Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3094

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
200.118.867-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad; uitzondering op gesloten stelsel?; WOTS/VOGP; voortzetting executie of omzetting? detentieongeschiktheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.118.867/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 429230 / KG ZA 12-1138

Arrest d.d. 15 juli 2014

inzake

[appellant],

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de Penitentiaire Inrichting [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. D.M. Penn te Maastricht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 14 december 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 november 2012, aangevuld bij vonnis van 21 december 2012, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel, in kort geding tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] acht grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Partijen hebben hun zaak door hun advocaten doen bepleiten op 23 juni 2014, beiden aan de hand van pleitnotities. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte is arrest gevraagd. Arrest wordt gewezen op basis van het ten behoeve van het pleidooi overgelegde, en tijdens het pleidooi aangevulde dossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Partijen zijn niet opgekomen tegen de in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.10 vermelde feiten. Met inachtneming daarvan en van hetgeen partijen in appel onweersproken hebben aangevoerd, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1.

Op 29 november 2010 is [appellant] in Noorwegen wegens betrokkenheid bij – kort samengevat – de invoer van drugs, strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden. Dit vonnis is op 4 april 2011 in hoger beroep bekrachtigd en is thans onherroepelijk.

1.2.

Op 16 juni 2011 heeft [appellant] een instemmingsverklaring getekend (getiteld “transfer of sentenced persons declaration”). In deze verklaring staat aangekruist dat [appellant] instemt met overbrenging naar Nederland (“for the enforcement of my sentence”) en dat hij informatie (“Information regarding transfer of sentenced persons”) heeft ontvangen met betrekking tot de wetgeving betreffende zijn overbrenging naar Nederland en de juridische gevolgen hiervan.

1.3.

Op 6 juli 2011 hebben de Noorse autoriteiten bij de Staat een verzoek ingediend om [appellant] de aan hem opgelegde gevangenisstraf in Nederland te laten ondergaan. In het verzoek van de Noorse autoriteiten staat – voor zover hier relevant – het volgende vermeld

“(…) Based on the above-given information, the Norwegian Ministry of Justice and the Police hereby requests Dutch authorities to agree to a transfer in accordance with the provisions of the European Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983. The Ministry of Justice and the Police asks the sentence to be continued according to the procedure provided in Article 9.1(a) of the Convention. (…)”

1.4.

Op 22 september 2011 heeft de Staat op grond van artikel 43 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) de Bijzondere Kamer van het gerechtshof Arnhem verzocht advies uit te brengen over de overbrenging van [appellant] naar Nederland.

1.5.

Op 17 november 2011 heeft de Staat het IRC Rotterdam verzocht zorg te dragen voor de overbrenging van [appellant] en de tenuitvoerlegging in Nederland van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf te gelasten. In dit verzoek is – voor zover hier relevant – vermeld:

“(…) De bijzondere kamer van het Gerechtshof te Arnhem heeft mij bij advies van 14 november 2011 geadviseerd in te stemmen met de overbrenging van betrokkene.

In dit advies is door het Hof het volgende overwogen: betrokkene is in Noorwegen veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens – kort gezegd – het in vereniging invoeren van ongeveer 46 kilogram amfetamine, 61 kilogram hasj, 1,81 kilgram marihuana en 55 pillen bevattende metamfetamine. Het Hof is van oordeel dat de door het buitenlands gerecht aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf voor voormelde strafbare feiten, naar de maatstaven van het Nederlandse strafrechtsysteem zeer hoog is te achten. Uit de stukken blijkt verder in voldoende mate dat een overbrenging van veroordeelde naar Nederland in het belang van zijn reclassering is. Dit brengt met zich mee dat op het verzoek positief kan worden geadviseerd.

In verband met ziekte van de heer [appellant] heb ik per brief van heden de Noorse autoriteiten meegedeeld in te stemmen met hun verzoek om overname van de (verdere) tenuitvoerlegging van het Noorse vonnis.(…)”

1.6.

Op 24 november 2011 heeft het Arrondissementsparket Rotterdam de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan [appellant] door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf gelast.

1.7.

Op 21 december 2011 is [appellant] overgebracht naar Nederland.

1.8.

[appellant] heeft op 13 november 2011 een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over zijn berechting en veroordeling in Noorwegen. Deze klacht is op 20 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

1.9.

Tevens heeft [appellant] aangifte gedaan tegen de Noorse staat en heropening van zijn strafzaak gevraagd.

1.10.

