Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3063

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.105.675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling. Wettelijke gemeenschap van goederen. Nopen omstandigheden er toe om af te wijken van een verdeling bij helfte? Saldi bankrekeningen op naam van de man per peildatum. Bewijslast. Omvang verplichting artikel 1:83 BW; geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Waarde auto. Gebruiksvergoeding auto. Vruchten van de boedel: rente en dividend, maar niet de waardefluctuaties van een aandelenportefeuille.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.105.675

Zaak-rolnummer Rechtbank : 324066/HA ZA 09-341

arrest van 2 september 2014

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. Th. M.L. Boersema te Maassluis,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.

1 Het geding

Bij exploot van 30 maart 2012 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van

22 december 2010 en 4 januari 2012 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

De man heeft op 13 april 2012 een herstel exploot uitgebracht.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft de man 7 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld. De vrouw heeft 5 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de man de incidentele grieven weersproken.

Door de vrouw is nog een akte uitlating producties genomen.

Alleen door de vrouw is een procesdossier overgelegd. Het hof heeft op basis van dit procesdossier arrest gewezen. Punt 1 van de memorie van antwoord van de vrouw behoeft derhalve geen verdere bespreking meer.

2 Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. Door de man wordt gevorderd: dat het dit hof moge behage de vonnissen van de rechtbank Rotterdam te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap op grond van de bijzondere omstandigheden een bedrag verschuldigd is van € 15.000,- welk bedrag inmiddels als voorschot aan de vrouw is voldaan.

3. In incidenteel appel vordert de vrouw toewijzing van haar grieven en op grond daarvan:

  • -

    het aan de vrouw toe te wijzen bedrag onder 3.4 in het dictum van de rechtbank te verhogen met € 3.161,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie, ter zake het onverklaard gebleven verschil in de banksaldi;

  • -

    (voorwaardelijk, voor het geval de grief VII van de man slaagt) aan de vrouw toe te kennen ten laste van de man een vergoeding gelijk aan de helft van het verschil tussen de nieuw vast te stellen waarde van de auto en € 8.000,- (zodat het onder 3.4 toegewezen bedrag gelijk blijft);

  • -

    het aan de vrouw toe te wijzen bedrag onder 3.4 in het dictum te verhogen met € 15.000,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie, ter zake van het hanteren van een hogere waarde van de woning dan door de rechtbank is gehanteerd;

  • -

    aan de vrouw toe te kennen een vordering ter zake de vruchten van de boedel (waaronder gebruiksvergoeding van de woning en de revenuen uit effecten- en spaarrekeningen) over de periode vanaf datum echtscheiding tot aanvang van de renteaanspraken ingevolge het dictum onder 3.3 en 3.4 in goede justitie te bepalen op € 15.000,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie;

  • -

    Ten aanzien van het dictum onder 3.3 in aanvulling daarop:

a) alternatief/primair de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
€ 5.000,- per dag met een maximum van € 200.000,-, vanaf de dertigste dag na betekening van het in dezen te wijzen arrest, indien de man in gebreke blijft aan de veroordeling (tot medewerking aan de notariële akte en betaling van € 50.000,- bij die gelegenheid) te voldoen,

b) alternatief/subsidiair: te bepalen dat het bedrag van voornoemde € 50.000,- opeisbaar is vanaf de dertigste dag na betekening van het in dezen te wijzen arrest en de man onder die voorwaarde tot betaling daarvan te veroordelen, ook indien het notarieel transport van de woning nog niet heeft plaatsgevonden;

c) alternatief/meer subsidiair: te bepalen dat het in dezen te wijzen arrest in de plaats treedt van de notariële toescheidingsakte, dan wel in de plaats treedt van de handelingen van de man dienaangaande.

Goede procesorde

4. In het principaal appel heeft de vrouw geconcludeerd de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn appel af te wijzen, met ongegrondverklaring van het beroep. Het hof begrijpt hieruit dat de bestreden vonnissen in de visie van de vrouw moeten worden bekrachtigd.

