Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3071

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
BK-13-01727
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14081, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premieheffing volksverzekeringen van Rijnvarenden. Belanghebbende is rijnvarende in de zin van art. 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden. Belanghebbende is op grond van art. 11, tweede lid van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden in samenhang met de nationale volksverzekeringsbepalingen in Nederland verzekerd gedurende de in geschil zijnde periode. Geen betekenis kan worden toegekend aan de uitgereikte E101-verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2014
V-N 2014/61.2.3

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01727

Uitspraak d.d. 2 september 2014

in het geding tussen:

[X], te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2013, nummer SGR 13/4021, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie inkomen van € 24.150.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2013 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie inkomen van € 22.507, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.179 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof op 5 juni 2014 van de Inspecteur een nader stuk gedateerd 3 juni 2014 ontvangen, waarvan een afschrift is gezonden aan belanghebbende.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 juni 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende, geboren op [dag en maand] 1970, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2007 in Nederland.

3.2.

Belanghebbende was in 2007 werkzaam op het binnenvaartschip [A] (hierna: het schip) dat eigendom is van [B] B.V. B.V. te [Q] ([B]). Belanghebbende stond dat jaar op de loonlijst van [C] S.A.R.L, gevestigd te Luxemburg ([C]).

3.3.

Op 5 januari 2006 hebben de Luxemburgse autoriteiten aan belanghebbende een zogeheten verklaring E-101 afgegeven. Daarin is onder meer vermeld dat met ingang van 1 januari 2002 op belanghebbende de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg van toepassing is.

3.4.

In een brief van 2 mei 2007 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan belanghebbende gemeld dat het Ministerie van Sociale Zaken in Luxemburg het aan belanghebbende verstrekte formulier E101 per 1 januari 2007 heeft ingetrokken. Naar achteraf is gebleken, was de afgifte van het formulier E101 niet terecht. Wel heeft de SVB in overleg met de bevoegde autoriteit in Luxemburg de verzekeringsplicht in Luxemburg over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 geregulariseerd met toepassing van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (RVV).

3.5.

Het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 25 november 2004 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven. De Rijnvaartverklaring vermeldt [B] als eigenaar van het schip. Op 25 augustus 2006 is door de bevoegde Luxemburgse instantie ten name van [C] een zogenoemd "Certificat d’Exploitant" afgegeven. Op 14 november 2007 is door het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat een nieuwe Rijnvaartverklaring afgegeven waarop [B] als eigenaar en [C] als exploitant van het schip staan vermeld. Op 24 juli 2009 is de Rijnvaartverklaring ingetrokken.

3.6.

In een brief van 21 december 2012 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (ILT) aan de Inspecteur meegedeeld dat aan het binnenvaartschip [A] een certificaat is afgegeven als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Uit de brief blijkt dat het certificaat geldig was in 2007.

3.7.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de IB/PVV 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.140. In zijn aangifte heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van de heffing van PVV. Met dagtekening 2 juli 2010 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie-inkomen van € 24.150. Daarbij heeft de Inspecteur de verzochte premievrijstelling niet verleend voor de periode 1 januari 2007 tot en met 15 november 2007.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor vrijstelling van PVV voor de periode 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007.

4.2. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor het gehele jaar 2007 geen PVV verschuldigd is, zodat de Inspecteur ten onrechte geen vrijstelling PVV heeft verleend voor de periode 1 januari 2007 tot en met 15 november 2007. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd:

(i) de bewijslast ter zake van de vaststelling van de premieplicht rust op de Inspecteur;

(ii) uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 februari 2000, nr. C-202/97 (Fitzwilliam) volgt dat Nederland is gebonden aan de E101-verklaring. Voorts wijst belanghebbende in dit verband op de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 7 februari 2014, nr 13/00040, ECLI:NL: GHSHE:2014:248, waarbij het hof prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie;

(iii) de premieplicht is op grond van het RVV niet aan Nederland toegewezen, omdat de in Luxemburg gevestigde [C] de exploitant van het schip is; de Inspecteur gaat ten onrechte voorbij aan het aan [C] afgegeven “certificat d’exploitant”.

