Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3211

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
12-00606_12-00625
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:9, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:315, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend. Voorts is de hoogte van de opgelegde verhogingen en vergrijpboetes in geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/62
V-N 2015/8.2.2
FutD 2014-2432
FutD 2014-2433
NTFR 2015/587 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-12/00606 tot en met BK-12/00625

Uitspraak d.d. 8 oktober 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2012, nummers AWB 11/6214 tot en met AWB 11/6217, AWB 11/6219 tot en met AWB 11/6226, AWB 11/6228, AWB 11/6230 tot en met AWB 11/6235, AWB 11/6237 betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente en verzoek om schadevergoeding

alsmede

de Staat, de minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van na te melden immateriële schadevergoeding.

Navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen, beschikkingen heffingsrente, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 31 december 2004 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 en een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1993 opgelegd. Beide navorderingsaanslagen zijn verhoogd met honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Tevens is bij gelijktijdig genomen beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Op 14 december 2005 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 en een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1994 opgelegd. Beide navorderingsaanslagen zijn verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de Inspecteur een kwijtschelding van 50 percent heeft verleend. Tevens is bij gelijktijdig genomen beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft op 15 december 2006 aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1994 tot en met 2002 opgelegd. Voorts heeft hij op 28 december 2006 een (definitieve) aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 opgelegd. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1994 tot en met 1997 zijn telkens verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de Inspecteur kwijtschelding van 50 percent heeft verleend. Bij de (navorderings-)aanslagen voor de jaren 1998 tot en met 2003 zijn vergrijpboetes van 50 percent opgelegd.

Tevens heeft de Inspecteur op15 december 2006 aan belanghebbende navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1995 tot en met 2000 opgelegd. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1995 tot en met 1998 zijn telkens verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de Inspecteur een kwijtschelding van 50 percent heeft verleend. Met betrekking tot de navorderingsaanslagen voor de jaren 1999 en 2000 zijn bij gelijktijdig genomen beschikkingen vergrijpboetes van 50 percent opgelegd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij uitspraken op bezwaar van 24 juni 2011 heeft de Inspecteur de (navorderings-) aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1993, 1994, 1996 tot en met 2003 en de in deze (navorderings-)aanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes en heffingsrenten, gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 22 juli 2011 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1992 en 1995, alsmede de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1993 tot en met 2000, en de in deze navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes en heffingsrenten, verminderd.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden - in één geschrift vervatte - uitspraken het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes, gegrond;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes en de proceskosten in bezwaar;

- draagt verweerder op de verhogingen en vergrijpboetes met 20% te verminderen;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.914,75 te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 3.000;

- draagt verweerder op het totaal betaalde griffierecht van € 82 aan eiser te vergoeden.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 115 voor de behandeling van alle zaken. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in het principaal hoger beroep een conclusie van repliek ingediend en het incidenteel hoger beroep beantwoord. Vervolgens heeft de Inspecteur een conclusie van dupliek ingediend in het principaal hoger beroep en een conclusie van repliek in het incidenteel hoger beroep. Belanghebbende heeft in het principaal hoger beroep een nader stuk ingediend en in het incidenteel hoger beroep een conclusie van dupliek.

2.2.

Het Hof heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling nadere stukken ontvangen van belanghebbende waarvan een afschrift is gezonden aan de Inspecteur. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 november 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3.

Ter zitting zijn de zaken van belanghebbende met de kenmerknummers BK‑12/00606 tot en met BK-12/00625 gezamenlijk behandeld. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van deze zaken geldt eveneens als te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek van de zaak heropend en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

Een nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 27 augustus 2014, gehouden te Den Haag. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend waarvan een afschrift aan de Inspecteur is gezonden. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1. (…) In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches (hierna: de renseignementen). Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2. De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer […] met een saldo op 31 januari 1994 van ƒ 531,60 ten name van [Y]. Eiser is op 27 februari 2004 als eerste rekeninghouder van voormelde rekening geïdentificeerd. Een broer van eiser, overleden op […]2006, is als tweede rekeninghouder van die rekening geïdentificeerd.

3. Verweerder heeft eiser bij brief van 22 juni 2004 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Bij brief van 28 juni 2004 heeft de voormalige gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser zich op zijn zwijgrecht beroept. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 5 november 2004, onder verwijzing naar vorengenoemde brief van 22 juni 2004, eiser wederom verzocht om nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Bij brief van 10 november 2004 heeft de voormalige gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser volhardt in zijn beroep op het zwijgrecht. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 24 november 2004 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1992 tot en met 2002 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1993 tot en met 2000, met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 100%.

4. Bij brief van 18 december 2004 heeft de (huidige) gemachtigde aangegeven dat de vermogensbestanddelen bij de Kredietbank Luxembourg de enige bestanddelen in het buitenland zijn die eiser heeft. Voorts heeft hij een overzicht met het verloop van die rekening vanaf 31 december 1993 tot en met 31 december 2002 verstrekt, waarin een vermogen is aangegeven variërend van € 151.502 tot € 259.460.

5. Met dagtekening 31 december 2004 zijn aan eiser een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1992 en een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1993 met verhogingen opgelegd.

6. Bij brief van 4 januari 2005 heeft verweerder een nadere vragenbrief aan de gemachtigde verstuurd. Bij brief van 3 februari 2005 heeft de gemachtigde hierop gereageerd en de bankafschriften per 31 december van elk jaar verstrekt. Bij brief van 23 februari 2005 heeft verweerder nog om een aantal andere bankafschriften verzocht. Tevens heeft hij aangegeven dat hij een voorstel ter verdere afwikkeling zal doen, omdat eiser aan hem telefonisch te kennen heeft gegeven dat hij er de voorkeur aan geeft om een en ander middels een vaststellingsovereenkomst af te doen. Bij brief van 16 maart 2005 heeft de gemachtigde de kopieën van de bankbescheiden die voorhanden zijn (nogmaals) aan verweerder verstrekt en aangegeven dat de opmerkingen van eiser met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst als ingetrokken en niet besproken moeten worden beschouwd, omdat eiser niet kan overzien wat de gevolgen zijn van een vaststellingsovereenkomst. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven dat eiser de KB Lux rekening door vererving - het overlijden van zijn vader - heeft verkregen en dat hij op die rekening zelf nimmer bedragen heeft gestort of daarvan heeft opgenomen.

7. Verweerder heeft bij brief van 14 oktober 2005 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 en voor de vermogensbelasting over het jaar 1994 met verhogingen van 50%. Bij brief van 25 oktober 2005 heeft de gemachtigde hierop gereageerd en onder meer aangegeven dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 te hoog is vastgesteld en herhaald dat eiser de KB Lux rekening door vererving heeft verkregen en dat hij op die rekening zelf nimmer bedragen heeft gestort of daarvan heeft opgenomen. Voorts heeft de gemachtigde aan verweerder verzocht om aan te geven waarom hij geen voorstel tot verdere afwikkeling heeft gedaan. Verweerder heeft vervolgens bij brieven van 29 november 2005 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 2002 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1995 tot en met 2000 met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 50%. Daarnaast heeft verweerder aangegeven bereid te zijn om tot een oplossing te komen en dat hij na het opleggen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 en vermogensbelasting over het jaar 1994 hierover contact met de gemachtigde zal opnemen.

8. Bij brief van 2 december 2005 heeft verweerder aangegeven dat hij binnen afzienbare tijd tot afwikkeling van de bezwaren tegen de hiervoor onder 5 genoemde navorderingsaanslagen en verhogingen zal overgaan.

9. Met dagtekening 14 december 2005 zijn aan eiser een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 en een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1994 met verhogingen opgelegd.

10. De gemachtigde heeft bij brief van 21 december 2005 aangegeven dat de aangekondigde navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1998 te hoog is vastgesteld. Voorts heeft hij wederom aangegeven dat eiser de KB Lux rekening door vererving heeft verkregen en dat hij op die rekening zelf nimmer bedragen heeft gestort of daarvan heeft opgenomen. Daarnaast heeft de gemachtigde verweerder nogmaals verzocht om aan te geven waarom geen voorstel meer is gedaan.

11. Bij brief van 23 december 2005 heeft de gemachtigde een klacht ingediend tegen de handelwijze van verweerder. De klacht betreft onder meer de omstandigheid dat verweerder aanslagen blijft opleggen ondanks herhaalde verzoeken van eiser om tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Op 10 februari 2006 is de gemachtigde inzake zijn klacht gehoord. Tijdens het hoorgesprek heeft de gemachtigde aangegeven dat de KB Lux rekening is opgezet door de vader van eiser en zijn in [Z] woonachtige broer en dat de rekening op naam staat van beide broers. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven dat hij heeft geschreven dat de opmerkingen van eiser over de vaststellingsovereenkomst ingetrokken zijn, maar dat hij daarmee heeft bedoeld dat eiser niet in staat was de gevolgen te overzien zodat mogelijke voorstellen en aanslagen aan de gemachtigde moesten worden gezonden. Daarnaast heeft de gemachtigde een compromisregeling voorgesteld. Bij brief van 28 februari 2006 heeft verweerder, naar aanleiding van opmerkingen van de gemachtigde over het hoorverslag, een aangepast hoorverslag verzonden.