Op 7 november 2012 heeft de medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen onder meer het volgende gemaild aan de advocaat van de Staat:

“(…) Het blijkt, dat de lichamelijke klachten van dhr. [appellant] binnen detentie goed behandeld kunnen worden. Hij krijgt langdurig fysiotherapie en daardoor zijn de klachten in ieder geval zodanig verbeterd, dat gebruikmaking van een rolstoel niet meer nodig is, hoewel patiënt nog wel pijnklachten aangeeft.

Voor wat betreft de hartproblematiek heeft patiënt verdere diagnostiek en behandeling in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) een aantal malen geweigerd, in verband met sociale omstandigheden (de door Dienst Vervoer & Ondersteuning, DV&O, ingestelde regel dat uit veiligheidsoverwegingen niet vóór een ziekenhuisafspraak de datum aan betrokkene bekend mag zijn en patiënt dus ook geen contact kan opnemen met zijn dochter om te vertellen dat hij naar het LUMC gaat).

(…)

De behandeling van het hartprobleem van patiënt kan in ieder geval verantwoord vanuit detentie plaatsvinden, mits hij toestemming geeft voor deze behandeling.

(…)

Conclusie: betrokkene is detentiegeschikt, omdat de nodige medische zorg en begeleiding binnen detentie aan hem kan worden gegeven. (…)”

1.11.

Een korte tussenrapportage van de afdeling fysiotherapie van het Justitieel Medisch Centrum van 14 maart 2014 vermeldt onder meer het volgende:

“Zoals vermeld (…) is de heer [appellant] bij mij onderbehandeling i.v.m. chronische lage rugklachten en nekklachten.

De klachten nemen de laatste periode toe.

Het is niet reeel om aan te nemen dat de heer [appellant] tijdens de detentieperiode klachtenvrij zal zijn.

De heer [appellant] behandel ik op dit moment 2 keer per week.

Indien de frequentie naar 3 of 4 keer per week zou gaan, zal ik de heer [appellant] niet klachtenvrij krijgen.

Het is aannemelijk dat de klachten bij de heer [appellant] de komende tijd zullen toenemen.

De klachten aan het bewegingsapparaat zijn voor een groot deel toe te schrijven aan deze detentieperiode.”

1.12.

In het diagnostiekrapport van GZ psycholoog [psycholoog 1] van 21 april 2014 staat onder meer vermeld dat sprake is van PTSS-klachten en dat [appellant] dagelijks wordt gehinderd door ingrijpende herinneringen aan de gebeurtenissen die zijn voorgevallen bij de arrestatie en de daarop volgende detentie in Noorwegen. Voorts vermeldt het rapport:

“Indien er geen juridische procedure loopt hoeft een behandeling in een detentieomgeving, terwijl de traumatische gebeurtenissen ook in detentie hebben plaatsgevonden, geen contra-indicatie te zijn. (…)

De omgeving waarin de behandeling plaatsvindt, zal voor betrokkene veilig moeten zijn. Althans, het gevaar dat het trauma dagelijks weer opnieuw zal plaatsvinden moet afwezig zijn. De vraag is echter ook of dit wel een geschikte behandelomgeving is voor betrokkene. Hij verblijft onvrijwillig in het PPC en heeft niet gekozen voor deze behandelomgeving. In hoeverre kan betrokkene zich hier openstellen voor een behandeling? Er zal bekeken moeten worden of een andere omgeving geboden kan worden, waarin de noodzaak tot behandeling ten uitvoer kan worden gebracht. (…) Betrokkene zegt open te staan voor een traumabehandeling, maar niet in deze omgeving. Hij geeft aan dit wel in een kliniek te willen vanwege de gedachte dat het daar aangenamer is, omdat je daar niet steeds geconfronteerd wordt met het gedetineerd zijn.”

1.13.

Mevrouw drs. [psycholoog 2], behandelcoördinator/GZ psycholoog bij de PI [plaats], vestiging Scheveningen, heeft 19 mei 2014 onder meer het volgende geschreven, in antwoord op vragen van de advocaat van [appellant]:

“(….) er zijn binnen het PPC zowel psychiatrische als psychologische behandelmogelijkheden, b.v. medicamenteuze behandeling en psychotherapie gericht op b.v. depressie, traumaverwerking en persoonlijkheidsproblematiek. Betrokkene werkt mee aan de psychologische behandelingen die hem zijn aangeboden. De effectiviteit van deze behandelingen is tot op heden niet groot gebleken.”

En in antwoord op de vraag of het klopt dat medicatie de problemen van [appellant] niet oplost: “in psychiatrische zin is dat op dit moment niet proefondervindelijk vast te stellen omdat betrokkene medicatie weigert. Er is wel een grote kans dat betrokkene baat zou hebben bij medicatie ter vermindering van depressieve klachten (…).”

