pand [a-straat 2]. Verweerder heeft daarom terecht de zogenoemde eigenwoningrente niet in aftrek toegelaten.

Slotsom

2.23

Al hetgeen is overwogen in 2.18 tot en met 2.22 resulteert in een in aanmerking te nemen belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 + € 84.757 + € 8.800 + € 68.155 + 1.635 = € 213.347. Dit bedrag is hoger dan het belastbare inkomen uit werk en woning van € 210.000 waarnaar de aanslag is berekend. Ondanks het in aanmerking nemen van een te hoge bijtelling voor privégebruik auto brengt toepassing van het leerstuk van interne compensatie mee dat vermindering van de aanslag achterwege blijft. Omdat in de belastinggrondslag van de aanslag geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is begrepen, kan hetgeen partijen daartoe over en weer hebben aangevoerd onbesproken blijven.

2.24

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.25

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

Formeelrechtelijke en processuele grieven en weren

7.1.1. Belanghebbende heeft zich bij herhaling mondeling en schriftelijk – zowel bij de rechtbank als bij het Hof – op het standpunt gesteld dat zij in haar verdedigingsbelangen is geschaad. Daarbij heeft zij onder meer maar niet uitsluitend verwezen naar het Europees Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof vermag belanghebbende hierin niet te volgen. Voor zover belanghebbende zicht beroept op artikel 41 van het Handvest geldt dat uit de bewoordingen van dat artikel duidelijk volgt dat deze bepaling niet is gericht tot de lidstaten, maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie (zie HvJ 21 december 2011, T. Cicala, C 482/10, ECLI:EU:C:2011:868, punt 28, en 17 juli 2014, Y.S. e.a., C 141/12 en C 372/12, ECLI:EU:C:2014:2081, punt 67). Voorts getuigen de wijze waarop in eerste aanleg het beroep is behandeld alsmede het procesverloop in hoger beroep van een ruime mogelijkheid het eigen standpunt te verdedigen, dit met inzet van een groot aantal – elkaar snel opvolgende - fiscale en andere deskundigen.

7.1.2. Ook overigens heeft het Hof geen feiten en/of omstandigheden kunnen vaststellen die tot de conclusie kunnen leiden dat bij de behandeling van de zaak elementaire (inter)nationaalrechtelijke – geschreven en/of ongeschreven – rechtsbeginselen zijn geschonden.

Omkering van de bewijslast

7.2. Met betrekking tot de omkering van de bewijslast overweegt het Hof als volgt. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de artikelen 25, zesde lid, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) toepassing vinden omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en omdat zij niet adequaat aan de informatieplicht ingevolge artikel 47 Awr heeft voldaan. Belanghebbende bestrijdt dat grond is voor omkering van de bewijslast.

7.3. Vaststaat dat belanghebbende in haar aangifte geen winst uit onderneming heeft aangegeven en evenmin jaarstukken heeft overgelegd op grond waarvan aannemelijk had kunnen zijn dat met de eenmanszaak geen winst is behaald of verlies was geleden, en dat zij geen resultaat heeft aangegeven ter zake van ter beschikking gesteld vermogen. Belanghebbende betoogt dat geen sprake is van een onderneming, en dat het niet opnemen van resultaat ter zake van ter beschikking gesteld vermogen te wijten is aan de toenmalige adviseur van belanghebbende wat haar niet kan worden aangerekend.

7.4. Het antwoord op de vraag of pleitbaar is dat belanghebbende geen winst uit onderneming heeft behaald kan in het midden blijven omdat reeds sprake is van een onjuiste aangifte vanwege het niet vermelden van resultaat ter zake van ter beschikking gesteld vermogen. Anders dan belanghebbende betoogt kan het niet opnemen van inkomen in haar aangifte aan haar worden toegerekend. Daar doet niet aan af dat de aangifte door een ander dan belanghebbende is voorbereid en verstuurd, nu niet in geschil is dat de aangifte namens haar is ingediend.

7.5. Voorts staat vast dat de Inspecteur diverse inlichtingenverzoeken heeft gedaan waaraan belanghebbende niet heeft voldaan. Belanghebbende betoogt dat dit verzuim haar niet kan worden verweten omdat de gevraagde informatie reeds beschikbaar was bij de Belastingdienst, en omdat het aanleveren van informatie onmogelijk is geworden door de inbeslagname van de administratie door de FIOD.

7.6. Met betrekking tot het standpunt dat de door de Inspecteur gevraagde informatie reeds bij hem beschikbaar was, merkt het Hof op dat belanghebbende geen feiten aannemelijk heeft gemaakt die deze conclusie rechtvaardigen, zodat dit standpunt wordt verworpen.

7.7. Met betrekking tot het standpunt dat het aanleveren van informatie onmogelijk is geworden door de inbeslagname van de administratie door de FIOD, overweegt het Hof als volgt.