12. Op 8 maart 2006 heeft met betrekking tot de bezwaren tegen de hiervoor onder 5 en 9 genoemde navorderingsaanslagen en verhogingen een hoorgesprek plaatsgevonden. De gemachtigde heeft zijn toelichting aangaande de wijze waarop eiser en zijn broer middels vererving de beschikking over de KB Lux rekening hebben gekregen herhaald en verklaard dat eiser nimmer zelf geld op deze rekening heeft gestort of opgenomen. Bij brief van 15 maart 2006 heeft verweerder, naar aanleiding van opmerkingen van de gemachtigde over het hoorverslag, een aangepast hoorverslag verzonden.

13. Verweerder heeft naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van 21 december 2005 en het hoorgesprek van 8 maart 2006 bij brief van 17 juli 2006 nadere vragen gesteld over de KB Lux rekening om tot een juiste belastingheffing bij eiser te komen. Deze vragen hadden betrekking op de heffing van successierecht bij het overlijden van de vader van eiser alsmede de gerechtigdheid van eisers broer tot de KB Lux rekening. De gemachtigde heeft, nadat verweerder uitstel had verleend, bij brief van 29 augustus 2006 aangegeven dat eiser op zijn mededeling terugkomt dat zijn vader en broer betrokken waren bij de KB Lux rekening en dat eiser de volle verantwoording neemt voor de stortingen op deze rekening.

14. Bij brief van 30 november 2006 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om van de aangifte over het jaar 2003 af te wijken en daarbij op de voet van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) een vergrijpboete van 50% op te leggen.

15. Met dagtekening 15 december 2006 onderscheidenlijk 28 december 2006 heeft verweerder de (navorderings-)aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 2003 alsmede de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1995 tot en met 2000, met verhogingen en vergrijpboetes opgelegd.

16. Bij brief van 5 februari 2008 heeft de gemachtigde verzocht om aanhouding van de bezwaren totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen inzake de toelaatbaarheid van de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awr (hierna: de verlengde navorderingstermijn). Bij brief van 8 december 2008 heeft verweerder aangegeven de bezwaren aan te houden totdat op een aantal openstaande geschilpunten door de Hoge Raad is beslist.

17. Bij brief van 4 februari 2011 deelt verweerder aan de gemachtigde mee dat hij alle bezwaren wil afwikkelen. Daarbij is hij per jaar op de bezwaren ingegaan. Bij brief van 23 februari 2011 heeft de gemachtigde hierop gereageerd en heeft hij verzocht om te worden gehoord. Op 18 mei 2011 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 23 juni 2011 de uitspraken op bezwaar van 24 juni 2011 en 22 juli 2011 nader gemotiveerd. Verweerder heeft daarbij aangegeven in totaal een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen van € 483 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang).

18. De in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen dan wel vergrijpboetes zijn op de voet van respectievelijk artikel 18, eerste lid, van de Awr (tekst tot en met 1997) en artikel 67e van de Awr (tekst vanaf 1998) opgelegd.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend. Voorts is de hoogte van de opgelegde verhogingen en vergrijpboetes in geschil.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunten zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Verweerschrift te laat ingediend

De rechtbank heeft in strijd met het gerechtvaardigde procesbelang van belanghebbende en de goede procesorde gehandeld door het verweerschrift van de Inspecteur dat slechts achttien dagen voor de zitting is toegezonden als gedingstuk te accepteren.

De op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken.

De onderhavige aanslagen komen voort uit het zgn. rekeningenproject. Op het rekeningenproject en dit geschil betrekking hebbende stukken als draaiboek, nieuwsbrieven, informatieset, microfiche, het proces-verbaal van ambtshandeling en aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren tot en met 2002 en aangiften vermogensbelasting 1993 tot en met 2000 dienen overgelegd te worden. Belanghebbende dient van deze stukken kennis te kunnen nemen. Een specificatie van de aangiften en aanslagen voldoet niet.

Ook de gegevens afkomstig uit het zogenoemde rekeningenproject zoals het draaiboek en de nieuwsbrieven hebben in de onderhavige zaken bij de besluitvorming een rol gespeeld en dienen overgelegd te worden. De omstandigheid dat het draaiboek in een andere zaak van de gemachtigde is overgelegd en nieuwsbrieven op de site van de Belastingdienst hebben gestaan is niet van belang. Belanghebbende moet kunnen onderzoeken of het opleggen van de aanslagen zorgvuldig is verlopen.

In verband met onderzoek naar de vraag of sprake is van het voldoende voortvarend opleggen van de navorderingsaanslagen zijn vorengenoemde gegevens uit het rekeningenproject ook van belang.

Ook al zou de gemachtigde zelf over kennis van het rekeningenproject beschikken dan nog wordt aan de gemachtigde de informatie onthouden waaruit blijkt op welke wijze de bij de Inspecteur aanwezige kennis een rol heeft gespeeld in het geval van belanghebbende. De berekening op zich bestrijdt de gemachtigde niet. De Inspecteur is bij de berekening van de navorderingsaanslagen uitgegaan van afgeronde bedragen. Belanghebbende dient te kunnen nagaan hoe de Inspecteur daaraan komt.

Nog steeds ontbreken er stukken:

- de kennelijke toestemming zoals bedoeld in de brief van 14 december 1999 gericht aan de Procureur Generaal in Brussel verzonden door het Belgische Ministerie van Financiën.

Voorts ontbreken:

- Brief van 15 april 1997 van de Belgische belastingadministratie aan het Belgische parket.

- Brief van 14 april 2000 van de Belgische administratie aan het Belgische parket.

- Brief van 7 februari 2001 van de Nederlandse Belastingdienst aan het Belgische Ministerie van Financiën.

- Brief van 15 januari 2003 van de FIOD-ECD Haarlem aan de Belgische administratie.

Het is belanghebbende nog steeds niet duidelijk op welke datum hij geïdentificeerd is.

De in de nacorrespondentie door de Inspecteur overgelegde stukken, draaiboek, nieuwsbrieven, informatieset en afschrift print microfiche zijn tardief. Wanneer de overgelegde stukken tot de stukken van het geding worden gerekend dient het Hof de zaken terug te wijzen naar de rechtbank.

De navorderingsaanslagen zijn niet voortvarend opgelegd.

Met het voorbereiden en vaststellen van de navorderingaanslagen is een langere termijn gemoeid geweest dan op grond van de rechtspraak kan worden aanvaard. De Belastingdienst heeft tussen 3 februari 2003 en 27 februari 2004 onverklaard stilgezeten. Toen antwoord van de gemeente [Z] op het verzoek om inlichtingen van belanghebbende en zijn kinderen van 3 februari 2003 uitbleef is pas in februari 2004 een herhaald verzoek gedaan. Ook al zouden in februari 2003 in plaats van in februari 2004 gegevens bij de gemeente zijn opgevraagd dan nog blijft onverklaard waarom na de maand mei 2002 toen de broer van belanghebbende is geïdentificeerd de Inspecteur geen actie heeft ondernomen. Het adres van de broer was ook het adres van belanghebbende. Aldus treedt elke keer een onverklaarde vertraging van 12 maanden op voordat een actie volgt. Dat geldt ook voor de tweede set met de navorderingsaanslagen die in 2005 en 2006 zijn opgelegd. Er volgen steeds tussenpozen waarin niets wordt gedaan.

Belanghebbende heeft vanaf 2004 volledige openheid van zaken gegeven.

Verhogingen en boetes

De Inspecteur had de gemachtigde van belanghebbende tijdens de hoorzitting de cautie moeten geven. De rechtspraak die geldt voor het geven van de cautie aan belanghebbende is ook op de gemachtigde van toepassing. Ook belanghebbende heeft de cautie niet gekregen. De rechtbank had belanghebbende de cautie moeten geven.

De Inspecteur dient te bewijzen dat sprake is van listigheid, valsheid en samenspanning als strafverzwarende omstandigheden. Het gaat om individuele straftoemeting en de Inspecteur had een individuele afweging moeten maken en niet mogen volstaan met een tekstuele uitwerking. De boetestaffel in het BBBB mist wettelijke grondslag. Belanghebbende dient ervan in kennis te worden gesteld op welke wettelijke bepalingen de boete is gegrond. Niet is vastgesteld welke boete is opgelegd en naar welk percentage. Belanghebbende incrimineert zichzelf omdat al van te voren voor elke handeling een boetepercentage is vastgesteld.

