Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3202

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
200.152.221-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Indicatiebesluiten ondertekend door Jeugdzorgmedewerkers die daartoe formeel niet bevoegd waren. De indicatiebesluiten worden met toepassing van 6:22 Awb in stand gelaten. Ernstige zorgen over de thuissituatie en het effect van de opvoedingswijze op de ontwikkeling van de minderjarigen. Het hof staat achter de door Jeugdzorg geïnitieerde gezinsopname bij Yulius en de daaraan door Yulius gestelde voorwaarden. Bekrachtiging bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0294
RFR 2015/9

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 september 2014

Zaaknummer : 200.152.221/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-810

Zaaknummer rechtbank : C/10/446696

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de (stief)vader],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de (stief)vader,

advocaat mr. drs. M. Erkens te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 11 juli 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 10 april 2014 en 9 mei 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. De moeder heeft op 12 augustus 2014 een aanvullend beroepschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 8 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

De raad heeft bij brief van 22 juli 2014 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 13 augustus 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de (stief)vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw J. Ermers en mevrouw S. de Regt namens Jeugdzorg.

De advocaat van de (stief)vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting een vijftal verklaringen volmacht, mandaat en/of machtiging tot ondertekening overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 10 april 2014 en de beschikking van 9 mei 2014.

Bij de tussenbeschikking van 10 april 2014 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de na te noemen minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 23 mei 2014. Voorts heeft de kinderrechter de duur van de machtigingen tot plaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van de zorgaanbieder verlengd tot 23 mei 2014 en de duur van de machtigingen tot plaatsing van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een zorgaanbieder, gevolgd door een vorm van pleegzorg, verlengd tot 23 mei 2014. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij de beschikking van 9 mei 2014 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 23 april 2015 en is de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder verlengd tot 23 augustus 2014. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- uit de moeder zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]);

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2]);

  • -

    [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 3]);

hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen;

- de moeder is alleen belast met het gezag over de minderjarigen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

Het hof zal geen acht slaan op de namens de moeder als productie 8 bij het aanvullend beroepschrift ingediende stukken, nu deze in strijd met het toepasselijke procesreglement niet binnen tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingediend en voorts in het geheel niet is aangegeven waartoe deze stukken zouden dienen.

2.

In geschil zijn de geldigheid van de indicatiebesluiten, de ondertoezichtstelling van de minderjarigen tot 23 april 2015 en de uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van de zorgaanbieder tot 23 augustus 2014.

3.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, Jeugdzorg alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in dier verzoeken, dan wel het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede het verzoek tot plaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder af te wijzen en de onmiddellijke terugplaatsing van de minderjarigen bij moeder te gelasten, dan wel enkel het verzoek tot machtiging ondertoezichtstelling toe te wijzen om de voortgang van de ambulante gezinsbehandeling te kunnen volgen.

4.

De (stief)vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze de machtiging uithuisplaatsing toekent en het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

5.

Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

De indicatiebesluiten

6.

De moeder voert het volgende aan. Jeugdzorg beschikt niet over een mandaatregeling, zodat niet is geregeld wie uit naam van Jeugdzorg (indicatie)besluiten mag nemen. De door Jeugdzorg ingediende indicatiebesluiten zijn ondertekend door anderen dan de directeur van Jeugdzorg. Daarmee zijn de indicatiebesluiten niet rechtsgeldig ondertekend en dient Jeugdzorg alsnog niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar verzoeken.

