Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3093

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
200.107.176-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige onttrekking gelden door penningmeester? stelplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.107.176/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 366740 / HA ZA 10-3364

arrest d.d. 22 juli 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.S. Kamminga te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersonen

GEMEENTE DIRKSLAND,

zetelend te Dirksland,

GEMEENTE GOEDEREEDE,

zetelend te Goedereede,

GEMEENTE MIDDELHARNIS,

zetelend te Middelharnis,

GEMEENTE OOSTFLAKKEE,

zetelend te Oude-Tonge,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de gemeenten,

advocaat: mr. G.J. Helmig te Middelharnis.

Het geding

Bij exploot van 29 februari 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnis van 30 november 2011. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd tegen het vonnis. Bij memorie van antwoord hebben de gemeenten de grieven bestreden. Hierna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1.

Ter uitvoering van de artikelen 11 en 12 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hebben de gemeenten bij gelijkluidende verordeningen per 1 januari 2008 een gezamenlijke Wmo-adviesraad in het leven geroepen.

1.2.

In de hoedanigheid van penningmeester van die adviesraad heeft [appellant] een betaalrekening geopend en beheerd. De gemeenten hebben ieder jaarlijks € 5.000,- op deze rekening gestort. [appellant] was zelfstandig beschikkingsbevoegd.

1.3.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over opnames en betalingen die [appellant] ten laste van de betaalrekening heeft gedaan in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 mei 2010.

2.

De gemeenten vorderen in dit geding de veroordeling van [appellant] tot primair betaling van € 55.654,29 met wettelijke rente en subsidiair het afleggen van rekening en verantwoording, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling tot betaling van het bedrag ten aanzien waarvan geen deugdelijke verantwoording is afgelegd. Ook vorderen de gemeenten vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Zij leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [appellant] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekortgeschoten is in zijn verplichtingen als penningmeester. Volgens de gemeenten is sprake van verduistering en/of oplichting door [appellant], doordat hij gelden aan de betaalrekening heeft onttrokken voor privédoeleinden (o.a. betalingen van brandstof, sigaretten, drank, kleding, schoenen en horeca, alsmede betalingen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau) en daaromtrent geen afdoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. De gemeenten hebben ter onderbouwing een overzicht overgelegd, waarop alle mutaties ten aanzien van de betaalrekening staan vermeld (prod. 6 bij dagvaarding). Dit overzicht bevat een kolom met het kopje “dispositie” (totaalbedrag € 36.588,98) en een kolom met het kopje “vraagposten” (totaalbedrag € 19.065,31) die volgens de gemeenten allebei betalingen en opnames betreffen die duiden op privédoeleinden en die volgens hen niets met de WMO-adviesraad te maken hebben.

3.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank Rotterdam de primaire vordering toegewezen. [appellant] is veroordeeld tot betaling aan de gemeenten van een bedrag van € 55.654,29, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2010. [appellant] is tevens veroordeeld in de proceskosten.

Gemeenten niet-ontvankelijk? Grief 1

4.

Met de eerste grief betoogt [appellant] dat de rechtbank de gemeenten niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij hetzelfde resultaat (terugvordering van de gelden) langs bestuursrechtelijke weg (hadden) kunnen bereiken. [appellant] voert hiertoe aan dat de jaarlijkse stortingen van € 5.000,- (zie hierboven onder 1.2.) zijn aan te merken als subsidie in de zin van titel 4.2. Awb en dat in deze titel ook bepalingen zijn opgenomen over de terugvordering van verstrekte subsidies. Zoals de gemeenten echter terecht opmerken, vorderen zij in dit geding niet subsidiebedragen terug van de WMO-adviesraad. Hun vorderingen strekken ertoe dat [appellant] als privépersoon wordt veroordeeld tot terugbetaling van de gelden die hij voor privédoeleinden aan de betaalrekening van de adviesraad heeft onttrokken. Niet valt in te zien hoe de gemeenten dit resultaat in een bestuursrechtelijke procedure zouden kunnen bereiken. De grief faalt.

Inhoudelijk: onrechtmatige daad/toerekenbare tekortkoming? Grief 2

5.