De verhogingen en boetes dienen te worden vernietigd.

De hoogte van de verhogingen en boetes dient te worden gesteld op 12 percent tot 24 percent van de nagevorderde belasting conform eerdere jurisprudentie van het Hof.

Bij het opleggen van de verhogingen is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende heeft bekend.

De boete over het jaar 2003 is buiten proportioneel omdat de aangifte al was ingediend.

Heffingsrente

De heffingsrente dient afzonderlijk gespecificeerd te worden op het aanslagbiljet. Dit geldt ook bij verminderingen bij de uitspraak op bezwaar.

Proceskosten en schadevergoeding

Voor de proceskostenvergoeding had door de rechtbank gelet op de inhoud van de gedingstukken en de omstandigheid dat het financieel belang groot is voor deze gepensioneerde belanghebbende de factor 2 moeten worden gehanteerd voor het gewicht van de zaak. Belanghebbende verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding van in totaal € 12.500.

Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 9.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure in bezwaar en beroep. De rechtbank heeft ter beoordeling of de redelijke termijn is overschreden ten onrechte niet in aanmerking genomen dat in de bezwaarfase door belanghebbende geen verzoek om aanhouding is gedaan maar door de Inspecteur zelf. De hoorzittingen zijn uitgesteld op verzoek van de Inspecteur. Ook dat is niet juist beoordeeld door de rechtbank. In hoger beroep heeft de procedure langer dan twee jaar geduurd zodat belanghebbende voor die fase ook recht heeft op een vergoeding van immateriële schade geleden vanwege de lange duur van de procedure.

Voorts is de Inspecteur over de bedragen aan proceskosten, schadevergoeding en griffierecht die de rechtbank heeft toegekend de wettelijke rente verschuldigd vanaf 31 december 2004 tot aan de dag van voldoening.

Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente vanaf de datum van betaling van de aanslagen tot en met in elk geval 31 december 2012 en vanaf 1 januari 2013 tot de datum van de vermindering (door het Hof).

Heropening

Belanghebbende heeft ter zitting zijn grief dat het Hof het onderzoek na de eerste zitting bij uitspraak had dienen te heropenen ingetrokken.

4.3.

De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunten - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

Het draaiboek en de nieuwsbrieven zijn overgelegd in overeenstemming met de hieraan in de diverse "geheimhoudingsuitspraken" gestelde eisen. Voor de in deze stukken niet vrijgegeven passages is het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 Awb gehonoreerd. De informatieset FIOD en de microfiche is reeds voor de rechtbank en thans wederom overgelegd.

Van de aangiftebiljetten 1997 tot en met 2000, 2002 en 2003 zijn alsnog originele stukken

teruggevonden. Voorts zijn alle bewaard gebleven IBS-gegevens overgelegd voor de jaren 1995 tot en met 2003. Voor wat betreft de jaren 1992 tot en met 1994 waren tijdens het heffingsonderzoek geen aangiftegegevens aanwezig. Voor deze jaren zijn de inkomens en vermogens dan ook naar geschatte bedragen vastgesteld welke schatting de Inspecteur voldoende heeft gespecificeerd.

Voortvarendheid

Er is voldoende voortvarendheid betracht bij de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn.

Op 27 oktober 2000 zijn omvangrijke gegevens met betrekking tot enige duizenden rekeninghouders van de Kredietbank Luxembourg aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt. Op basis daarvan is een onderzoekstraject gestart en is vervolgens een landelijke projectorganisatie (het Rekeningenproject) opgezet teneinde op zorgvuldige wijze tal van vragen te beantwoorden. De op die wijze verkregen gegevens omtrent de mogelijke rekeninghouders zijn in de loop van 2002 verstrekt aan de inspecteurs onder wie deze rekeninghouders ressorteerden. Op basis van die gegevens is door die inspecteurs vervolgens per geval nader onderzoek aangevangen. Gelet op de omvang en het tijdsbeslag voor de regionale eenheden en het nog doorgaande identificatieproces zijn de gegevens in een aantal tranches aan de eenheden toegezonden. De eerste serie is verzonden begin januari 2002, de tweede serie in maart 2002 en de derde rond juni/juli 2002. Naderhand zijn er nog meer renseignementen ter behandeling verzonden. Meestal ging het dan om gevallen die pas later geïdentificeerd waren. Ook voor belanghebbende is sprake van een late(re) identificatie. De broer van belanghebbende was in een eerdere te identificeren groep met namen geplaatst. Belanghebbende was vanwege een meer voorkomende combinatie van voor en achternaam in een latere groep geplaatst dan de groep waarin de broer van belanghebbende zat. Nadat op 29 december 2003 een eerste vraagstelling aan de gemeente was verstuurd is op of rond 9 januari 2004 door de Inspecteur onvolledige informatie van de gemeente ontvangen. Op 3 februari 2004 is de gemeente [Z] wederom benaderd . Belanghebbende kon niet eerder dan op 27 februari 2004 als rekeninghouder worden geïdentificeerd. Daarvoor waren er onvoldoende aanwijzingen. Belanghebbende heeft pas op 29 augustus 2006 opening van zaken gegeven.

Zowel bij het Rekeningenproject in de fase tot het verstrekken van gegevens aan de Inspecteur als door de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van die navorderingsaanslagen is de voortvarendheid betracht die ingevolge onder meer het arrest HR 26 februari 2010, nr. 43050bis, LJN BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen

Verhogingen en boetes

De cautie behoefde niet te worden gegeven. Er heeft geen verhoor van belanghebbende plaatsgevonden met het oog op het opleggen van een boete. Het boetebewijs van de Inspecteur is ontleend aan bewijzen die tot stand zijn gekomen buiten de wil van belanghebbende. De boetes zijn op de juiste wijze aangekondigd.

Proceskosten en schadevergoeding

Het verzoek om integrale kostenvergoeding dient te worden afgewezen. De Inspecteur heeft de behoorlijke procesgang niet geschonden. De door belanghebbende gevraagde stukken zijn of reeds in eerdere fasen overgelegd of middels de website van het Ministerie van Financiën raadpleegbaar.

Er is geen sprake van immateriële schade die is geleden door het opleggen van de boetes.

Incidenteel hoger beroep

In het incidenteel hoger beroep stelt de Inspecteur dat tussen het moment van ontvangst van de eerste bezwaarschriften op 12 januari 2005 en de uitspraak van de rechtbank op 27 juni 2012 een termijn is verstreken van 7 jaar en 5,5 maanden. Belanghebbende heeft pas op 29 augustus 2006 volledige openheid van zaken gegeven. Dit is ruim 19,5 maanden na het indienen van de eerste bezwaarschriften. De redelijke termijn voor de Inspecteur bedraagt in dit geval 18,5 en 23,5 en 17, 7 is 58 maanden. De procedure bij de rechtbank is binnen de redelijke termijn van 12 maanden gebleven. De redelijke termijn komt daarmee op 5 jaar en 10 maanden. De redelijke termijn kan slechts met 1 jaar en 7,5 maanden overschreden zijn. De rechtbank had € 2.000 aan vergoeding moeten toekennen in plaats van € 3.000.

4.4.

De Minister wordt geacht te hebben afgezien van het voeren van verweer op grond van het bepaalde in artikel 1 van zijn Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, Stcrt. 20210.

4.5.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de opgelegde verhogingen en de boetebeschikkingen en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen naar door het Hof vast te stellen belastbare inkomens, respectievelijk vermogens, verhogingen en boetes. Voorts strekt het hoger beroep tot het toekennen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding wegens immateriële schade.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Voorts heeft de Inspecteur geconcludeerd tot vermindering van de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding voor de bezwaarfase.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

De op de zaken betrekking hebbende stukken

23. Eiser heeft bij brief van 15 maart 2012, ontvangen door de rechtbank op 19 maart 2012, aangevoerd dat verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. Ter zitting heeft eiser die stelling geconcretiseerd en aangegeven dat het gaat om de volgende stukken:

a. het "Draaiboek, Nieuwsbrieven en Informatieset";

b. de microfiche;

c. het proces-verbaal van ambtshandeling in het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder;

d. alle aangiften (behoudens de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2003).

24. Vaststaat dat de onderhavige (navorderings-)aanslagen pas zijn opgelegd nadat eiser heeft bekend een KB Lux rekening te hebben (gehad). Nu de hoogte van de (navorderings-) aanslagen uiteindelijk zijn gebaseerd op de door eiser verstrekte gegevens, kan naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verweerder in de onderhavige zaken de door eiser aangevoerde stukken dient in te brengen in het midden blijven. Immers niet valt in te zien dat eiser nog enig belang heeft bij kennisneming van die stukken. Ten aanzien van de verzochte aangiftes merkt de rechtbank nog op dat uit de als bijlage 3 bij het verweerschrift gevoegde specificatie van de opgelegde navorderingsaanslagen blijkt naar welke bedragen de primitieve aanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting zijn vastgesteld.