De moeder stelt subsidiair dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij de verzoekschriften van Jeugdzorg (geldige) indicatiebesluiten waren gevoegd. Er is slechts een ‘Plan van Aanpak en indicatiebesluit ondertoezichtstelling’ overgelegd, doch uit de ondertekening van dat plan blijkt dat het om een concept gaat. Vanzelfsprekend voldoet een concept van slechts een Plan van Aanpak niet aan de wettelijke vereisten voor een verzoekschrift tot verlening van een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing, zodat de bestreden beschikking in strijd met de wet is genomen en dient te worden vernietigd en de minderjarigen direct bij de moeder thuisgeplaatst dienen te worden. Zelfs als in het Plan van Aanpak een indicatiebesluit gelezen wordt, voldoet dit besluit niet aan de wettelijke vereisten. Immers, ingevolge artikel 6 van de Wet op de jeugdzorg (verder: Wjz) dient Jeugdzorg in een indicatiebesluit de termijn te vermelden gedurende welke de aanspraak geldt (eerste lid onder c) alsmede de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht (eerste lid onder d). Ingevolge artikel 23 Uitvoeringsbesluit Wjz bedraagt de in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke de aanspraak geldt in beginsel ten hoogste een jaar. De moeder stelt dat de indicatiebesluiten niet aan deze vereisten voldoen, nu daarin geen termijnen zijn opgenomen en evenmin is aangegeven binnen welke termijnen de aanspraken tot gelding moeten zijn gebracht. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2001/02, 26 168, nr. 3, p. 55) blijkt voorts dat aanspraken voor onbepaalde duur niet gewenst zijn, omdat regelmatig moet worden beoordeeld of de cliënt nog behoefte heeft aan geïndiceerde zorg. Indien, zoals in het onderhavige geval, niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor de inmenging in het gezinsleven zoals beschreven in artikel 8, tweede lid, van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM), is sprake van schending van artikel 8 EVRM.

7.

De (stief)vader voert het volgende aan. Aan de indicatiebesluiten kleeft een dubbel gebrek: Jeugdzorg heeft geen mandaatregeling – hetgeen in strijd is met artikel 10:1 in samenhang met artikel 10:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) – en de besluiten zijn ondertekend door de (stief)vader onbekende personen. De op grond van de indicatiebesluiten getroffen maatregelen zijn zeer ingrijpend en het betreft lastige materie, waarbij rechtbank en hof voor toetsing moeten afgaan op wat door partijen wordt aangevoerd, hetgeen vaak een lastige afweging vormt. Daarom is het buitengewoon belangrijk dat de besluitvorming door Jeugdzorg zorgvuldig wordt gedaan en dat het besluit wordt getoetst door een daartoe gemandateerde medewerker. Indien ‘in opdracht’ wordt getekend, is niet duidelijk of het besluit door een daartoe bevoegd persoon is getoetst. Onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARN:2010:BN8457 en ECLI:NL:GHAMS:2013:4871 stelt de (stief)vader dat de bepaling van artikel 1:261, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) dwingend is en dat een beslissing waaraan een indicatiebesluit ten grondslag ligt dat niet aan deze dwingende vereisten voldoet, niet in stand kan blijven.

De (stief)vader voert voorts aan dat Jeugdzorg het Plan van Aanpak, het indicatiebesluit en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling in één document heeft gevat. De (stief)vader maakt hier principiële bezwaren tegen, nu de wetgever expliciet verschillende documenten heeft onderscheiden. Daarachter zit een logische gedachte. In het indicatiebesluit formuleert Jeugdzorg de problemen en de doelen, en dit is de basis voor de machtiging en geldt voor een jaar. In het hulpverleningsplan wordt concreet geformuleerd hoe de doelen worden bereikt, en dit plan is derhalve dynamischer en concreter dan het indicatiebesluit. In het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling wordt de achterliggende periode geëvalueerd en op basis daarvan wordt een nieuw indicatiebesluit gemaakt, dat weer ten grondslag ligt aan een nieuw plan van aanpak. In de praktijk knipt en plakt Jeugdzorg en gooit zij alle documenten op één hoop. Als gevolg daarvan ontbreekt het overzicht, het logisch verband en het onderscheid tussen de verschillende documenten en komt de hulpverlening onvoldoende dan wel onvoldoende effectief en planmatig tot stand.

8.