En voorts: “(…) de behandeling van betrokkene is door de overplaatsing niet gewijzigd, hij heeft dezelfde behandelaars die hem dezelfde behandeling aanbieden. (…)

Alle meetinstrumenten laten een toename van klachten zien in vergelijking met (…) nov-dec 2013 (…). De depressieve klachten zijn ook toegenomen maar de klachten zijn veel waarschijnlijker te verklaren en meer passend bij een PTSS beeld. (…)

Een plaatsing in een FPK is als optie besproken tijdens een overleg over de situatie van betrokkene. In het algemeen kan een plaatsing echter pas plaats vinden gedurende de laatste 12-24 maanden voor de v.i.-datum, mits daarvoor voldoende indicaties zijn op behandelgebied. (…) Duidelijk is wel dat er een noodzaak voor behandeling is en bij betrokkene motivatie voor behandeling buiten de detentiesituatie. (…)

(…) dan wil ik aangeven dat er geen contraindicatie is voor een traumabehandeling in detentie bij trauma’s die in detentie zijn opgelopen, hoewel dit uiteraard wel meer inzet vraagt en lastiger is. (….)”

1.14.

In het dossier bevindt zich ook een indicatiestelling van begin juni 2014, opgesteld door mevrouw Van Baer voornoemd, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

Bij “motivatie cliënt”: “Betrokkene beseft dat behandeling noodzakelijk is en hij wil dat ook graag, alleen niet in detentie omdat de detentiesituatie hem dagelijks herinnert aan traumatische ervaringen en hij zich daardoor onveilig voelt.”.

Bij “inschatting benodigde zorg”: “Klinische setting zoals een FPK”.

Bij “vraagstelling”: “Behandeling van ernstige PTSS klachten, opgedaan tijdens de detentie in Noorwegen. In het PPC zal een behandeling niet gaan lukken omdat betrokkene daartoe vanwege de detentieomgeving niet is gemotiveerd. (…) De omgeving waarin de behandeling plaats moet vinden, moet voor betrokkene in ieder geval veilig zijn en dat is het PPC op dit moment niet. Hij kan zich hier niet openstellen voor een behandeling.”.

2.

[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om hem binnen zeven dagen na betekening van het vonnis in vrijheid te stellen.

3.

De rechtbank heeft de vordering bij het bestreden vonnis afgewezen.

4.

Met grieven 1, 2 en 5 tot en met 7 betoogt [appellant], kort samengevat, dat de Noorse veroordeling in strijd met fundamentele mensenrechten tot stand is gekomen. Volgens [appellant] hadden de in het Noorse arrest vermelden feiten in Nederland nimmer tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Met grieven 3 en 4 voert [appellant] aan dat de procedure van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) in deze zaak onjuist is toegepast. [appellant] stelt dat hij ten onrechte niet voor een officier van justitie is geleid, waardoor hij in strijd met de fundamentele mensenrechten niet in staat is geweest zijn standpunt uit te dragen. Voorts voert [appellant] aan dat hij nooit heeft ingestemd met overbrenging met het oog op voortgezette tenuitvoerlegging, integendeel, hij zou er op grond van aan hem gegeven informatie vanuit zijn gegaan dat zijn straf zou worden omgezet in een straf naar Nederlandse maatstaven. Volgens [appellant] stond het de Staat ook vrij dat te doen en had de Staat dit op grond van het destijds geldende beleid ook moeten doen. Grief 8, tot slot, is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] niet detentieongeschikt is.

5.

Het hof stelt bij zijn beoordeling van de grieven voorop dat een veroordelende beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Dit geldt ook indien de tenuitvoerlegging op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) is overgenomen. Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dat een veroordeelde de gelegenheid zou hebben langs de weg van een vordering tegen de Staat op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek de juistheid van de beslissing van de strafrechter of de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot de beslissing heeft geleid, tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de burgerlijke rechter te doen toetsen. Op voormelde regel dat een onherroepelijke beslissing moet worden ten uitvoer gelegd kan slechts een uitzondering worden aanvaard indien (i) een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met fundamentele mensenrechten, dan wel (ii) ingeval door de wijze van executie een zodanige schending van fundamentele mensenrechten dreigt te ontstaan, dat onverkorte tenuitvoerlegging niet meer kan worden beschouwd als krachtens het wettelijke stelsel toegelaten. Daarnaast is een uitzondering op de executieplicht mogelijk (iii) voor zover de wet daartoe een grondslag biedt.

6.