Toepassing verlengde navorderingstermijn

25. Eiser heeft, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en LJN: BJ9120, gesteld dat verweerder niet voldoende voortvarend is geweest met het opleggen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1992 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1993 tot en met 2000.

26. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in bovengenoemde arresten van 26 februari 2010 regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

( i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

27. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor het moment waarop verweerder voor het eerst aanwijzingen heeft gekregen van het bestaan van de KB Lux rekening waartoe eiser gerechtigd is te worden uitgegaan van het moment waarop het Ministerie van Financiën de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft ontvangen, te weten 27 oktober 2000 (vgl. Hoge Raad 20 april 2012, nr. 11/03542, LJN: BW3349). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belastingdienst reeds vanaf 1995 voor het eerst over aanwijzingen beschikte om een onderzoek te starten, nu hij deze stelling niet nader met bewijs heeft onderbouwd. Een enkele stelling daartoe is onvoldoende. Daarnaast kan, anders dan eiser heeft betoogd, uit de tot de gedingstukken behorende "Controle formulier match rekening houders KB Lux - BVR 94 - heden - RDW t.b.v. identificatie rekeninghouders KB Lux" van de FIOD van 14 mei 2002 en het op 3 februari 2003 door de FIOD gedane verzoek aan de gemeente [Z] om verstrekking van de personalia van eiser niet worden afgeleid dat verweerder op vorengenoemde data al over aanwijzingen beschikte dat eiser als gerechtigde was aan te merken van de onderhavige KB Lux rekening. Immers uit die gedingstukken en de overige in 2003 door de FIOD gedane verzoeken aan diverse gemeentes komt naar voren dat het op die momenten nog onduidelijk was dat het de KB Lux rekening van eiser betrof en dat nader onderzoek bij diverse gemeentes hiervoor nodig was, waarna eiser niet eerder dan op 27 februari 2004 als rekeninghouder van de betreffende rekening is geïdentificeerd.

28. Daarnaast kan de rechtbank verweerder niet volgen in diens standpunt dat in het onderhavige geval voor het aanvangstijdstip moet worden uitgegaan van het moment waarop de regio-inspecteur op de hoogte is gesteld van de identificatie van eiser als rekeninghouder (op of na 27 februari 2004). De door verweerder op dit punt aangehaalde jurisprudentie - Hoge Raad van 26 september 2003, nr. 37 088, LJN: AF4151 en rechtbank 's-Gravenhage van 15 november 2011, nrs. AWB 11/5992 tot en met AWB 11/5999, LJN: BV0534 - is immers slechts van toepassing voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een nieuw feit dan wel van een ambtelijk verzuim. Ook het standpunt van verweerder dat anders moet worden uitgegaan van het moment van identificatie van eiser (27 februari 2004) faalt. De rechtbank kent aan het beroep van verweerder op onderdeel 4.12 van de bijlage bij de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel van 18 augustus 2009, behorende bij de hiervoor in 26 genoemde arresten, geen doorslaggevende betekenis toe, nu de Hoge Raad dit onderdeel van de conclusie niet in zijn arresten heeft overgenomen.

29. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1992 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1993 zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2004. Tussen het moment waarop de het Ministerie van Financiën de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft ontvangen en het moment waarop eiser door verweerder is geïdentificeerd is een periode van drie jaar en vier maanden verstreken. Vaststaat dat in die periode voor de verwerking van die gegevens het Rekeningenproject is opgestart, dat grote hoeveelheden gegevens zijn veredeld en dat in die periode ook de identificatie van mogelijke belastingplichtigen heeft plaatsgevonden. Om dit zorgvuldig en betrouwbaar te kunnen doen, alsmede om in deze periode een berekeningswijze voor de tegoeden op andere momenten te kunnen bepalen, heeft de Belastingdienst kennelijk voor een projectmatige aanpak gekozen. De met dit project gemoeide tijd van drie jaar en vier maanden voordat verweerder tot identificatie van eiser is gekomen, acht de rechtbank gezien de complexiteit niet onredelijk lang. Eiser is vervolgens vier maanden na voormelde identificatie voor het eerst door verweerder aangeschreven. Tussen het moment waarop eiser voor het eerst is aangeschreven - 22 juni 2004 - en de dagtekening van voormelde navorderingsaanslagen - 31 december 2004 - is een periode van een half jaar verstreken. Verweerder heeft eiser in die periode twee keer verzocht informatie over zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen te verstrekken, aan welk verzoek eiser toen geen gehoor heeft gegeven. Met het totale tijdsverloop is in totaal een periode van vier jaar en twee maanden gemoeid geweest. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van voornoemde navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard.

30. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 2000 zijn met dagtekening 14 december 2005 dan wel 15 december 2006 opgelegd, derhalve één jaar tot twee jaar later dan de hiervoor in 29. genoemde navorderingsaanslagen. Ook ten aanzien van elk van deze navorderingsaanslagen moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop verweerder aanwijzingen van het bestaan van eisers KB Lux rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslag heeft opgelegd, kan worden aanvaard. Verweerder heeft als reden voor het later opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen aangevoerd dat de hiervoor in 29. genoemde navorderingsaanslagen eind december 2004 vlak voor het verstrijken van de (verlengde) navorderingstermijn ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen is gewacht ten einde in onderling overleg tot materieel juiste navorderingsaanslagen te komen.

Zo was het onder meer onduidelijk in hoeverre eiser tot de KB Lux rekening was gerechtigd. Pas bij brief van 29 augustus 2006 heeft eiser hierover duidelijkheid verschaft. Nadat alle benodigde gegevens waren ontvangen, heeft verweerder de berekeningen gemaakt voor het vaststellen van de verschuldigde belasting, aldus verweerder.

31. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de in 29. genoemde navorderingsaanslagen ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat verweerder, naast het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel, bij het opleggen van navorderingsaanslagen tevens de benodigde zorgvuldigheid dient te betrachten, waarbij hij zoveel als mogelijk dient aan te sluiten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting.

De rechtbank acht het in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid dan ook niet onredelijk dat verweerder er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om in eerste instantie alle daartoe benodigde gegevens van eiser af te wachten, alvorens de onderhavige navorderingen op te leggen, daar verweerder zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren. Daarnaast dient ook aan verweerder enige tijd te worden gegund om alle door eiser verstrekte gegevens zorgvuldig te verwerken ten einde tot een juiste belastingheffing te kunnen komen.

32. Nadat de in 29. genoemde navorderingsaanslagen eind december 2004 ter behoud van rechten waren opgelegd, heeft eiser bij brieven van 3 februari 2005 en 16 maart 2005 de bankafschriften waarover hij beschikte, verstrekt. Verweerder heeft vervolgens zeven maanden later bij brief van 14 oktober 2005 nogmaals de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 en de vermogensbelasting over het jaar 1994 aangekondigd. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1993 en de vermogensbelasting 1994 zijn vervolgens met dagtekening 14 december 2005 opgelegd. Nadien hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd en heeft er op 10 februari 2006 een gesprek plaatsgevonden in verband met een door eiser ingediende klacht. Vervolgens heeft er op 8 maart 2006 nog een inhoudelijk hoorgesprek plaatsgevonden. Verweerder heeft naar aanleiding van die correspondentie en gesprekken bij brief van 17 juli 2006 nadere vragen gesteld omtrent de gerechtigheid van eiser tot de KB Lux rekening. Uiteindelijk heeft eiser op 29 augustus 2006 daarover duidelijkheid gegeven. Daarna heeft verweerder met dagtekening 15 december 2006 de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1995 tot en met 2000 opgelegd. Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder de voormelde navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld. Dat verweerder medio 2005 een periode van zeven maanden lang niet richting eiser heeft gecommuniceerd, acht de rechtbank in dit verband niet onredelijk lang. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de tussen partijen gevoerde correspondentie en gesprekken valt af te leiden dat partijen de intentie hadden om een compromis te sluiten en dat zij hierover veelvuldig hebben gecorrespondeerd. Daarnaast beschikte verweerder niet eerder dan eind augustus 2006 over alle voor de heffing van belang zijnde relevante gegevens, daar eiser toen pas duidelijkheid heeft verschaft over zijn gerechtigdheid tot de KB Lux rekening.

33. Gelet op het vorenoverwogene mocht verweerder de onder 25. genoemde navorderingsaanslagen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn opleggen.