Jeugdzorg verweert zich daartegen als volgt. De inleidende verzoekschriften en de indicatiebesluiten zijn bekrachtigd door de statutair directeur van Jeugdzorg. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Jeugdzorg ter terechtzitting een viertal verklaringen “volmacht, mandaat en/of machtiging tot ondertekening” overgelegd, waarin is verklaard dat aan:

  • -

    [teammanager], teammanager,

  • -

    [jeugdbeschermer], jeugdbeschermer,

  • -

    [jeugdbeschermer], jeugdbeschermer,

  • -

    [gebiedsmanager], gebiedsmanager,

  • -

    [gebiedsmanager], gebiedsmanager,

  • -

    [gebiedsmanager], gebiedsmanager, en

  • -

    [gedragsdeskundige], gedragsdeskundige,

volmacht, mandaat en/of machtiging wordt verleend om namens Jeugdzorg alle processtukken (mede) te ondertekenen in het kader van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel, waaronder het verzoekschrift tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling, het verzoekschrift tot (verlenging van de) uithuisplaatsing (zowel regulier als gesloten), het verzoekschrift tot vervangende toestemming tot aanvraag van een paspoort, alsmede overige verzoekschriften, alsmede het Plan van Aanpak en indicatiebesluit, Schriftelijke aanwijzingen, alsmede andere geschriften van de zijde van Jeugdzorg in de zaak F.200.152.221/01. Jeugdzorg voert voorts aan dat op grond van artikel 6:22 Awb formele gebreken kunnen worden gepasseerd, indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Jeugdzorg stelt voorts dat de indicatiebesluiten voldoen aan de daaraan in de wet gestelde vereisten. In de indicatiebesluiten is de duur van de aanspraken op zorg vermeld. Voor zover de moeder meent dat in het indicatiebesluit van [minderjarige 1] ten onrechte is opgenomen dat zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet voor onbepaalde tijd is geïndiceerd, voert Jeugdzorg aan dat de zorg in het kader van de Zorgverleningswet is geïndiceerd als tweedelijnshulp en derhalve niet ten grondslag ligt aan de machtiging uithuisplaatsing. Voor zover de moeder meent dat de indicatiebesluiten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet voldoen aan de wettelijke vereisten omdat deze besluiten recht zouden geven op zowel 24-uurs pleegzorg als op 24-uurszorg in een accommodatie, stelt Jeugdzorg dat niet uit de wet volgt dat een machtiging slechts op één soort voorziening betrekking zou kunnen hebben. Jeugdzorg verwijst in dat kader naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2004:AN8908).

9.

Het hof stelt voorop dat uit artikel 1:261, tweede lid, BW volgt dat een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Wjz, is gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Wjz. Bij dat besluit wordt de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg gevestigd. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd, zoals eveneens volgt uit artikel 1:261, tweede lid, BW. Voorts bepaalt artikel 23, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wjz dat de geldigheidstermijn in beginsel ten hoogste een jaar bedraagt na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet is aangevangen. Uit het bepaalde in artikel 3, vierde lid, Wjz volgt immers dat een indicatiebesluit dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling, niet eerder in werking treedt dan nadat de machtiging als bedoeld in artikel 1:261 BW van de kinderrechter is verkregen. Het hof overweegt voorts dat een indicatiebesluit een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 Awb. Op grond van artikel 3, vierde lid, Wjz in samenhang met art. 8:5, eerste lid en onderdeel H onder 3 Bijlage Awb staat in het onderhavige geval tegen een indicatiebesluit geen afzonderlijke bestuursrechtelijke procedure open. Ingevolge het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, Wjz is – in plaats van de bestuursrechter – de kinderrechter bevoegd het indicatiebesluit te toetsen. De kinderrechter toetst op dezelfde wijze als de bestuursrechter en kan het besluit derhalve in stand houden of vernietigen.

10.