7.8. De FIOD heeft op 31 oktober 2005 allereerst computers in beslag genomen, en deze teruggebracht op 2 november 2005. Volgens de onderzoeksrapportage van deskundige [getuige 3] zijn er geen digitale sporen gevonden waaruit blijkt dat de FIOD in verband kan worden gebracht met corrupt raken van bestanden. De data waarop bestanden zijn verwijderd liggen niet in de periode van inbeslagname. De getuigenverklaringen houden evenmin in dat er bestanden zijn verdwenen. Wel is er een computer geweest, in de onderzoeksrapportage van deskundige [getuige 3] aangeduid als COMP01, die niet opstartte na retourneren. Mede gelet op de onderzoeksrapportage van deskundige [getuige 3] acht het Hof aannemelijk dat die computer later weer in gebruik is genomen. Voor zover digitale bestanden met de - voor het voldoen aan inlichtingenverzoeken - relevante administratie niet aanwezig waren komt dit voor risico van belanghebbende.

7.9. De FIOD heeft op 31 oktober 2005 voorts een systeemkast en mappen met informatie in beslag genomen. Vaststaat dat de systeemkast op 2 november 2005 tegelijk met de in beslaggenomen computers is geretourneerd, en dat de heer [getuige 2] mappen met informatie heeft opgehaald bij de FIOD. Belanghebbende heeft haar - door de Inspecteur weersproken - stelling dat deze mappen met informatie niet geheel zijn geretourneerd, niet aannemelijk gemaakt.

7.10. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar te wijten is dat niet voldaan is aan de inlichtingenverzoeken van de Inspecteur. Beoordeeld moet dus worden of sprake is van een willekeurige schatting van de correcties door de Inspecteur, en zo nee, of is gebleken, gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Winst uit onderneming

7.11.1. De door de Inspecteur bij de berekening van de correcties gehanteerde uitgangspunten, zoals door de rechtbank uiteengezet in overweging 2.6 van de bestreden uitspraak, acht het Hof redelijk op de door rechtbank in overweging 2.18 genoemde gronden. Belanghebbende heeft geen bewijs aangedragen waaruit blijkt dat de correcties onjuist zijn.

In het geding brengen van jaarstukken

7.11.2. De Inspecteur heeft zich verzet tegen het in het geding brengen van de in het jaar 2012 en 2013 door [getuige 7-accountants] samengestelde jaarrekeningen van de ondernemingen. Het Hof is van oordeel dat geen redelijk (processueel) belang zich verzet tegen het in het geding brengen van deze stukken, nu belanghebbende zich geconfronteerd weet met een mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast zodat hij in de gelegenheid moet worden gesteld de juistheid van de aanslag en de correctie van de inkomsten uit werk en woning in rechte te kunnen bestrijden. Daarbij geldt dat de Inspecteur door het Hof eveneens in ruime mate zijn standpunt met betrekking tot de jaarrekeningen heeft kunnen inbrengen. Het Hof wijst het verzoek tot tardiefverklaring als voormeld derhalve af.

7.11.3. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 21 november 2012 een afschrift van een jaarrekening 2001 van [M] en een begeleidend schrijven van het accountantskantoor [getuige 11] d.d. 18 maart 2002 in het geding gebracht. Deze jaarrekening is opgesteld door het accountantskantoor [getuige 11] en geeft een ander resultaat weer dan belanghebbende zelf heeft verantwoord in zijn aangifte. De Inspecteur heeft ter toelichting gesteld dat hij deze stukken na een telefonische navraag bij [DD] heeft toegezonden gekregen. Een derdenonderzoek is bij [DD] niet ingesteld noch is daarvan een rapportage opgemaakt.

7.11.4. Belanghebbende heeft de juistheid van (de inhoud van) het in 7.11.3 genoemde bescheid ten principale bestreden, de juistheid ervan ontkend en gesteld dat het bestaan van deze stukken hem niet bekend was en dat hij nimmer daarover de beschikking heeft gehad. Het opstellen van de jaarrekening is naar zijn zeggen op eigen initiatief door het accountantskantoor [getuige 11] geschied en hij verzoekt om meer informatie en stelt dat deze stukken als tardief buiten beschouwing moeten blijven. Voorts heeft de Inspecteur artikel 8: 42 van de Awb geschonden door dit bescheid niet eerder aan rechtbank, Hof en belanghebbende over te leggen.