Uitspraken op bezwaar

34. Eiser heeft voorts ter zitting nog gewezen op de vanuit het computercentrum van de belastingdienst in Apeldoorn verzonden uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1992 en 1995, waarin hogere bedragen aan verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (1992: ƒ 9.645; 1995: ƒ 20.638) zijn opgenomen dan voor die jaren is nagevorderd (1992: ƒ 8.994; 1995: ƒ 11.717). Ook vermelden voormelde uitspraken op bezwaar geen bedragen aan verhogingen of heffingsrenten meer. Eiser leidt hieruit af dat de verhogingen en de heffingsrenten bij voormelde uitspraken op bezwaar zijn vervallen en dat de verschuldigde belasting moet worden verminderd.

35. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Uit de motivering op de uitspraken op bezwaar van 23 juni 2011, welke aan de gemachtigde is verzonden, valt op te maken dat de in de uitspraken op bezwaar opgenomen verschuldigde belastingbedragen tevens zien op verhogingen en heffingsrenten. Zo is voor het jaar 1992 in totaal een bedrag van ƒ 9.645 verschuldigd, te weten ƒ 5.030 aan verschuldigde belasting, ƒ 2.515 aan verhoging en ƒ 2.100 aan heffingsrente. Voor het jaar 1995 is in totaal een bedrag van ƒ 20.638 verschuldigd, te weten ƒ 11.492 aan verschuldigde belasting, ƒ 5.745 aan verhoging en ƒ 3.401 aan heffingsrente. De omstandigheid dat verweerder in voormelde uitspraken op bezwaar ten onrechte niet de bedragen aan verhogingen en heffingsrenten heeft vermeld, maar het door eiser te betalen bedrag aan belasting, verhoging en heffingsrente in één totaalbedrag heeft opgenomen, brengt niet mee dat die uitspraken dienen te worden vernietigd. Eiser is hierdoor immers niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij tijdig tegen die uitspraken in beroep is gekomen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding deze verzuimen onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Verhogingen / vergrijpboetes

36. Vast staat dat eiser de tegoeden van zijn KB Lux rekening en de daarop ontvangen rente niet in zijn aangiftes heeft aangegeven. Dit brengt mee dat over de jaren 1992 tot en met 2002 te weinig belasting is geheven en dat de aangifte over het jaar 2003 onjuist is gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet van eiser is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven dan wel aangegeven. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het van algemene bekendheid is dat banktegoeden en inkomsten daaruit moeten worden aangegeven voor de heffing van de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting. Aangezien Nederlandse banken verplicht zijn opgave te doen aan de fiscus van bij hen aangehouden rekeningen, heeft eiser door omvangrijke bedragen aan te houden op een rekening in een land met een bankgeheim dit geld en de daaruit ontvangen inkomsten gedurende een reeks van jaren bewust aan het zicht van de fiscus onttrokken. Daar eiser vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen stukje bij beetje openheid van zaken heeft gegeven, acht de rechtbank verhogingen en vergrijpboetes van 50% in de gegeven omstandigheden passend en vanuit het oogpunt van norminscherping geboden.

37. De stelling van eiser dat verweerder voor aanvang van de hoorgesprekken van

10 februari 2006, 8 maart 2006 en 18 mei 2011 eiser niet heeft gewezen op zijn zwijgrecht kan hem niet baten. Verweerder heeft zijn wetenschap omtrent het bestaan van de KB Lux rekening op naam van eiser niet gebaseerd op een verklaring van eiser zelf of op bewijsmateriaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van eiser en door verweerder bij eiser is opgevraagd (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN: BA8179). Het beroep van eiser op het ontbreken van de cautie, wat daar overigens ook van zij, faalt derhalve.

38. Niet in geschil is dat verweerder met betrekking tot de boeteoplegging betreffende het Rekeningenproject een vaste gedragslijn - 0 % boete bij inkeer, 50% boete bij volledige opening van zaken vóór oplegging van aanslagen, 75% boete bij volledige opening van zaken vóór uitspraak op bezwaar, 100% boete in de overige gevallen - heeft gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is die gedragslijn op zich zelf niet in strijd met de wet of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat verweerder de grondslag van de boeten tekstueel heeft uitgewerkt in plaats van een verwijzing naar, onder meer paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, als ook de omstandigheid dat in de uitspraken op bezwaar geen melding wordt gemaakt van de hoogtes van de verhogingen en vergrijpboetes doen aan het voorgaande niet af, ook niet in het licht van de bepalingen van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

39. De stelling van eiser dat zijn medewerking tot hogere boetes heeft geleid, is onjuist. Immers de aan eiser opgelegde verhogingen en vergrijpboetes zijn conform evengemelde gedragslijn kwijtgescholden, dan wel beperkt tot op 50%.

40. In het belastingrecht geldt voorts, anders dan in het strafrecht het geval is, de vrije bewijsleer en is ieder middel dat tot bewijs kan dienen toegestaan. Deze vrije bewijsleer geldt ook met betrekking tot het bewijs van feiten op grond waarvan een verhoging of boete is opgelegd. Aldus zijn de in het strafrecht geldende bewijseisen van artikel 338 en volgende van het Wetboek van Strafvordering niet in het belastingrecht van toepassing (vgl. Hoge Raad 18 november 1992, nr. 28 148, LJN: ZC5166). Van enige onwettige rechtsongelijkheid op dit punt, zoals door eiser is gesteld, is daarom geen sprake.

Redelijke termijn

41. Eiser heeft ten slotte met betrekking tot de verhogingen en de vergrijpboetes een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn.

42. De rechtbank ziet aanleiding om de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn te matigen. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006). De rechtbank is van oordeel dat voor het eerst bij brieven van 24 november 2004 en 30 november 2006, waarin de verhogingen en vergrijpboetes voor de onderliggende jaren zijn aangekondigd, jegens eiser een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem voor de onderliggende jaren verhogingen respectievelijk vergrijpboetes zouden worden opgelegd.

43. Het vorenstaande brengt mee dat op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet respectievelijk ruim zeveneneenhalf en ruim vijfeneenhalf jaar zijn verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn. Op grond van voormeld arrest levert dit in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn op. Gelet op het feit dat eiser bij zijn brief van 7 februari 2008 heeft verzocht om aanhouding van de bezwaren totdat de Hoge Raad zou hebben beslist over de rechtmatigheid van de verlengde navorderingstermijn en verweerder dat verzoek heeft gehonoreerd, doen zich naar het oordeel van de rechtbank bijzondere omstandigheden voor die een afwijking van deze regel rechtvaardigen met twee jaar, namelijk de periode vanaf het verzoek tot aan de hiervoor onder 26. genoemde arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010. Derhalve is in alle zaken sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar. De rechtbank matigt de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes dan ook met 20% (vgl. gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03329, LJN: BJ1298).

44. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank verweerder opdragen de verhogingen en vergrijpboetes met 20% te verminderen.

Slotsom materiële geschil

45. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes, gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Proceskosten en schadevergoeding

46. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de onderhavige (navorderings)aanslagen allen hun grond vinden in de gerechtigdheid van eiser tot de KB Lux rekening, de gronden van de bezwaarschriften nagenoeg hetzelfde zijn, verweerder in zijn brief van 4 februari 2011 op alle bezwaren is ingegaan, alle zaken tijdens de hoorzitting van 18 mei 2011 zijn behandeld, verweerder in één brief van 23 juni 2011 de uitspraken op bezwaar van 24 juni 2011 en 22 juli 2011 nader heeft gemotiveerd en eiser in alle zaken op dezelfde datum in beroep is gegaan en de gronden van de beroepen op de zelfde datum nader heeft gemotiveerd, merkt de rechtbank de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.914,75, bestaande uit € 603,75 voor de kosten van bezwaar en € 1.311 voor de kosten van beroep (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1,5 punt voor het verschijnen bij de hoorzittingen van 8 maart 2006 en 18 mei 2011 met een waarde per punt van € 161, onderscheidenlijk 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voor het indienen van het bezwaarschrift, anders dan eiser bepleit, een tarief geldt van € 161, nu de bezwaarschriften vóór 1 oktober 2009 - de datum van inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 4 september 2009 (Staatsblad 2009,375), betreffende de indexering van de bedragen in de bijlage bij het Besluit - is ingediend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het hier, mede gelet op de inhoud van de gedingstukken, een gemiddelde zaak betreft, waarvoor een wegingsfactor gehanteerd dient te worden van 1.

47. Eiser heeft voorts verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van

10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087.

48. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

49. Indien de totale procedure in eerste aanleg langer dan twee jaar heeft geduurd, dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren (vgl. Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009, nr. 05/1789 WAO, LJN: BH1009).