Het hof overweegt als volgt. Met de in hoger beroep overgelegde verklaringen heeft Jeugdzorg in het kader van deze procedure aangetoond dat de Jeugdzorgmedewerkers die de indicatiebesluiten ondertekend hebben materieel bevoegd waren om namens Jeugdzorg dergelijke besluiten te nemen. Omdat aan deze bevoegdheid geen schriftelijk mandaat noch enige mandaatregeling ten grondslag heeft gelegen, zijn de indicatiebesluiten in formele zin echter onbevoegd genomen. Het hof is van oordeel dat de indicatiebesluiten met toepassing van artikel 6:22 Awb in stand gelaten kunnen worden, nu de belanghebbenden niet zijn benadeeld door het aan de indicatiebesluiten klevende gebrek (vgl. Hoge Raad 19 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2001:ZC3635). Het hof overweegt daartoe dat gesteld nog gebleken is dat de indicatiebesluiten niet van Jeugdzorg afkomstig zouden zijn, noch dat zij niet door medewerkers van Jeugdzorg zouden zijn ondertekend. Anders dan de (stief)vader, is het hof niet van oordeel dat het feit dat de indicatiebesluiten niet zijn ondertekend door een daartoe gemandateerde medewerker tot de conclusie zou moeten leiden dat de inhoud van de besluiten op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De conceptbesluiten zijn beoordeeld en akkoord bevonden door drie verschillende Jeugdzorgmedewerkers – waaronder de teammanager en een gedragsdeskundige – alvorens de besluiten definitief zijn opgemaakt en tot ondertekening is overgegaan. Naar het oordeel van het hof is deze toetsingsprocedure door voldoende waarborgen omgeven om te kunnen spreken van een zorgvuldige besluitvorming, zodat de belanghebbenden niet zijn benadeeld en het besluit in stand kan worden gelaten.

11.

Ten overvloede overweegt het hof dat het op de weg van Jeugdzorg ligt om (op zeer korte termijn) een deugdelijke mandaatregeling op te stellen.

12.

Het hof stelt voorts vast dat in de door Jeugdzorg overgelegde indicatiebesluiten de duur van de aanspraak die de minderjarigen kunnen maken op de geïndiceerde zorg is opgenomen en dat de duur van deze aanspraken steeds een jaar bedraagt. Het hof stelt voorts vast dat uit het systeem van de wet volgt dat deze aanspraken slechts gelden indien een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing is uitgesproken en dat de aanspraak derhalve binnen de daarvoor geldende termijn verzilverd dienen te worden. Voor zover de moeder betoogt dat door Jeugdzorg enkel conceptbesluiten zijn overgelegd, overweegt het hof dat in de Plannen van Aanpak en indicatiebesluiten weliswaar is aangegeven door wie de concepten daarvan zijn gezien en akkoord bevonden, maar dat zulks niet betekent dat de besluiten vervolgens niet definitief gemaakt zijn. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de indicatiebesluiten aan de wettelijke vereisten voldoen en dat daarmee is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor de inmenging in het gezinsleven zoals beschreven in artikel 8, tweede lid, EVRM, zodat in zoverre geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM.

13.

Het hof gaat voorbij aan de principiële bezwaren die de (stief)vader tegen de indicatiebesluiten heeft geformuleerd, nu uit (het systeem van) de wet niet volgt dat het indicatiebesluit, het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling niet in één document samen gevoegd zouden mogen worden. Dat een dergelijke samenvoeging gelet op het doel van de verschillende documenten wellicht onwenselijk is, doet daaraan niet af.

De uithuisplaatsing

14.

De moeder voert het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door Yulius naar de mogelijkheden van hereniging met de ouders gecontinueerd moet worden. Uit de psychologische onderzoeken van de moeder en haar partner blijkt dat zij normaal functioneren. Het IQ, de opvoedingsvaardigheden, de mate van emotionele stabiliteit en het functioneren van de moeder zijn gemiddeld. Er komt niets negatiefs uit het onderzoek naar voren, enkel dat de moeder vanwege een gebrekkige jeugd zelf duidelijke regels en een strakke opvoeding hanteert, maar dat moet ook wel met zoveel kinderen. Nu uit de persoonlijkheidsonderzoeken geen reden voor behandeling blijkt, stelt de moeder dat Jeugdzorg ten onrechte als voorwaarde voor thuisplaatsing stelt dat de moeder en de (stief)vader behandeld worden. De moeder stelt dat Jeugdzorg de zaak traineert. Daarom bepleit de moeder een ambulante gezinsbehandeling waarbij de minderjarigen alvast bij haar en haar partner verblijven. De moeder betwist dat de omgang niet goed zou verlopen en zij wijst erop dat zij beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke aanwijzingen waarin de omgang is beperkt, zodat aan de uitspraken van Jeugdzorg te dien aanzien geen waarde gehecht kan worden.

15.

