Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3066

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.133.088/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenwoning. Vordering wegens te veel betaalde kosten van de huishouding: draagplicht over en weer. Vervaltermijn. Stuiting van een vervaltermijn is niet mogelijk. Toelating tot de WSNP. Vorderinig als bedoeld in artikel 299 lid 1 onder a fw had moeten worden aangemeld ter verificatie. Dat sprake was van affectieve relatie doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0279
JPF 2014/141 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.133.088/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/434188/HA ZA 13-0012

arrest van 9 september 2014

inzake

[vrouw een],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. R.A. Kamphuis te Leiden,

tegen

[vrouw twee],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde,

advocaat: mr. M.S. Odink te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 30 augustus 2013 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis door de rechtbank Den Haag op 5 juni 2013 tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij voormeld exploot heeft appellante drie grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

Geïntimeerde heeft haar procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover tegen die feiten geen grief is gericht.

2.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van appellante afgewezen met veroordeling van appellante in de proceskosten in conventie. In reconventie heeft de rechtbank appellante veroordeeld tot betaling van € 100,- aan geïntimeerde als vergoeding voor zeven Wii-spellen. De overige vorderingen van geïntimeerde zijn afgewezen en de proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

3.

Appellante vordert om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te vernietigen het bestreden vonnis, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en primair: geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te voldoen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 24.660,47, subsidiair: geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te voldoen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 1.949,-; alsmede

  • -

    geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten, door haar op grond van de staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) begroot op een bedrag van € 1.021,60; en tot slot

  • -

    geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest.

4.

Geïntimeerde verzoekt, het hof begrijpt: vordert, het appel van appellante ongegrond te verklaren, met veroordeling van appellante in de kosten van het geding in beide instanties, en het arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het geschil

5.

In geschil is of appellante op grond van de op 23 juni 2009 bij notariële akte tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst een vordering kan doen gelden jegens geïntimeerde wegens door appellante te veel betaalde kosten van de huishouding. In die overeenkomst is namelijk een regeling opgenomen inzake de draagplicht van de kosten van de huishouding, met vermelding van vervaltermijnen van eventuele verrekenvorderingen. Voorts is in geschil of appellante op grond van een op 24 maart 2010 tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst inzake de betaling van kostgeld nog een vordering heeft op geïntimeerde. Daarnaast is appellante het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij een bedrag ter vergoeding van zeven Wii-spellen aan geïntimeerde moet betalen.

Vordering op grond van samenlevingsovereenkomst

6.

Appellante stelt zich op het standpunt dat - hoewel de samenwoning tussentijds ongeveer anderhalve maand is onderbroken - partijen van april 2009 tot en met april 2011 hebben samengewoond en dat de schriftelijke samenlevingsovereenkomst gedurende die hele periode tussen hen is blijven gelden. Volgens appellante heeft zij op grond van artikel 2 van die overeenkomst een vordering op geïntimeerde wegens door appellante te veel betaalde kosten van de huishouding. Appellante stelt dat de termijn voor verrekening niet is verstreken en voert daartoe aan dat:

- appellante door omstandigheden (geïntimeerde had belangrijke papieren meegenomen en zat op enig moment in de WSNP) haar vordering niet eerder heeft kunnen instellen;

- reeds in juli 2011 per brief contact is geweest tussen de advocaten van partijen over de verrekening.

7.

Geïntimeerde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.

Het hof overweegt als volgt. Indien appellante wordt gevolgd in haar stelling dat de samenleving van partijen is geëindigd op 23 april 2011, dan vervalt krachtens de samenlevingsovereenkomst haar bevoegdheid tot verrekening van te veel betaalde de kosten van de huishouding zes maanden nadien, ofwel per 23 oktober 2011. Appellante had op die datum ter zake nog geen rechtsvordering ingesteld. De omstandigheden die appellante daartoe ter verklaring aanvoert, doen daaraan niet af. Appellante doet nog een beroep op de brief van 20 juli 2011 van haar advocaat aan de advocaat van geïntimeerde waarin volgens appellante verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding op basis van de samenlevingsovereenkomst al aan de orde is geweest. Naar het hof begrijpt, beroept zij zich hiermee op stuiting van de vervaltermijn. Het hof overweegt dat, nu stuiting van een vervaltermijn niet mogelijk is, (de inhoud van) deze brief appellante niet kan baten.

9.

Gelet op het vorenstaande is het vorderingsrecht van appellante met betrekking tot verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding - wat daar verder ook van zij - komen te vervallen. Het bestreden vonnis moet derhalve worden bekrachtigd voor zover daarin de vorderingen van appellante ten aanzien van de kosten van de huishouding zijn afgewezen.

Vordering op grond van de overeenkomst van 24 maart 2010

10.