50. De rechtbank stelt vast dat er in de onderhavige zaken tussen de ontvangst van de bezwaarschriften van eiser door verweerder op 12 januari 2005 (AWB 11/6214 en AWB 11/6228), 28 december 2005 (AWB 11/6215) en 19 januari 2007 en 22 januari 2007 tot en met 24 januari 2007 (overige beroepen), waarmee de berekening van de redelijke termijn aanvangt, tot de datum van deze uitspraak respectievelijk zeven jaar en vijfeneenhalve maand (AWB 11/6214 en AWB 11/6228), zes jaar en zes maanden (AWB 11/6215) en vijf jaar en vijfeneenhalve maand (overige beroepen) zijn verstreken. Daarmee is de maximaal toegestane periode van twee jaar in alle zaken overschreden. Gelet op het feit dat de bezwaarschriften vanaf 7 februari 2008 tot aan de hiervoor onder 26. genoemde arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 op verzoek van eiser zijn aangehouden, doen zich naar het oordeel van de rechtbank bijzondere omstandigheden voor die een afwijking van deze regel rechtvaardigen met deze periode van twee jaar. Dit brengt mee dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van maximaal 3 jaar en vijfeneenhalve maand.

51. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank van de, op 2 augustus 2011 ontvangen, beroepen niet langer dan elf maanden heeft geduurd. Aldus is uitsluitend in de bezwaarfase sprake van een te lange behandelingsduur. Dit is evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet alleen aan verweerder toe te rekenen. Zo heeft eiser onder meer drie maanden nodig gehad om alle door verweerder gevraagde gegevens te verstrekken. Daarnaast is ongeveer zes maanden vertraging veroorzaakt in verband met het plannen van een drietal hoorzittingen. In totaal bedraagt de aan verweerder te wijten vertraging (drie jaar en vijfeneenhalve maand minus negen maanden) twee jaar en achteneenhalve maand. Gelet op de samenhang in de onderhavige zaken en uitgaande van de langste bezwaarfase stelt de rechtbank de door eiser geleden immateriële schade vast op een bedrag van in totaal € 3.000 (6 x € 500). Voor een hogere vergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank kan eiser niet volgen in diens standpunt dat ook voor de overschrijding van de redelijke termijn in de procedures over de verhogingen en vergrijpboetes immateriële schadevergoeding dient te worden toegekend, nu gelet op het in 48. genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 bij overschrijding van de redelijke termijn voor een boete een ander regime geldt. Dit regime houdt in dat de boete wordt verminderd met een bepaald percentage naar gelang de mate van overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen in het onderhavige geval reeds is gebeurd.

52. Dat eiser door het opzettelijk doen van onjuiste aangiften, naar verweerder heeft gesteld, zichzelf in een positie heeft gebracht van spanning en frustratie, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om hier van een immateriële schadevergoeding af te zien, nu uit de hiervoor onder 47. genoemde arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 volgt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. De oorzaak van het ontstaan van een belastinggeschil is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn daarbij niet van belang. “

Beoordeling van het hoger beroep

De op de zaak betrekking hebbende stukken

7.1.

Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan het Hof aan het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, de gevolgtrekkingen verbinden die hem geraden voorkomen. Stukken waarover de Inspecteur niet beschikt en redelijkerwijs niet hoefde te beschikken en stukken die niet meer bestaan dan wel niet meer te traceren zijn, kunnen uiteraard niet worden overgelegd. Het niet overleggen van die stukken kan dan ook niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan de verplichting van artikel 8:42 van de Awb. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan verplicht is de van belang zijnde stukken te bewaren. Het niet voldoen daaraan kan gevolgen hebben voor de bewijsvoering dan wel de waardering van de bewijsmiddelen.

7.2.

De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd beperkt zich in hoger beroep uiteindelijk tot de stukken die belanghebbende noemt in de nadere stukken voor de tweede mondelinge behandeling betreffende de informatiewisseling tussen de Belgische belastingadministratie, het Belgisch parket en de Nederlandse Belastingdienst: brieven van 14 december 1999, 15 april 1997, 14 april 2000, 7 februari 2001 en 15 januari 2003.

De Inspecteur heeft in hoger beroep het draaiboek en de nieuwsbrieven, de informatieset en afschrift van het microfiche met bijbehoren en aangiftegegevens, waaronder kopieën van de originele aangiften, overgelegd. De informatieset, afschrift van het microfiche met bijbehoren en de aangiftegegevens had hij reeds voor de rechtbank overgelegd.

7.3.

De Inspecteur heeft gesteld dat al hetgeen heeft plaatsgevonden met betrekking tot de vaststelling van de navorderingsaanslagen ten name van belanghebbende is overgelegd en dat hij niet beschikt en redelijkerwijs ook niet kon beschikken over de thans nog (zie 7.1.) door belanghebbende verzochte stukken en dat deze ook niet behoorden en ook niet konden behoren tot de op zaak betrekking hebbende stukken. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan deze verklaring. De Inspecteur heeft dan ook niet gehandeld in strijd met artikel 8:42 van de Awb.

7.4.

De aangiftegegevens zijn vermeld op de overgelegde schermuitdraaien onder de noemer aangeleverde gegevens als bijlage 13 van de op de zaak betrekking hebbende stukken voor de rechtbank en, voor zover de Inspecteur ze kon traceren, zijn afschriften van de originele aangiftebiljetten overgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende zelf niet op eenvoudige wijze een kopie van de destijds ingeleverde biljetten kon overleggen. Daar komt bij dat de hoogte van de navorderingsaanslagen is afgestemd op de door belanghebbende bij het geven van opening van zaken aangeleverde gegevens. Het Hof ziet geen reden aan het niet bewaren van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1992 tot en met 1994 gevolgen te verbinden voor de bewijsvoering dan wel de waardering van de bewijsmiddelen.

7.5.

Het Hof ziet geen aanleiding om aan het in hoger beroep overleggen van het draaiboek en de nieuwsbrieven en kopieën van aangiften 1997, 2000, 2002 en 2003 gevolgen te verbinden in die zin dat de zaken ter behandeling worden teruggewezen naar de rechtbank. Belanghebbende heeft naar aanleiding van het overleggen van deze stukken ten opzichte van het door hem voor de rechtbank gestelde geen andere stellingen betrokken dan reeds door de rechtbank zijn behandeld. De informatieset en het afschrift van het microfiche met bijbehoren en de aangiftegegevens waren reeds aan de rechtbank overgelegd en door deze in de beoordeling betrokken.

Tijdigheid verweerschrift rechtbank

7.6.

De Inspecteur heeft de door hem als “op de zaak betrekking hebbende stukken” omschreven stukken op 29 september 2011 aan de rechtbank gezonden. Een afschrift daarvan is aan de gemachtigde verzonden op 30 september 2011. Derhalve ruim voor de zitting van 3 april 2012. Het verweerschrift van de Inspecteur is bij de rechtbank ingekomen op 14 maart 2012 en is niet als zodanig door de rechtbank geaccepteerd doch als nader stuk gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde heeft zich tegen deze gang van zaken gekeerd tijdens de zitting van de rechtbank en gesteld dat het in het nader stuk verwoorde tardief dient te worden verklaard. Gelet op de omstandigheid dat partijen in de bezwaarfase uitvoerig op papier met elkaar van argumenten hebben gewisseld en deze argumenten wederom zijn herhaald en samengevat in het verweerschrift, zonder dat daar van de kant van de Inspecteur nieuwe argumenten aan zijn toegevoegd, acht het Hof de handelwijze van de rechtbank om de inhoud van het nader stuk niet tardief te verklaren, nog toelaatbaar.

Voortvarendheid opleggen navorderingsaanslagen

7.7.

Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de verlengde navorderingstermijn en hetgeen zij daaraan ten grondslag heeft gelegd in de overwegingen 25 tot en met 33. Het Hof overweegt naar aanleiding van het door belanghebbende in hoger beroep gestelde daarenboven het volgende.

7.8.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie (BBI) van het Koninkrijk België aan de Nederlandse belastingdienst spontaan inlichtingen verstrekt over financiële rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg. Uit de brief van de BBI blijkt dat het hier ging om summiere informatie van de rekeninghouders. Bovendien ging het om een zeer omvangrijk aantal rekeninghouders. Zoals blijkt uit Nieuwsbrief 1 bevatten de afdrukken circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders, waarvan een aantal codenamen gebruikten. Het gaat om ongeveer 800 pagina's met 40 à 45 regels rekeninggegevens per pagina. Gelet op de omvang van het aantal gegevens en de aard van de gegevens en zeker met het oog op een gelijke rechtstoepassing is in de loop van 2001 besloten tot een projectmatige aanpak. Met het oog daarop was het vereist dat een organisatie werd opgezet om ervoor zorg te dragen dat de noodzakelijke coördinatie gewaarborgd was. Ook waren er raakvlakken met andere overheidsorganisaties, zoals het OM. Een en ander is in het draaiboek beschreven. De wijze van verkrijging van de informatie noopte tot een onderzoek of de informatie rechtmatig gebruikt kon worden ten behoeve van de belastingheffing in Nederland. Dit onderzoek heeft geleid tot de Nota rechtmatigheid van 16 augustus 2001 welke als bijlage 26 bij het Draaiboek is gevoegd.