4.3. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken en heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de periode 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de PVV. Daarbij wijst de Inspecteur onder meer op de brief van het SVB als vermeld onder 3.4.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslag in de premieheffing volksverzekeringen naar een premie-inkomen van nihil.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

In haar uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“ Vast staat dat [belanghebbende] in 2007 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is [belanghebbende] dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve in beginsel in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking hiervan bepaalt artikel 6a, aanhef en onderdeel b van de AOW dat zo nodig niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. [Belanghebbende] heeft in dat kader gesteld dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen.

11.

Vast staat dat [belanghebbende] een werknemer is die behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en, gelet op de voor [de Inspecteur] overgelegde brief van ILT van 21 december 2012, is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte. [Belanghebbende] is derhalve een rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag Rijnvarenden, zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

12.

Artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden bepaalt dat op de rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, onderdeel m, bedoelde schip behoort, en aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden heeft bij Besluit nr. 5 van 27 maart 1990 (het Besluit), op de voet van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Verdrag Rijnvarenden - voor zover hier van belang - bepaald dat als ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden in beginsel geldt de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming al dan niet eigenaar is van het schip. Als onderneming waartoe het schip behoort heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist wordt door artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag Rijnvarenden (vgl. Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938). Voor de toepassing van het Besluit zijn de gegevens, vermeld op de Rijnvaartverklaring maatgevend.

13. .

Voor de in geschil zijnde periode staat [C] niet op de op 25 november 2004 afgegeven Rijnvaartverklaring als exploitant vermeld. Deze vermeldt alleen [B] als eigenaar van het schip. Aangezien [belanghebbende] stelt dat [C] als exploitant van het schip moet worden aangemerkt, waardoor hij in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is, rust gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank op hem in redelijkheid de bewijslast aannemelijk te maken dat het schip tot de onderneming van [C] behoort van wie de zetel zich in Luxemburg bevindt.

14. [

Belanghebbende] heeft daartoe aangevoerd dat uit het op 25 augustus 2006 afgegeven "Certificat d’exploitant" en de op 14 november 2007 nieuw afgegeven Rijnvaartverklaring moet worden afgeleid dat [C] in 2007 de exploitant van het schip was.

Hoewel de Rijnvaartverklaring naar het oordeel van de rechtbank openstaat voor tegenbewijs, is [belanghebbende] in die bewijslast niet geslaagd. Weliswaar staat [C] op de op 14 november 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring vermeld als exploitant, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat [C] in de periode daarvoor het schip feitelijk exploiteerde. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Luxemburgse scheepsregister in oktober 2011 alle Certificaten d’exploitant ten name van [C] heeft ingetrokken naar aanleiding van een uitspraak van 16 juni 2010 van het Luxemburgse Tribunal Administratif waarin is geoordeeld dat [C] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt. Verder heeft het Centre Commun de la Sécurité Sociale op 19 december 2011 de Sociale Verzekeringsbank (SVB) geïnformeerd dat [C] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt, omdat [C] zich uitsluitend met het uitlenen van personeel heeft beziggehouden en de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het commerciële en economische management niet bij [C] ligt maar uitsluitend bij de eigenaar van het schip. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het schip niet voor rekening en risico van [C] werd geëxploiteerd en dient op basis van de op de Rijnvaartverklaring van 25 november 2004 vermelde gegevens de eigenaar als exploitant te worden aangemerkt. Nu niet in geschil is dat [B] in Nederland is gevestigd, is op [belanghebbende] over de in geschil zijnde periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing.

15.

Nu [de Inspecteur] bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van verzekeringsplicht tot en met 15 november 2007 in plaats van 13 november 2007, heeft [de Inspecteur] geconcludeerd tot vermindering van het premie-inkomen tot op € 22.507. Belanghebbende betwist deze berekening niet.

