Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:310

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
200.098.942-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lot reconventionele vordering (gefixeerde schadevergoeding) ingesteld door de werkgever, nadat de werknemer op staande voet ontslagen is en werknemer tegen dat ontslag opkomt en doorbetaling van loon vordert.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 680
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/139
AR-Updates.nl 2014-0372
TvPP 2014, afl. 3, p. 96
AR 2014/214
RAR 2014/113
TRA 2014/55
JAR 2014/139

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.098.942/01

Rolnummer rechtbank : 1091714 \ CV EXPL 11-8004

Arrest van 25 februari 2014

inzake

De Coöperatie Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland U.A.,

gevestigd te Aalsmeer,

appellante,

hierna te noemen: Floraholland,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen

[naam],

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [woonplaats],

advocaat: mr. J.L. Plokker te Den Haag.

Het geding

1.

Op 24 januari 2012 is tussen partijen in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Van het ter comparitie verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. De comparitie heeft niet geleid tot een regeling van het tussen partijen bestaande geschil, waarna Floraholland een memorie van grieven (met producties) genomen heeft met daarin opgenomen vijf grieven. [woonplaats] heeft die grieven alle bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben partijen nog schriftelijk gepleit.

Arrest wordt gewezen op de stukken die het hof in verband met het (uiteindelijk niet gehouden) mondeling pleidooi zijn toegezonden.

Beoordeling van het hoger beroep

2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan. Het hof zal van die feiten uitgaan. Samengevat gaat het om het volgende.

- [woonplaats], geboren op [geboortedatum], is op 24 juli 1991 voor onbepaalde tijd bij

Floraholland in dienst getreden in de functie van distributiemedewerker dit voor 21,29 uur

per week. Het laatst verdiende salaris bedroeg € 1.214,96 bruto per maand (excl.

vakantietoeslag).

- Op de arbeidsrelatie van partijen was de CAO FloraHolland van toepassing. Artikel 7, lid 2

van die CAO bevat de volgende bepaling: “De werknemer onthoudt zich, op straffe van

ontslag, tijdens de dienst van het gebruik van alcoholhoudende drank en drugs. De

werknemer vangt de dienst aan zonder onder invloed van bovengenoemde middelen te zijn.

(…).

- Binnen Floraholland geldt een (ook [woonplaats] ter hand gesteld) “Alcohol en

Drugsprotocol” (hierna: het Protocol). Artikel 3 van het Protocol verwijst naar genoemd

art. 7, lid 2 van genoemde CAO. Onder artikel 5.2 van het Protocol is het sanctiebeleid

opgenomen. Wordt gebruik (waaronder moet worden begrepen het onder invloed zijn) van

alcohol geconstateerd, dan volgt de eerste keer een officiële waarschuwing, de tweede keer

een laatste officiële waarschuwing en de derde keer, binnen twee jaar na de laatste

(officiële) waarschuwing, schorsing en ontslagaanzegging op staande voet.

- Op 10 november 2008 heeft [woonplaats] volgens het Protocol een officiële waarschuwing

gekregen voor het onder invloed van alcohol op het werk verschijnen. Op 1 september

2009 is [woonplaats] andermaal onder invloed op het werk verschenen. Bij/voor die

gelegenheid ontving hij een laatste officiële waarschuwing.

- Op 26 april 2011 is rond 10.00 in de ochtend geconstateerd dat [woonplaats] onder invloed

van alcohol verkeerde. Bij alcoholmeting door de bedrijfsbeveiliging is een promillage van

meer dan 0,5 promille (het maximaal toegelaten promillage) geconstateerd. [woonplaats] is

vervolgens op non-actief gesteld.

- Op 27 april 2011 is [woonplaats] in een gesprek met de afdelingsmanager en de HRM

Adviseur op staande voet ontslagen. Het ontslag is bevestigd bij brief van 27 april 2011.

- De arbeidsovereenkomst van partijen is door de kantonrechter te Delft “voorwaardelijk”

ontbonden per 21 juli 2011, onder toekenning aan [woonplaats] van een bedrag van € 6.000,-

3.

Tegen de achtergrond van voormelde feiten vorderde [woonplaats] in eerste aanleg verklaring voor recht dat het hem op 27 april 2011 gegeven ontslag op staande voet nietig is, doorbetaling van het hem toekomende loon vanaf 27 april 2011 tot 21 juli 2011, alles vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en veroordeling van Floraholland in de kosten van de procedure. In reconventie vorderde Floraholland een bedrag groot € 1.214,96 aan gefixeerde schadevergoeding.

4.

De kantonrechter heeft in conventie de vordering van [woonplaats] integraal toegewezen. De vordering in reconventie is door de kantonrechter, onder veroordeling van Floraholland in de kosten op de reconventie gevallen, afgewezen.