Ook dienden de op de verkregen microfiches voorkomende rekeninghouders te worden geïdentificeerd.

Gelet op de beperkte naam omschrijving op de microfiches bleek dit een tijdrovend proces. Allereerst is de lijst tegen het BVR-bestand van de Belastingdienst aangehouden. In veel gevallen bleek dit onvoldoende om een unieke match te krijgen. Daarom is gezocht naar een aanvullende mogelijkheid om de identificatie rond te krijgen. Die is gevonden in het bestand van de RDW (waarin ook voornamen staan vermeld). Op 8 augustus 2001 is met de RDW overeenstemming bereikt over het gebruik van haar bestanden. Daarna kon worden verder gegaan met het identificatieproces. Vervolgens is in het laatste kwartaal van 2001 een pilot gestart waarin is getoetst of de verkregen informatie betrouwbaar en bruikbaar was. Daarna zijn de uit het identificatietraject verkregen gegevens verspreid over de regiokantoren en is het project van start gegaan. Vanaf dat moment moesten de lokale inspecteurs beoordelen of de geïdentificeerde rekeninghouders de inkomsten respectievelijk de vermogens hadden opgegeven in hun aangiften. Gelet op de omvang en het tijdsbeslag voor de regionale eenheden en het nog doorgaande identificatieproces zijn de gegevens in een aantal tranches aan de eenheden toegezonden. De eerste serie is verzonden begin januari 2002, de tweede serie in maart 2002 en de derde rond juni/juli 2002. Naderhand zijn er nog meer renseignementen ter behandeling verzonden. Meestal ging het dan om gevallen die pas later geïdentificeerd waren. Ook voor belanghebbende is sprake van een late(re) identificatie.

De broer van belanghebbende was in een eerder te identificeren groep geplaatst. Belanghebbende was vanwege een meer voorkomende combinatie van voor en achternaam in een latere groep geplaatst dan de groep waarin de broer van belanghebbende zat. Het Hof leidt uit de stukken af dat op 29 december 2003 een eerste vraagstelling aan de gemeente is verstuurd waarna op of rond 9 januari 2004 door de Inspecteur onvolledige informatie van de gemeente is ontvangen. Op 3 februari 2004 is de gemeente [Z] wederom benaderd. Belanghebbende is op 27 februari 2004 als rekeninghouder geïdentificeerd.

7.9.

Het Hof verwerpt de stelling dat met de identificatie van de broer van belanghebbende, welk moment, naar de Inspecteur niet voldoende heeft weersproken en het Hof aannemelijk acht, in mei 2002 is geweest, de identificatie van belanghebbende vaststond. De verklaring dat belanghebbende en zijn broer in verschillende te onderzoeken groepen zaten, acht het Hof geloofwaardig. De te onderzoeken groepen waren niet ingedeeld op rekeningnummer en adres maar van eenvoudig tot moeilijker te identificeren waarbij het veel voorkomen van een bepaalde combinatie van voor en achternaam een rol speelde. Verder dient in aanmerking te worden genomen dat het om een “ou” rekening ging waarbij de namen niet familie- en adresgerelateerd hoeven te zijn. Dat de broer van belanghebbende op hetzelfde adres als een geïdentificeerde rekeninghouder stond ingeschreven behoefde de Belastingdienst niet eerder te constateren dan toen de groep, waarin de combinatie van namen waaruit belanghebbende naar voren kwam, is onderzocht.

7.10.

Zowel bij het Rekeningenproject in de fase tot het verstrekken van gegevens aan de Inspecteur als door de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van die navorderingsaanslagen is de voortvarendheid betracht die ingevolge onder meer het arrest HR 26 februari 2010, nr. 43050bis, LJN BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen.

Verhogingen/vergrijpboetes

7.11.

Het Hof volgt de oordelen van de rechtbank omtrent de rechtmatigheid en de hoogte van de opgelegde verhogingen en boetes in de overwegingen 36 tot en met 44 van diens uitspraak alsmede de daarbij gegeven gronden onder toevoeging van het volgende.

7.12.

De Inspecteur behoefde ook de gemachtigde niet de cautie te geven. De Inspecteur heeft zijn wetenschap omtrent het bestaan van de rekening niet ontleend aan een verklaring van de gemachtigde of aan gegevens die door zijn wil tot stand zijn gekomen.

7.13.1.

De aankondiging van de verhogingen is voor de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1993, die zijn opgelegd op 31 december 2004, geschied op 20 december 2004. Voor de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1994, die op 14 december 2005 zijn opgelegd, alsmede de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1994 tot en met 2002 en in de vermogensbelasting voor de jaren 1995 tot en met 2000, die op 15 december 2006 zijn opgelegd, is dat geschied op 29 november 2005 envoor de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2003, die op 28 december 2006 is opgelegd, op 18 december 2006.

7.13.2.

Deze kennisgevingen tot het opleggen van de verhogingen en boetes zijn vergezeld gegaan van de vermelding van de voor de betreffende jaren van toepassing zijnde wettelijke bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het Voorschrift administratieve boeten 1993 dan wel het Besluit Bestuurlijke Boetes Belastingdienst 1998 en de hoogte van de verhogingen respectievelijk boetes zijn meegedeeld alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan de Inspecteur het voornemen had de boetes op te leggen. De stelling dat de verhogingen en boetes niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 EVRM zijn aangekondigd mist feitelijke grondslag.

7.13.3.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende over elk van de (nagevorderde) belastingjaren het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en bezittingen niet in de aangiften te verantwoorden, en dat het niet anders kan zijn dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat van hem bij de primitieve aanslagregeling vervolgens te weinig belasting is geheven.

7.13.4.

Voor de hoogte van de voor elk van de jaren gepleegd beboetbaar feit opgelegde boete en ter beantwoording van de vraag of deze boete telkenjare passend en geboden is, neemt het Hof tot uitgangspunt dat, naar de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, belanghebbende de bedoeling heeft gehad gedurende die reeks van jaren tegoeden op een bankrekening aan te houden in een land met een bankgeheim en de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, en dat bij de beboeting de omvang van de verzwegen belasting dient te worden bepaald aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld. Bekend is dat een bank in het algemeen over tegoeden op een rekening jaarlijks rente bijschrijft.

7.13.5.

Ingeval van opzet bedraagt de boete 50 percent, tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden, in welk geval de boete tot 100 percent kan worden verhoogd. Als strafverzwarende omstandigheden gelden listigheid, valsheid en samenspanning, alsmede het feit dat het ten onrechte niet geheven bedrag (verhoudingsgewijs) omvangrijk is geweest.

7.13.6.

Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende er bewust voor gekozen heeft een rekening aan te houden in een land met een bankgeheim teneinde het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden. Dit rechtvaardigt een boete van 100 percent van de nagevorderde belasting.

7.13.7.

Op 21 februari 2005 is bij de Belastingdienst een bericht van de toenmalige adviseur van belanghebbende, [A] binnengekomen waarin melding wordt gemaakt van de rekening bij KBL, derhalve nadat de Belastingdienst in juni 2004 de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2003 heeft ontvangen. In deze aangifte was geen tegoed bij KBL opgenomen. Van het juist doen van aangifte was derhalve voor dat belastingjaar geen sprake en de Inspecteur mocht op de door hem in de aankondiging vermelde gronden, namelijk het bewust niet opnemen van de tegoeden bij KBL, een boete opleggen.

7.13.8.

Zoals de rechtbank in r.o. 37 tot en met 39 heeft geoordeeld, is bij het opleggen van de verhogingen en de boetes er rekening mee gehouden dat belanghebbende heeft bekend en zijn de verhogingen en boetes verminderd tot 50 percent. Voor een verdere vermindering, behoudens die wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet het Hof met de rechtbank geen reden vanwege de omstandigheid dat sprake is geweest van het mondjesmaat verstrekken van informatie en de hoogte van de correcties is gebaseerd op de bankgegevens die belanghebbende zelf heeft verstrekt.

7.13.9.

De rechtbank heeft wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bij de behandeling in bezwaar en beroep de verhogingen en boetes met 20 percent verminderd. Het Hof volgt de rechtbank in de daarvoor gegeven redengeving. De procedure in hoger beroep laat een geringe overschrijding van de redelijke termijn zien van twee maanden. Een rechtvaardiging daarvoor is niet aanwezig. Dit geeft het Hof aanleiding de verhogingen en boetes te verminderen met 2 percent.

Heffingsrente en invorderingsrente

7.14.1.

De Inspecteur heeft op 23 juni 2011 de motivering van de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende toegezonden waarbij een specificatie is gevoegd met daarin opgenomen de belastingbedragen, verhogingen, boetes en heffingsrenten voor alle nagevorderde jaren. De omstandigheid dat de neerslag van deze motivering op de biljetten van de uitspraken op bezwaar voor de inkomstenbelastingjaren 1992 en 1995 slechts de totale bedragen per jaar weergeeft leidt niet tot de conclusie dat de in rekening gebrachte heffingsrente zou moeten worden verminderd. Belanghebbende is niet in zijn belangen geschaad en de rechtbank heeft terecht dit verzuim met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd.