16.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat Nederland dient af te zien van premieheffing nu de Luxemburgse autoriteiten een verklaring E-101 hebben afgegeven waarin is bepaald dat op [belanghebbende] de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg van toepassing is. In artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (de Verordening), waaraan de afgegeven verklaring E-101 zijn rechtsgeldigheid ontleent, is bepaald dat het Verdrag Rijnvarenden van toepassing blijft en de Verordening daarvoor niet in de plaats treedt. Nu [belanghebbende] gelet op hetgeen hiervoor in 11 is overwogen als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het Verdrag Rijnvarenden van toepassing en niet de Verordening. Reeds daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een E-101 verklaring, die immers alleen van belang is voor de toepassing van de Verordening. [de Inspecteur] was bij de beoordeling van de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen derhalve niet gebonden aan de verklaring E-101. Belanghebbende mocht aan die verklaring ook niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat [de Inspecteur] de heffing van premie volksverzekeringen achterwege zou laten. Daarnaast blijkt uit de door [de Inspecteur] in het geding gebrachte stukken dat de Luxemburgse autoriteiten de verzekeringsplicht van [belanghebbende] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 hebben beëindigd en de afgegeven verklaring E-101 zijn geldigheid heeft verloren.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende feiten dient te stellen en, bij betwisting door de Inspecteur, aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat de zetel van de onderneming niet in Nederland maar in Luxemburg is gelegen omdat belanghebbende zich beroept op vrijstelling van premieplicht in Nederland. Dit standpunt van belanghebbende faalt. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

7.2. Als tussen partijen niet in geschil staat vast dat belanghebbende in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is belanghebbende als Nederlands ingezetene en van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking van deze hoofdregel stelt belanghebbende dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen. Gelet hierop is het aan belanghebbende feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat belanghebbende niet in Nederland verzekerd is.

7.3. Vaststaat dat belanghebbende een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt. Artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het RVV bepaalt dat het schip tevens dient te beschikken over een artikel 22 certificaat. Gelet op hetgeen door de Inspecteur is aangevoerd, acht het Hof aannemelijk dat het schip voorzien is van een artikel 22 certificaat en dat het schip voldoet aan de technische eisen voor de vaart op de Rijn.

7.4. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende een rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het RVV, zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

7.5. Artikel 11, tweede lid, van het RVV bepaalt dat op de rijnvarende van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, onder m bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Als onderneming waartoe het schip behoort, heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist is in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Rijnvarendenverdrag.

7.6. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat [B] de onderneming drijft voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Daartoe wijst hij onder meer op de brief van [B] van 21 mei 2014. In deze brief verklaart [B] dat zij de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist is in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het RVV. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring en oordeelt met de rechtbank dat [B] de onderneming drijft waartoe het schip behoort in de zin van het RVV. Aangezien niet in geschil is dat [B] in Nederland is gevestigd, is belanghebbende op grond van artikel 11, tweede lid van het RVV in samenhang met de nationale volksverzekeringsbepalingen in Nederland verzekerd gedurende de in geschil zijnde periode.

7.7. Aan het vorenstaande doet niet af dat aan belanghebbende een formulier E101 is uitgereikt. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 16 met juistheid geoordeeld dat in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (de Verordening), waaraan de afgegeven verklaring E-101 zijn rechtsgeldigheid ontleent, is bepaald dat het RVV van toepassing blijft en de Verordening daarvoor niet in de plaats treedt. Aangezien belanghebbende als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het RVV van toepassing en niet de Verordening. Reeds daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een E-101 verklaring, die immers alleen van belang is voor de toepassing van de Verordening. Voorts hecht het Hof geloof aan de verklaring van de SVB, zoals verwoord in haar brief van 2 mei 2007.

7.8. Belanghebbende stelt in hoger beroep nog dat een onderbreking in zijn sociale verzekeringspositie hem zeer benadeelt in zijn pensioenopbouw. Wat daarvan ook zij, belanghebbende onderbouwt zijn stelling niet met feiten en omstandigheden, zodat zijn standpunt wegens gebrek aan feitelijke grondslag faalt.

7.9. Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.T.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 2 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.