Dat dit laatste (uitzondering sub (iii)) zich voordoet is gesteld noch gebleken. Evenmin is sprake van de onder (i) bedoelde uitzondering. De klacht van [appellant] bij het EHRM is immers niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee valt reeds het doek voor grieven 1, 2 en 5 tot en met 7. Hoezeer [appellant] dit ook graag anders zou willen zien, het staat de Nederlandse rechter bij deze stand van zaken niet vrij om het werk van de Noorse strafrechter te beoordelen, laat staan over te doen. Behoudens de vraag of zich in dit geval de hierboven bedoelde uitzondering sub (ii) voordoet – deze vraag komt hierna aan de orde bij de bespreking van grief 8 (beroep op detentieongeschiktheid) – geldt dan ook de onder 5 genoemde hoofdregel dat een onherroepelijke veroordeling ten uitvoer moet worden gelegd. Hieraan doet niet af het feit dat [appellant] in Noorwegen om heropening van de zaak heeft verzocht, reeds omdat geen grief is gericht tegen r.o. 3.5. van het bestreden vonnis, waarin is overwogen dat dit gegeven geen grond is voor invrijheidsstelling of opschorting/schorsing van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf. Overigens acht het hof dit oordeel van de voorzieningenrechter ook juist.

7.

De grieven 3 en 4 stellen de vraag aan de orde of de Staat een omzettingsprocedure in Nederland had moeten entameren en of hij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door dit niet te doen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.

7.1.

Anders dan [appellant] en met de Staat is het hof van oordeel dat uit de formulering van het verzoek van de Noorse autoriteiten (zie hierboven onder 1.3.: “…asks the sentence to be continued according to the procedure provided in Article 9.1(a) of the Convention”) blijkt dat de Noorse autoriteiten expliciet verzochten om voortzetting van de tenuitvoerlegging. Artikel 9 lid 1 sub a van het VOGP verwijst immers expliciet naar artikel 10, dat ziet op de voortgezette tenuitvoerlegging. Als de Noorse autoriteiten het oog hadden gehad op omzetting, althans die mogelijkheid open hadden willen laten, dan zouden zij logischerwijs hebben verwezen naar artikel 9 lid 1 sub b van het VOGP, in samenhang met artikel 11 van dat verdrag, dat specifiek betrekking heeft op de omzettingsprocedure. [appellant] heeft in dit verband nog gewezen op het tweede lid van artikel 10 van het VOGP waarin onder meer staat: “If, however, this sentence is by its nature or duration incompatible with the law of the administering State, or its law so requires, that State may, by a court or administrative order, adapt the sanction to the punishment or measure prescribed by its own law for a similar offence”. Volgens [appellant] is de in Noorwegen opgelegde straf van twaalf jaar en zes maanden hoger dan het in Nederland geldende strafmaximum van twaalf jaar en is de duur van die straf dus “incompatible with the law” van Nederland. De Staat heeft dit gemotiveerd weersproken en uit het onder 1.5. vermelde verzoek kan (indirect) worden afgeleid dat de bijzondere kamer van het hof te Arnhem evenmin van oordeel is dat sprake is van strijd met de Nederlandse strafwet. Wat daar echter ook van zij, de in lid 2 van artikel 10 van het VOGP bedoelde aanpassing is niet hetzelfde als de door [appellant] gewenste omzetting en in elk geval vormt de gestelde toepasselijkheid van deze bepaling geen grond voor toewijzing in kort geding van de vordering tot invrijheidsstelling wegens het ontbreken van een spoedeisend belang (ook indien zou moeten worden uitgegaan van een strafmaat van twaalf jaar, zou dit immers niet tot invrijheidstelling op korte termijn leiden).

Zonder een daartoe strekkend verzoek uit Noorwegen, althans zonder instemming van Noorse zijde, stond het de Staat dan ook niet vrij in Nederland een omzettingsprocedure te entameren. Dat omzetting volgens het vóór oktober 2011 geldende beleid de hoofdregel (dat wil zeggen de bij voorkeur gevolgde procedure) was doet daaraan niet af; dit neemt immers niet weg dat instemming van de veroordelende staat vereist is.

7.2.