7.14.2.

Met ingang van 1 januari 2013 geldt de regeling omtrent de belastingrente opgenomen in de alsdan geldende tekst van artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Voor de aanslagen die zijn opgelegd voor de jaren 2011 en eerder blijft het regime inzake de heffingsrente van kracht. Dit betekent dat met betrekking tot de thans in het geding zijnde navorderingsaanslagen het regime van artikel 30f en volgende van de Awr (in de tot

1 januari 2013 geldende tekst) omtrent het in rekening brengen van de heffingsrente nog van toepassing is. De heffingsrente wordt in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. In het onderhavige geval is de in de navorderingsaanslagen begrepen belasting niet verminderd. Vermindering c.q. vergoeding van de heffingsrente al dan niet vergezeld van vergoeding van wettelijke rente is dan ook niet aan de orde.

7.14.3.

Invorderingsrente wordt in rekening gebracht na het verstrijken van de laatste betalingstermijn. De onderwerpelijke procedure ziet niet op het in rekening brengen van deze laatstgenoemde rente doch op de heffing van belasting, het opleggen van verhogingen en boetes en het in rekening brengen van heffingsrente. Het Hof kan dus geen oordeel vellen over het al dan niet in rekening brengen van invorderingsrente.

Immateriële schadevergoeding en incidenteel hoger beroep

7.15.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087 beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade.

7.15.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

7.15.3.

Het Hof gaat verder uit van de volgende door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie gegeven uitgangspunten:

a. a) Als de bezwaar- en beroepsfase samen zolang hebben geduurd dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden dient te worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. In belastingzaken heeft als regel te gelden (vgl. HR 22 maart 2013, 111/04270, ECLI:NL:HR:2013: BX6666) dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase onredelijk lang voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, behoudens bijzondere omstandigheden.

b) Partijen moet in beginsel enige tijd worden gegund voor motivering van bezwaar en beroep. Het is ook niet ongebruikelijk dat aan partijen enig uitstel wordt verleend voor het indienen van verdere processtukken. Deze termijn is reeds in de redelijke termijn begrepen en leidt niet tot verlenging daarvan. Van het tijdverloop dat daarmee gemoeid is, kan niet worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid. Een eerste verzoek om uitstel van de zitting leidt evenmin tot het aannemen van een bijzondere omstandigheid (vgl. HR 20 juni 2014, nr. 13/01045, ECLI:NL:HR:2014:1461).

c) Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn wordt de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie buiten beschouwing gelaten, indien het afwachten van die beslissing redelijk is. Dit geldt zowel in zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als in zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld (vgl. HR 9 april 2010, nr. 07/10306, ECLI:NL:HR:2010:BJ8465, BNB 2010/203). Dit is slechts anders indien de prejudiciële vragen zijn gesteld na 1 april 2014 en zolang de inspecteur geen schriftelijke kennisgeving van het afwachten van de beslissing van het Hof van Justitie aan belanghebbende heeft gezonden.(vgl. HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636).

d) Voor de berechting van een zaak door het Hof geldt, behoudens bijzondere omstandigheden, als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien het niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet.

e) Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

f) In een geval waarin meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (in deze zin ook CRvB 30 juni 2009, nrs. 08/4752, 4756 t/m 4759 BESLU en 09/1277, 1278, 1280, 1282 BESLU, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125, JB 2009/208). Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540).

7.15.4.

De Inspecteur heeft in het incidenteel hoger beroep gesteld dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment dat belanghebbende in 2006 volledige openheid van zaken heeft gegeven. Het Hof volgt de Inspecteur niet in dit standpunt. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de lengte van de verstreken periode in bezwaar het procesgedrag van belanghebbende in aanmerking genomen en de perioden die zijn heengegaan met het verstrekken van de gegevens door belanghebbende en plannen van hoorzittingen aan belanghebbende toegerekend alsmede de aanhouding van de bezwaarprocedure op verzoek van belanghebbende van 7 februari 2008 in verband met de prejudiciële procedures bij het Hof van Justitie EU in een vergelijkbare zaak van welke aanhouding de Inspecteur belanghebbende een toestemmingsbericht heeft gezonden als bijzondere omstandigheid in aanmerking genomen. Het Hof acht de aanhouding redelijk (zie uitgangspunt onder 7.15.3). Uit het dossier komt niet naar voren dat belanghebbende in dat verband bij de Inspecteur heeft aangedrongen op afdoening van de bezwaarschriften.

7.15.5.

Het Hof volgt de oordelen van de rechtbank dat de redelijke termijn in bezwaar wel en in beroep niet is overschreden alsmede het in aanmerking van bijzondere omstandigheden, de berekening van de redelijke termijn en de hoogte van de immateriële schadevergoeding voor de procedure in bezwaar in de oordelen 48 tot en met 52.

7.15.6.

In hoger beroep zijn alle zaken gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking. Tot aan de dag van de uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar met twee maanden overschreden, Voor deze overschrijding is geen rechtvaardiging aanwezig. De overschrijding is toe te schrijven aan het Hof als rechterlijke instantie. Het Hof zal daarom voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, afgerond op een half jaar, een vergoeding toekennen van € 500.

Vergoeding proceskosten

7.16.

Naar het oordeel van het Hof is in dit geval onvoldoende gebleken van bijzondere omstandigheden die een integrale vergoeding van proceskosten wettigen. De Inspecteur heeft niet tegen beter weten in zijn standpunten verdedigd in bezwaar, beroep en hoger beroep en ook kan hem niet onbehoorlijk procesgedrag worden verweten. De omstandigheid dat de Inspecteur nog stukken in hoger beroep heeft overgelegd leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

Wettelijke rente

7.17.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente (consumententransactietarief) over proceskostenvergoeding, vergoeding griffierecht en immateriële schadevergoeding.

7.17.2.

De beslissing van de rechter tot veroordeling in de proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht roept een zelfstandige verbintenis tot betaling van een geldsom in het leven. Dat brengt mee dat de datum van de beslissing van de rechter het moment bepaalt vanaf wanneer wettelijke rente zal kunnen zijn verschuldigd, en dat indien de proceskostenveroordeling en de vergoeding van het griffierecht terstond worden betaald geen wettelijke rente zal zijn verschuldigd doch dat dit slechts het geval zal zijn als de Inspecteur in gebreke is de proceskostenvergoeding en het griffierecht te betalen.

7.17.3.

Gelet op het bepaalde in artikel 27h, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (thans: artikel 8:106 van de Awb) wordt de werking van de uitspraak van de rechtbank echter opgeschort totdat op het hoger beroep (onherroepelijk) is beslist. De Inspecteur is voordien dan ook (nog) niet gehouden uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank en (derhalve) tot nakoming van het vergoeden van proceskosten en griffierecht. Het Hof ziet dan ook geen grond voor het vergoeden van wettelijke rente aan belanghebbende (op de voet van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek) over de door de rechtbank uitgesproken veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Evenmin is dat het geval ten aanzien van de hierna onder 8 uit te spreken proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht in hoger beroep.

7.17.4.

Voor de vergoeding van de immateriële schade ligt dit anders. Op grond van artikel 8:73 van de Awb in verbinding met artikel 6:119 BW kan belanghebbende een wettelijke rentevergoeding als schade vorderen vanaf het moment dat de schade geleden wordt. Dat is in het geval van de procedure in bezwaar en beroep uitgaande van in totaal drie jaar overschrijding van redelijke termijn vanaf 23 juni 2009 en in hoger beroep vanaf 8 augustus 2014. Het Hof merkt op dat het gaat om vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en niet de (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW.

Slotsom

7.18.

Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ten aanzien van de verhogingen en de boetes gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Zowel in het principaal ingestelde als in het incidenteel ingestelde hoger beroep acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken met de nummers BK-12/00606 tot en met BK-12/00625 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 3.652,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (5 punten à € 487 x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang).

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 115 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de veroordeling in de proceskosten van € 1.914,75 voor bezwaar en beroep en vergoeding van het griffierecht van € 82,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en de opgelegde boetes en proceskosten in bezwaar,

- handhaaft de uitspraken voor het overige,

- vermindert de opgelegde verhogingen en boetes met 22 percent;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.652,50,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 115 aan griffierecht te vergoeden,

- veroordeelt de Inspecteur tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding van € 3.000 geleden in de bezwaarfase, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf 23 juni 2009,

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade in hoger beroep, vastgesteld op € 500, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 8 augustus 2014.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en M.C.M. van Dijk, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 8 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.