5.

Floraholland kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen. In hoger beroep vordert zij vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2011 met afwijzing van de vordering van [woonplaats] zoals ingesteld bij de inleidende dagvaarding van 27 juli 2011 en toewijzing van de vordering in reconventie. De in het kader van het hoger beroep opgeworpen grieven samen nemend, overweegt het hof het volgende.

6.

Vaststaat dat [woonplaats] in de ochtend van 26 april 2011, zo rond 10.00 uur, relevant onder invloed verkeerde van alcohol houdende drank. De kantonrechter heeft in het vonnis van 17 november 2011 als feit vastgesteld dat het daarbij ging om een alcoholpromillage van meer dan 0,5 promille. [woonplaats] heeft een en ander niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ter comparitie van 10 april 2012 is zijdens [woonplaats] ook opgemerkt dat [woonplaats] niet ontkent wat er gebeurd is. Dit “alcoholvoorval” van 26 april 2011 vond plaats binnen twee jaar na een eerdere constatering van het zijn onder invloed op het werk (te weten: 1 september 2009). Bij die gelegenheid was [woonplaats] een laatste officiële waarschuwing gegeven. Volgens het [woonplaats] bekend zijnde Protocol volgt in zo’n geval (na de laatste officiële waarschuwing) schorsing en ontslag op staande voet.

7.

Hetgeen is voorgevallen op 26 april 2011 draagt bepaald elementen in zich die relevant zijn voor een ontslag op staande voet. De regelgeving waar Floraholland op terug valt is streng, maar ingegeven met het oog op de drukte/hectiek op de werkvloer bij Floraholland en het feit dat daar met voertuigen wordt gereden. Het onder invloed zijn van alcohol vermindert het reactievermogen en kan bij (onder meer: rijdend) materieel zoals op de werkvloer van Floraholland gebruikt en waarop/waarmee [woonplaats] ook werkzaam was, tot ongevallen met grote gevolgen leiden, zowel lichamelijk als financieel.

De veiligheid, de bescherming van lijf en goed, rechtvaardigt zeker een strakke handhaving.

8.

Bij het beoordelen van de dringendheid van een gegeven ontslag op staande voet moeten echter alle omstandigheden van het geval, zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren, naast de ernst van de verweten gedraging ook in beschouwing te worden genomen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd van [woonplaats], het gegeven dat hij al 20 jaar bij Floraholland in dienst was, daar steeds goed gefunctioneerd heeft en nimmer betrokken is geweest bij een veiligheidsincident.

Voorts dient/dienen te worden meegenomen de financieel benarde positie waarin [woonplaats] door het ontslag terecht komt en/of de negatieve inkomensgevolgen die het ontslag op staande voet voor [woonplaats] heeft, mede gelet op het feit dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is.

Na het op 26 april 2011 gegeven ontslag ingetreden omstandigheden kunnen - alleen - in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag kan worden verwacht. In dat verband kon Floraholland ten tijde van het ontslag op staande voet verwachten dat, gegeven de persoonlijke omstandigheden van [woonplaats], het in een eventuele procedure instellen van een vordering in reconventie ex art. 7:677, lid 3 j° lid 4 BW een omstandigheid is die dient te worden meegewogen bij de vraag of van een terecht gegeven ontslag op staande voet sprake is, dit gegeven de financiële consequenties welke een dergelijke vordering voor [woonplaats] kon hebben.

9.

Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Doel van die comparitie is om met partijen onder meer het gewicht van de reconventionele vordering te bespreken, dit in het licht van de afweging als hiervoor onder 8. besproken. Toewijzing van de reconventionele vordering zou [woonplaats] verder in de financiële problemen brengen. [woonplaats] stelt in dat verband ook dat hij al ernstig genoeg gestraft is door het ontslag op staande voet en dat het voor hem om die reden “onbegrijpelijk is dat FloraHolland daarnaast nog aanspraak wil maken op financiële compensatie terwijl zij weet dat hij is aangewezen op een uitkering op minimumniveau.”

10.

Met het oog op de te houden comparitie van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

Beslissing

Het hof:

  • -

    beveelt partijen in persoon, als het om een rechtspersoon gaat, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. S.R. Mellema in één der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op dinsdag 8 april 2014 om 10.00 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden april tot en met juni van 2014 opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor de comparitie niet nodig is;

  • -

    bepaalt dat partijen de in dit arrest eventueel opgevraagde overige stukken binnen veertien dagen na heden in kopie zullen zenden aan de griffie handel van dit hof en naar de wederpartij;

  • -

    bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie in kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, H.M. Wattendorff en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2014 in aanwezigheid van de griffier.