Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3089

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
200.101.863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak; diefstal auto; eisen aan bewijs van de diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.101.863/01

Zaaknummer rechtbank : 390620/ HA ZA 11-977

arrest van 7 oktober 2014

inzake

[appellant]

wonende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.G.M. Haase te Den Haag,

tegen

Unigarant N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Unigarant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 10 december 2014. Bij dat arrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zijn auto op 1 of 2 september 2009 in de Scheepersstraat te Den Haag is gestolen.

1.2 Daarop heeft [appellant] zichzelf als partij-getuige en zijn echtgenote en twee zwagers als getuigen doen horen. Het van dit getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de gedingstukken.

1.3 Unigarant heeft afgezien van contra-enquête.

1.4 [appellant] heeft een memorie na enquête genomen en daarbij nog enkele producties overgelegd.

1.5 Unigarant heeft een antwoordmemorie na enquête genomen.

1.6 Ter zitting van het hof van 15 september 2014 hebben partijen de zaak doen bepleiten voor een enkelvoudige kamer. Voorafgaand aan die zitting heeft Unigarant nog een nieuwe productie aan [appellant] en aan het hof toegezonden. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting verklaard die productie te hebben ontvangen en geen bezwaar te hebben tegen het in het geding brengen daarvan.

1.7 Het hof verleent akte van het in het geding brengen van de onder 1.6 bedoelde productie.

1.8 Ten slotte is arrest bepaald.

Verdere beoordeling in hoger beroep

2.

Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Het hof neemt hierbij ten eerste in aanmerking dat [appellant] tijdens het getuigenverhoor zijn verklaring meermalen wijzigde waardoor deze niet geloofwaardig overkomt. Zo antwoordde [appellant] op de vraag van de raadsheer-commissaris wanneer hij de twee sleutels die hij bij de aankoop van de auto ontving, aan de man van de verzekering had gegeven, dat dit was toen de diefstal had plaatsgevonden. Bij het voorlezen van die verklaring veranderde [appellant] dit; hij verklaarde toen dat hij niet de originele sleutels aan de verzekeraar had gegeven. Verder heeft [appellant] tijdens zijn verhoor zowel verklaard dat hij een kopie heeft gemaakt van de originele sleutels nádat het alarm dat hij op de originele sleutels had gemaakt was stuk gegaan, als dat hij eerst een kopie van de originele sleutels heeft gemaakt en er pas daarna kastjes voor het alarm op heeft gemaakt. Verder heeft [appellant] zowel verklaard dat hij met de kopiesleutels verder niets heeft gedaan, als dat hij het kastje van de originele sleutels eraf heeft gehaald en dat op de kopiesleutels heeft gezet. Op een vraag van zijn advocaat heeft hij vervolgens nog verklaard dat hij bezig was met het afvijlen of afschuren van de kopiesleutels omdat hij er andere kastjes op wilde zetten, maar dit uiteindelijk niet heeft gedaan.

3.

Ook buitengerechtelijk is namens [appellant] door zijn toenmalige advocate wisselend verklaard omtrent de vraag of de in eerste instantie door [appellant] verstrekte sleutels de originele waren. Het hof verwijst naar de brieven van mr. Kommer van 8 februari 2010 (productie 4B bij de inleidende dagvaarding), 10 juni 2010 (productie 4C bij de inleidende dagvaarding) en 21 juni 2010 (productie 4f bij de inleidende dagvaarding)

4.

Verder heeft [appellant] desgevraagd bij pleidooi in hoger beroep niet kunnen uitleggen waarom hij twee kopieën heeft gemaakt van de twee originele sleutels, waardoor hij dus in totaal vier exemplaren van de autosleutel bezat.

5.