De stelling van [appellant] dat hij niet met voortgezette tenuitvoerlegging heeft ingestemd en dat de schriftelijke informatie die hem naar eigen zeggen in Noorwegen was verstrekt (bijlage 1 bij de brief van 20 juni 2014 ten behoeve van het pleidooi) omzetting ook niet uitsloot, doet aan het voorgaande evenmin af. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, is het de staat van veroordeling (in dit geval dus Noorwegen) die verplicht is om zich ervan te vergewissen dat de betrokken persoon instemt met overbrenging en zich bewust is van de consequenties daarvan (artikel 7 VOGP). De Staat mocht ervan uitgaan dat Noorwegen deze plicht was nagekomen; dat de Staat dit niet mocht is althans onvoldoende onderbouwd. Overigens blijkt uit de onder 1.2. vermelde verklaring dat [appellant] instemde met overbrenging naar Nederland in verband met zijn slechte gezondheid en zijn wens zijn in Nederland wonende dochter vaker te zien. Met name gezien dit laatste is niet aannemelijk dat [appellant] niet zou hebben ingestemd met overbrenging met het oog op voortgezette tenuitvoerlegging indien het alternatief zou zijn geweest dat hij in Noorwegen had moeten blijven.

7.3.

[appellant] heeft ook nog aangevoerd dat hij ten onrechte niet voor de officier van justitie is geleid. Daargelaten de vraag of dit een vereiste was (uit de door [appellant] ten behoeve van het pleidooi overgelegde brieven van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie blijkt dat deze dienst van mening is dat dit niet het geval was), kan een eventuele omissie op dit punt in elk geval niet tot invrijheidstelling leiden.

7.4.

Uit het voorgaande vloeit voort dat ook grieven 3 en 4 falen.

8.

Aldus resteert grief 8, welke grief aan de orde stelt of [appellant] detentieongeschikt is. Van detentieongeschiktheid is eerst sprake als de in het concrete geval benodigde zorg niet in de penitentiaire inrichting kan worden gegeven. Het is aan [appellant] om voldoende aannemelijk te maken dat de zorg die hij nodig heeft hem niet kan worden geboden en dat hij daarom niet geschikt is voor detentie. [appellant] is daarin niet geslaagd. Het hof overweegt als volgt.

8.1.

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt op zich afdoende dat [appellant] wezenlijke lichamelijke klachten heeft. Ten aanzien van deze klachten heeft de medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen in november 2012 echter expliciet verklaard dat de benodigde medische zorg en begeleiding binnen detentie aan [appellant] kan worden gegeven en [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie niet (langer) juist is. Dat de klachten aan het bewegingsapparaat voor een groot deel toe te schrijven zijn aan de detentie en de komende tijd waarschijnlijk zullen toenemen (meest recente berichtgeving van de afdeling fysiotherapie, zie r.o. 1.11.) is niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van detentieongeschiktheid zoals hierboven omschreven.

8.2.

Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat sprake is van ernstige, aan de aanhouding en detentie in Noorwegen gerelateerde PTSS-klachten en dat behandeling hiervoor noodzakelijk is. In het rapport van psycholoog [psycholoog 1] van april 2014 (r.o. 1.12) en de brief van behandelcoördinator/psycholoog [psycholoog 2] van 17 mei 2014 (r.o. 1.13) staat echter ook vermeld dat detentie hiervoor geen contra-indicatie behoeft te zijn, “hoewel dit uiteraard wel meer inzet vraagt en lastiger is”. Uit de door [psycholoog 2] opgestelde indicatiestelling van slechts een paar weken later valt niet af te leiden dat zij op deze conclusie is teruggekomen. Wel blijkt uit die indicatiestelling dat bij [appellant] de motivatie voor een behandeling binnen het PPC ontbreekt omdat het PPC op dit moment geen veilige omgeving voor hem is. Om die reden acht men overplaatsing naar een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) geïndiceerd. [appellant] heeft aangevoerd dat plaatsing in een FPK in het algemeen slechts aan de orde is in de laatste 12-24 maanden van de detentie. Wat daar echter ook van zij, er is onvoldoende grond om daarop vooruit te lopen. [appellant] dient eerst overplaatsing aan te vragen (voor zover dit niet al is gebeurd) en vervolgens is het aan de selectiefunctionaris om op deze aanvraag te beslissen. Mocht deze beslissing afwijzend zijn, dan kan [appellant] daartegen nog in beroep. Daargelaten de vraag of [appellant] zonder meer detentieongeschikt moet worden geacht indien plaatsing in een FPK niet tot de mogelijkheden zou blijken te behoren, voert het naar voorlopig oordeel van het hof in elk geval te ver om reeds nu aan te nemen dat de benodigde zorg in geen enkele penitentiaire inrichting gegeven kan worden.

8.3.

Ook grief 8 slaagt dus niet.

9.

De conclusie luidt dat het appel faalt. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN: BL1116)). Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. Op verzoek van de Staat zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat over die proceskostenvergoeding, bij gebrek aan betaling, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 19 november 2012, aangevuld bij vonnis van 21 december 2012;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 683,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.E. Honée en A.H. de Wild en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2014 in aanwezigheid van de griffier.