Grief 2 is gericht tegen rechtsoverweging 3.5., waarin de rechtbank overweegt dat zij geen aanleiding ziet om [appellant] in de gelegenheid te stellen aan de hand van stukken alsnog verantwoording af te leggen voor de gedane privéuitgaven. [appellant] voert aan dat hij in eerste aanleg uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden door middel van stukken én door middel van het horen van getuigen. Naar zijn mening mocht de rechtbank dit bewijsaanbod niet passeren, met name niet nu wat betreft een deel van het teruggevorderde bedrag (zie de kolom “vraagposten” ad € 19.065,31) zelfs voor de gemeenten niet duidelijk was dat dit bedrag niet ten goede is gekomen van de WMO-adviesraad.

6.

Voorop staat dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het [appellant] niet was toegestaan om gelden aan de betaalrekening te onttrekken voor privédoeleinden en dat op hem daarom een extra (zware) plicht rustte om over dergelijke onttrekkingen deugdelijk verantwoording af te leggen. Eveneens is niet bestreden dat de omschrijvingen van de betalingen en opnames die vermeld staan in de kolommen “dispositie” en “vraagposten” van het door de gemeenten overgelegde, gedetailleerde overzicht, duiden op privéuitgaven en dat door [appellant] niet is betwist dat hij deze betalingen/opnames heeft gedaan. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [appellant] om uitleg te verschaffen omtrent de diverse betalingen en opnames en om in elk geval de onderliggende stukken in het geding te brengen. Hij heeft dit echter noch in eerste aanleg noch in appel gedaan, hoewel hij daartoe ruimschoots in de gelegenheid is geweest (hierbij zij nog opgemerkt dat geen grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat vaststaat dat [appellant] de relevante stukken onder zich heeft). [appellant] heeft volstaan met de algemene stelling (in eerste aanleg; in appel is daaraan niets toegevoegd) dat hij alle bedragen die hij voor privédoeleinden aan de rekening heeft onttrokken steeds heeft terugbetaald en voorts dat hij alle rekeningen van de Wmo-raad heeft voldaan. In het licht van de op hem rustende (zware) plicht als hiervoor bedoeld, acht het hof dit (veel) te vaag. Dit klemt temeer nu [appellant] ter comparitie in eerste aanleg desgevraagd heeft verklaard dat het zou kunnen kloppen dat er in totaal (slechts) een bedrag van € 3.003,- is teruggestort in bedoelde periode. Hij heeft daaraan weliswaar toegevoegd dat er na mei 2010 nog meer geld is teruggestort, maar nog afgezien van het feit dat de gemeenten hebben verklaard dat dit niet mogelijk is omdat de rekening in mei 2010 is geblokkeerd, heeft [appellant] ook deze stelling niet nader onderbouwd. Het hof houdt het er dan ook voor dat niet méér dan € 3.003,- is teruggestort. In navolging van de rechtbank neemt het hof voorts aan dat dit bedrag reeds is verwerkt in het overzicht van de gemeenten. Voor zover [appellant] bedoelt te stellen dat het totale, door de gemeenten becijferde bedrag van € 55.654,29 in feite betrekking heeft op betalingsverplichtingen van de Wmo-adviesraad, ook al wijzen de omschrijvingen duidelijk op consumptieve bestedingen, heeft [appellant] deze stelling niet (voldoende) onderbouwd. De door [appellant] in het geding gebrachte begrotingen en jaarverslagen leggen in dit verband niet of nauwelijks gewicht in de schaal, reeds omdat de onderliggende stukken ontbreken. Bovendien is alleen de “werkrekening” over 2008 door een accountant goedgekeurd en is onduidelijk welke stukken de accountant in dat verband heeft kunnen inzien.

7.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat [appellant] voor een bedrag van in totaal € 55.654,29 betalingen en opnames voor privédoeleinden heeft gedaan, zonder hiervan iets terug te betalen. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe.

Ook grief 2 faalt.

Conclusie

8.

Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft dus in het licht van het voorgaande geen bespreking. De conclusie luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN: BL1116)). Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. Zoals gevorderd door de gemeenten zal voorts worden bepaald dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na betekening van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeenten begroot op € 666,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat [appellant] bij niet (volledige) betaling van deze bedragen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, E.F. Brinkman en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2014 in aanwezigheid van de griffier.