7.11.5. Het Hof is van oordeel dat er onvoldoende reden is om de jaarrekening van [M] over het jaar 2001 niet als gedingstuk te aanvaarden. Beide partijen hebben zich over de status, de inhoud en het realiteitsgehalte van het stuk als zodanig kunnen uitlaten, laatstelijk tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 12 maart 2013. Voorts is het Hof van oordeel dat de door de Inspecteur gegeven motivering zoals deze is verwoord in zijn brief van 11 december 2012 geloofwaardig is zodat op die grond een schending van het bepaalde in artikel 8:42 Awb niet aanwezig is. Het Hof acht niet goed voorstelbaar dat het accountantskantoor op eigen initiatief deze jaarrekening heeft opgesteld en evenmin dat het deze aan [DD] zou hebben toegezonden. De faxnummers die op de overgelegde stukken zijn vermeld zijn niet die van het accountantskantoor hetgeen bijdraagt aan het vorenvermelde oordeel over de feitelijke gang van zaken omtrent de totstandkoming daarvan. Evenmin acht het Hof termen aanwezig om voor de beoordeling van de stelling het geding naar de rechtbank terug te verwijzen. De verdedigingsbelangen van belanghebbende zijn naar het oordeel van het Hof niet geschonden. Het Hof ziet ook geen aanleiding te veronderstellen dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

Met betrekking tot de jaarrekeningen als zodanig:

7.11.6. Met betrekking tot de 7.11.3 genoemde jaarrekening en het begeleidend schrijven als zodanig is het Hof van oordeel dat belanghebbende dat redelijkerwijs reeds in 2002 moet hebben gekend – zie 7.11.5 – en draagt het bij aan het oordeel van het Hof dat de resultaten uit de onderneming [M] niet op een juiste wijze in de aangifte zijn verwerkt. Ook laat de inhoud van deze jaarrekening zich moeilijk rijmen met de sterk verdichte jaarrekening over het jaar 2001 zoals deze door het accountantskantoor [F] vele jaren nadien is opgesteld.

7.117. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangedragen in de vorm van in het jaar 2012 respectievelijk 2013 door de nieuwe accountant van belanghebbende samengestelde jaarrekeningen van de onderscheidene ondernemingen waarin belanghebbende is gerechtigd, leidt het Hof niet tot een andersluidend oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Ter toelichting merkt het Hof het volgende op.

7.11.8. Bij de jaarrekeningen door [F], welke als zogenoemde “samenstellingen” moeten worden geduid, ontbreekt de verklaring van de accountant dat hij instaat voor de juistheid en volledigheid van de cijfers en de daarop gebaseerde balans en resultatenrekening. Het Hof gaat daarbij uit van het standpunt dat een registeraccountant, gelet op de hoge eisen die aan zijn professie (ook tuchtrechtelijk te handhaven) worden gesteld en derhalve aan de betrouwbaarheid van zijn beroepshalve verstrekte verklaring. Deze verklaring ontbreekt in het onderhavige geval. Voorts zal het Hof nader ingaan op de inhoud van de jaarrekeningen.

7.11.9. De in 7.11.8 genoemde jaarrekeningen zijn in ernstige mate verdicht. Het Hof wijst in de eerste plaats op het gegeven dat in de resultatenrekening telkenjare bij elke onderneming van belanghebbende een grote post algemene kosten voorkomt die niet verder wordt gespecificeerd. Ook ontbreekt een schriftelijke en/of een mondeling gegeven toelichting van belanghebbende, de accountant en de belastingadviseur. Dit terwijl de juistheid daarvan bepaald niet vanzelfsprekend is. Ook de forse mutaties in de kapitaalrekening welke op gelijke wijze toelichting ontberen, mede gelet op de forse verliezen die de ondernemingen gedurende een reeks van jaren (1999 tot en met 2004) naar belanghebbende stelt, zouden generen, draagt eveneens bij aan het negatieve oordeel van het Hof. Omtrent de herkomst van de middelen die zouden hebben gestrekt ter financiering van de gestelde verliezen ontbreekt ieder inzicht.

7.11.10. Het Hof deelt dan ook de kritische zienswijze van de Inspecteur zoals deze in zijn schrifturen van 9 november 2012, 11 december 2012 en zijn pleitnota ten behoeve van de laatste mondelinge behandeling d.d. 12 maart 2013 zijn verwoord. Het Hof heeft minst genomen ernstige twijfel aan de juistheid van deze jaarrekeningen, laat staan dat deze kunnen gelden als afdoend bewijs dat de aanslagen op dit onderdeel niet tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. De verstrekte informatie is voor derden, waaronder het Hof zich te dezen schaart, niet te verifiëren. Ook indien de bewijslast niet zou zijn omgekeerd en verzwaard heeft te gelden dat belanghebbende de juistheid respectievelijk de aanvaardbaarheid van de winst uit onderneming naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk heeft gemaakt.

Loon uit dienstbetrekking

7.12. De door de Inspecteur bij de berekening van de correcties gehanteerde uitgangspunten, zoals door de rechtbank uiteengezet in overweging 2.6 van de bestreden uitspraak, acht het Hof redelijk op de door rechtbank in overweging 2.20 en 2.21 genoemde gronden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de correcties onjuist zijn. .