De (stief)vader voert het volgende aan. Jeugdzorg laat zich – mede als gevolg van de gebrekkige planmatige werkwijze en het daaruit voortvloeiende gebrek aan overzicht en structuur in de hulpverlening – vooral leiden door het verleden en kijkt onvoldoende naar de situatie nu. De situatie is thans veilig genoeg, hetgeen ook wordt onderstreept door het psychologisch rapport over de (stief)vader. Ook het KSCD is positief over de (stief)vader in relatie tot de minderjarigen. De door Jeugdzorg geformuleerde zorgen zijn vooral gebaseerd op indrukken en de zorgen zijn niet zeer ernstig, in ieder geval niet zo ernstig dat een machtiging uithuisplaatsing het geëigende middel is. De (stief)vader voert voorts aan dat in het verleden is gebleken dat de hulpverlening succesvol is geweest, nu eerdere kinderbeschermingsmaatregelen zijn afgesloten en nieuwe verzoeken zijn afgewezen. In het KSCD wordt geadviseerd de ouders hulp te bieden, maar enkel in de vorm van een dagbehandeling. Dat betekent juridisch gezien dat een machtiging uithuisplaatsing niet mag worden gegeven, omdat er een minder ingrijpende maatregel voorhanden is. De (stief)vader realiseert zich dat hulp nodig is, en hij is bereid hulpverlening te accepteren. Echter niet in het kader van een uithuisplaatsing, nu deze maatregel veel te ver gaat.

16.

Jeugdzorg verweert zich daartegen als volgt. De minderjarigen zijn bij deze ouders fysiek en mentaal niet veilig, zo blijkt ook uit het rapport van het KSCD. Door de zeer onveilige opvoedingssituatie en doordat de ouders aangeven geen hulpvraag te hebben, is ambulante hulpverlening niet mogelijk. Ook Yulius heeft geconstateerd dat de ouders geen reflecterend vermogen hebben, de problemen buiten zichzelf leggen en geen hulpvraag hebben, zodat de kans op een succesvol gezinsherenigingstraject op dit moment klein is. Een gezinsopname en/of intensieve dagbehandeling is echter noodzakelijk om de veiligheid van de minderjarigen te kunnen waarborgen en het disfunctionele gezinspatroon te doorbreken. Tijdens de behandeling moet worden bezien of de ouders in staat zijn met hulpverlening een stabiel, voorspelbaar, affectief ondersteunend opvoedingsklimaat te creëren dat tegemoetkomt aan de specifieke behoeften van de minderjarigen. Met Yulius is Jeugdzorg echter van oordeel dat de ouders eerst aan zichzelf moeten werken – door middel van therapie bij de Viersprong – alvorens van een gezinsopname sprake zal kunnen zijn.

17.

Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, BW slechts kan worden verleend respectievelijk verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261, eerste lid, van het BW, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen en of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

18.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot haar oordeel is gekomen en neemt deze gronden over. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die maken dat het hof tot een ander oordeel komt. Zoals het hof reeds bij beschikking van
26 maart 2014 heeft overwogen, komen ernstige zorgpunten uit het rapport van het KSCD naar voren. Zo geven de minderjarigen signalen af van onvoldoende veiligheid in de gezinssituatie bij de ouders, hebben de moeder en de (stief)vader weinig inzicht in het effect van hun opvoedingswijze op de ontwikkeling van de minderjarigen en geven de moeder en de (stief)vader beperkt openheid naar de hulpverlening en verlenen zij onvoldoende hun medewerking hieraan waardoor hulpverlening nauwelijks kan doordringen en de zorgelijke situatie onveranderd blijft. Gelet op de grote zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen, die reeds al vele jaren bestaan en tot op heden onvoldoende zijn afgewend, en de ernstige zorgen over de opvoedingssituatie waarin de eigen problematiek van de ouders een rol speelt, sluit het hof zich aan bij de aanbevelingen van het KSCD en staat het hof achter de door Jeugdzorg geïnitieerde gezinsopname bij Yulius en de daaraan door Yulius gestelde voorwaarden. Naar het oordeel van het hof is de uithuisplaatsing van de minderjarigen dan ook nog immer noodzakelijk, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

19.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Van den Wildenberg en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2014.