De partijgetuigenverklaring van [appellant] kan bovendien niet, althans in onvoldoende mate dienen ter aanvulling of ondersteuning van ander, onvolledig bewijs. Ten aanzien van de kwestie van de sleutels heeft de echtgenote van [appellant], [echtgenote], verklaard niet meer te weten hoeveel sleutels erbij zaten toen haar man de auto kocht, dat zij ook weleens in de auto reed en dan één sleutel had met een kastje eraan en dat zij niet meer weet of het kastje vanaf het begin af aan op de sleutel zat. Geconfronteerd met de aan het proces-verbaal gehechte foto’s heeft deze getuige verklaard dat dit de sleutels waren waar zij mee reed totdat ze kapot gingen. Voorts heeft zij verklaard zich niet meer te kunnen herinneren of er nog andere sleutels waren en of zij daar nog mee gereden heeft. Desgevraagd heeft zij nog verklaard dat eerst de ene sleutel kapot ging, dat zij toen de andere sleutel zijn gaan gebruiken en dat die een tijdje later ook stuk ging. Dit laatste is in de stellingen en verklaringen van [appellant] zelf niet terug te vinden, terwijl, als het juist is, onverklaard blijft dat beide sleutels zijn zoekgeraakt en dat beide sleutels tegelijkertijd (op dezelfde plaats?) zijn teruggevonden.

De beide zwagers van [appellant] hebben als getuigen niets verklaard omtrent de sleutels. [appellant] heeft verder ook geen andere getuigen voorgebracht die zijn stellingen over de gang van zaken rond de autosleutels, waaronder zijn stellingen over de door hem van de originele sleutels gemaakte kopieën, de door hem op de originele sleutels aangebrachte kastjes, het stukgaan en het zoekraken daarvan, het vervolgens weer terugvinden van die originele sleutels en zijn uiteindelijk niet-uitgevoerde plan om ook op de beide kopiesleutels kastjes aan te brengen, hebben bevestigd.

6.

Ook wat betreft de ontdekking van de diefstal kan de partijgetuigenverklaring van [appellant] niet, althans onvoldoende dienen tot aanvulling of ondersteuning van ander bewijs. Waar [appellant] in zijn aangifte bij de politie (productie 3 bij de inleidende dagvaarding) verklaart dat hij op woensdag 2 september 2009 omstreeks 14.00 uur terugkeerde op de plaats waar hij zijn personenauto had geparkeerd en zijn auto daar toen niet meer zag staan, en ter comparitie in eerste aanleg (proces-verbaal p. 2) dat hij in de middag weer op de parkeerplek kwam en dat de auto toen weg was, verklaart zijn echtgenote als getuige niets omtrent het tijdstip van ontdekking, verklaart zijn[zwager 1]als getuige dat hij nog weet dat zijn zwager bij hem thuis kwam en zei: de auto is weg, dat hij (Bagdad) niet mee is gaan zoeken naar de auto omdat het midden in de nacht was en donker, hij denkt ergens tussen 2.00 uur en 3.00 uur ’s nachts, en verklaart de andere zwager, [zwager 2], als getuige dat zijn zwager was weggegaan om naar zijn auto te gaan, dat hij lijkbleek terugkwam en zei dat zijn auto weg was, dat hij de tijd waarop het gebeurde niet meer weet en dat het ’s ochtends of ’s middags was.

7.

Het hof heeft bij zijn waardering van het voorhanden bewijs tot uitgangspunt genomen dat aan het bewijs van een diefstal als de onderhavige, waarbij het gaat om diefstal van een geparkeerde auto, geen al te hoge eisen mogen worden gesteld en dat de verzekerde in een geval als dit kan volstaan met het bewijs van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden (HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 14). Gelet op het onder 2 tot en met 6 overwogene heeft [appellant] naar het oordeel van het hof ook aan deze lagere eisen wat betreft de bewijslevering niet voldaan.

8.

Nu [appellant] niet is geslaagd in het bewijs van de diefstal, is zijn vordering tot verkrijging van een verklaring voor recht dat Unigarant op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is tot betaling over te gaan van de door [appellant] geleden schade ter zake van diefstal van de Mercedes, niet toewijsbaar. De vordering van [appellant] tot veroordeling van Unigarant tot ongedaanmaking van de opneming van de gegevens van [appellant] in het incidentenregister, het doorgeven van die gegevens aan de stichting CIS in Zeist en het op de hoogte brengen van het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars is evenmin toewijsbaar nu [appellant] die vordering, mede in het licht van het voorgaande, onvoldoende heeft onderbouwd.

9.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2011;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Unigarant tot op heden begroot op € 666,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, J.M.T. van der Hoeven-Oud en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014 in aanwezigheid van de griffier.