Privégebruik auto

7.13. De door de Inspecteur bij de berekening van de correcties gehanteerde uitgangspunten, zoals door de rechtbank uiteengezet in overweging 2.6 van de bestreden uitspraak, acht het Hof redelijk op de door rechtbank in overweging 2.19 genoemde gronden. Belanghebbende heeft geen bewijs aangedragen waaruit blijkt dat de correcties onjuist zijn.

Het betoog dat het ontbreken van een kilometeradministratie belanghebbende niet kan worden tegengeworpen vanwege de inbeslagname gevolgd door het niet volledig of niet intact retourneren, verwerpt het Hof op de in onderdeel 7.7 genoemde gronden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de door haar gestelde rekening-courantboekingen inzake privé-gebruik hebben plaatsgevonden. Wat zij stelt is onvoldoende om als bewijs te aanvaarden. De rekeningcourantboekingen zijn niet verifieerbaar overgelegd.

Eigen woning

7.14. De door de Inspecteur bij de berekening van de correcties gehanteerde uitgangspunten, zoals door de rechtbank uiteengezet in overweging 2.6 van de bestreden uitspraak, acht het Hof redelijk op de door rechtbank in overweging 2.22 genoemde gronden. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de eigen woning van belanghebbende in het onderhavige jaar [a-straat 1] is, en dat [a-straat 2] slechts tijdelijk wordt bewoond gedurende de verbouwingen van de woning op [a-straat 1]. De Inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken. Gelet op de verzwaarde bewijslast heeft belanghebbende niet doen blijken dat [a-straat 1] de eigen woning vormt. Het aangedragen bewijs (bouwtekeningen en post met name bestaande uit rekeningen) is onvoldoende.

Persoonsgebonden aftrek

7.15. Met betrekking tot de persoonsgebonden aftrek overweegt het Hof dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt waaruit voortvloeit dat belanghebbende recht heeft op persoonsgebonden aftrek.

Conclusie

7.16. Met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt die dan ook tot de zijne. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens heeft aangevoerd – daaronder met name hetgeen de getuigen in hoger beroep hebben verklaard - brengt het Hof niet tot een andersluidend oordeel.

Immateriële schadevergoeding

8.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens spanning en frustratie die belanghebbende en haar echtgenoot hebben ondervonden door overschrijding van de redelijke termijn in de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep (vergelijk HR 10 juni 2011, (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:HR:2011: BO5046, BO5080 en BO5087)). Zij voert daarvoor aan dat de bezwaarfase samen met de beroepsfase langer dan twee jaren heeft geduurd, evenals mogelijk de hoger beroepsfase en geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die deze lange duur rechtvaardigen.

8.2. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 1 augustus 2006. De uitspraak op bezwaar is op 4 juni 2010 gedaan. Het beroepschrift is op 11 juni 2010 ingekomen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 13 mei 2011 en op 20 juni 2011 is hoger beroep ingesteld.

8.3. Aan deze vaststellingen ontleent het Hof het vermoeden dat de redelijke termijn in bezwaar en hoger beroep is overschreden. De procedure in bezwaar bij de Inspecteur en bij de rechtbank heeft gelet op de termijn voor behandeling die voor bezwaar geldt van een half jaar en in beroep van anderhalf jaar in beginsel alleen een overschrijding te zien gegeven in de bezwaarfase. De procedure in hoger beroep heeft meer dan twee jaar in beslag genomen.

8.4. Het Hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof zal met het oog daarop de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) in het geding betrekken en evenals de Inspecteur in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald, Tevens zal die gelegenheid worden geboden aan de Inspecteur, waarna belanghebbende in de gelegenheid zal worden gesteld op deze uitlating te reageren. Het Hof zal bij afzonderlijke uitspraak op het verzoek van belanghebbende beslissen.

Proceskosten

9.1 Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9.2. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht om vergoeding van de kosten van de deskundige die een onderzoek heeft gedaan naar de (on)bruikbaarheid van de door de FIOD in beslag genomen en nadien aan belanghebbende teruggegeven pc’s en de daarop vermelde bestanden en andere digitale informatiedragers. Belanghebbende heeft daartoe twee facturen overgelegd tot een totaalbedrag van € 25.961. Het Hof acht geen termen voor vergoeding aanwezig reeds omdat belanghebbende in het hoger beroep in het ongelijk is gesteld. Evenmin zijn er om die reden termen een vergoeding uit te spreken voor de kosten van de getuigen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- stelt de Inspecteur en de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) en de Inspecteur in de gelegenheid zich binnen vier weken na de verzending van de kopie van deze uitspraak uit te laten omtrent het verzoek van belanghebbende over de hiervoor bedoelde schadevergoeding.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en O.C.R.Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 1 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.