Vaststaat dat partijen in het kader van schuldhulpverlening aan geïntimeerde op advies van een medewerkster van de Stadsbank Leiden op 24 maart 2010 een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan, waarbij onder meer is overeengekomen dat geïntimeerde aan appellante € 500,-, naar het hof begrijpt: per maand, aan kostgeld zou betalen.

11.

Appellante is van mening dat geïntimeerde op grond van deze overeenkomst nog een bedrag van € 1.949,- aan haar moet betalen. Zij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij deze vordering had moeten indienen bij de bewindvoerder van geïntimeerde omdat geïntimeerde per [maart] 2011 was toegelaten tot de WSNP. Volgens appellante is geen sprake van een vordering als bedoeld in artikel 299 Faillissementswet (Fw), onder meer omdat deze vordering ten tijde van toelating tot de WSNP van geïntimeerde als zodanig nog niet bestond omdat partijen toen een affectieve relatie hadden. Daarnaast is er bij de toelating van geïntimeerde tot de WSNP nooit gesproken over vorderingen van appellante op geïntimeerde en appellante heeft zeker nooit aangegeven geen vorderingen op geïntimeerde te hebben, aldus appellante.

12.

Geïntimeerde weerspreekt het door appellante gestelde en verwijst tevens naar haar verweer in eerste aanleg.

13.

Uit de stellingen van appellante leidt het hof af dat zij stelt dat geïntimeerde in de periode vanaf maart 2010 tot en met april 2011 gehouden was maandelijks aan appellante het bedrag van € 500,- te voldoen. Appellante heeft een transactieoverzicht over de periode vanaf mei 2010 tot en met april 2011 overgelegd waarin de volgens haar ontvangen bedragen worden weergegeven. Aldus resteert volgens appellante een bedrag van € 1.949,-. Nu uit dit overzicht niet blijkt welke maanden wel en niet zijn betaald en het hof derhalve niet kan nagaan op welke maanden de vordering van € 1.949,- precies betrekking heeft, gaat het hof ervan uit dat sprake is (geweest) van een vordering die bestond ten tijde van de toelating van geïntimeerde tot de WSNP op [maart] 2011, zodat sprake is van een vordering als bedoeld in artikel 299 lid 1 onder a Fw. Dat partijen tijdens voormelde periode een affectieve relatie onderhielden, laat onverlet dat de ene partner een vordering op de andere partner kan hebben.

14.

Op grond van het tweede lid van artikel 299 Fw had appellante haar vordering ter verificatie moeten aanmelden. Nu zij zulks heeft nagelaten en de toepassing van de wettelijke schuldsanering inmiddels van rechtswege is geëindigd doordat het homologatieakkoord in kracht van gewijsde is gegaan, kan appellante op grond van artikel 340 lid 2 Fw haar vordering niet meer tegen geïntimeerde instellen. In voormeld artikellid is immers geregeld dat het gehomologeerde akkoord ook werkt jegens schuldeisers die niet in de schuldsaneringsregeling zijn opgekomen. De rechtbank heeft de vordering van appellante uit de overeenkomst van 24 maart 2010 dan ook terecht afgewezen. Hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vergoeding Wii-spellen

15.

De rechtbank heeft appellante veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 100,- aan geïntimeerde als vergoeding voor de zeven Wii-spellen van geïntimeerde die appellante aan een derde zou hebben verkocht. Appellante is het daar niet mee eens. Zij stelt dat zij de aan geïntimeerde toebehorende Wii-spellen weer aan haar ter hand heeft gesteld. In haar memorie van antwoord betwist geïntimeerde deze stelling niet. Geïntimeerde herhaalt enkel haar standpunt in reconventie dat zij die spellen heeft betaald. Gelet op het vorenstaande slaagt de grief van appellante inzake de vergoeding van de Wii-spellen en dient het bestreden vonnis in zoverre te worden vernietigd.

Bewijsaanbod

16.

Appellante en geïntimeerde hebben beiden een algemeen bewijsaanbod gedaan. Het hof zal deze als onvoldoende concreet en specifiek passeren.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

17.

De door appellante gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de vorderingen waarop deze zien ook in hoger beroep moeten worden afgewezen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

18.

Nu partijen voormalige levensgezellinnen zijn, ziet het hof aanleiding de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep te compenseren. Hetgeen partijen ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep anders hebben gevorderd, zal worden afgewezen.

19.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover:

  • -

    appellante daarin is veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van in totaal € 1.231,- voor de proceskosten van geïntimeerde en

  • -

    appellante daarin is veroordeeld tot betaling van € 100,- aan geïntimeerde als vergoeding voor de zeven Wii-spellen

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten in conventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Nievelt, Kamminga en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.