5. Met betrekking tot het incidentele appel geeft de vrouw in haar petitum niet aan of de bestreden vonnissen geheel of gedeeltelijk moeten worden vernietigd. De vrouw vraagt slechts de grieven toe te wijzen en op grond daarvan de punten vermeld onder: I, II, III, IV, V toe te wijzen.

6. Naar het oordeel van het hof is het incidentele appel onduidelijk aangezien de vrouw niet aangeeft wat met de bestreden vonnissen dient te gebeuren. Deze onduidelijkheid komt voor haar rekening en risico. Een processtuk moet ook voor de rechter te doorgronden zijn.

Kern van het geschil

7. De kern van het geschil is dat de man van mening is dat in het kader van de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen afgeweken dient te worden van een verdeling bij helfte. Door de man zijn onder meer de navolgende feiten gesteld:

  • -

    de man leidt aan een bi-polaire stoornis;

  • -

    de vrouw wilde niet op huwelijkse voorwaarden huwen;

  • -

    formeel heeft het huwelijk kort geduurd;

  • -

    de man was ten tijde van de huwelijkssluiting ernstig ziek en had een levensbedreigende ziekte;

  • -

    de vrouw blijkt haar eigen woning al die tijd aangehouden te hebben;

  • -

    de vrouw is er door het huwelijk met de man financieel niet op achteruitgegaan;

  • -

    de vrouw heeft, nadat de man na ziekenhuisopname vrijwel meteen na de huwelijkssluiting, was teruggekeerd in de woning, op zolder een eigen kamer ingericht.

8. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat afgeweken dient worden van een verdeling bij helfte. In punt 4 van de memorie van antwoord heeft de vrouw gesteld dat partijen informatie bij de notaris hebben ingewonnen. Partijen hebben er daarbij bewust voor gekozen om kort voor een ziekenhuisopname hun huwelijk te sluiten en hebben bewust – na overleg met de notaris – afgezien van het maken van huwelijkse voorwaarden.

9. Het hof overweegt als volgt. Nu partijen niet voorafgaande aan hun huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt is van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk tussen de echtgenoten van rechtswege de wettelijke gemeenschap van goederen ontstaan. Deze gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij de aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet ontbonden is. Beide partijen zijn tot deze goederenrechtelijke gemeenschap gelijk gerechtigd. Gezien het feit dat de man zelf stelt dat de vrouw niet op huwelijkse voorwaarden wenste te trouwen en partijen voorafgaande aan hun huwelijk bij een notaris zijn geweest, geeft hij hiermee zelf aan dat hij de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk heeft kunnen overzien. De man had ook van het huwelijk kunnen afzien, indien de vrouw geen huwelijkse voorwaarden wilde maken en alleen in de wettelijke gemeenschap van goederen wilde huwen. Het feit dat één of misschien beide partijen teleurgesteld zijn in het huwelijk, hoe kort dit ook geweest moge zijn, maakt de vermogensrechtelijke gevolgen hiervan niet anders. Door het onderhavige huwelijk is tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen ontstaan. Door de ontbinding van het huwelijk dient die ontbonden gemeenschap tussen partijen te worden verdeeld.

10. Partijen hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap. De rechtsbetrekking tussen de deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap wordt beheerst door de redelijkheid en de billijkheid.

11. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan in zeer uitzonderlijke gevallen van de verdeling bij helfte worden afgeweken (HR 6 oktober 2000, LJN AA7362, NJ 2004/58). Naar het oordeel van het hof doen die uitzonderlijke omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voor. Partijen zijn voor hun huwelijk bij een notaris geweest. De door de man in het geding gebrachte verklaring van zijn psychiater acht het hof niet relevant. De psychiater kende de man niet ten tijde van het aangaan van het huwelijk. Naar het oordeel van het hof is op geen enkele wijze aangetoond dat de man als gevolg van een ziekelijke stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen of anderszins wilsonbekwaam was. Het is ook niet gesteld of gebleken dat de man door zijn gestelde stoornis het huwelijk niet heeft kunnen sluiten. Dat het huwelijk kort heeft geduurd, de vrouw haar eigen woning heeft aangehouden, de vrouw door het huwelijk er niet op achteruit is gegaan en de vrouw spullen van de man heeft weggegooid – de vrouw bestrijdt dat overigens - zijn allen geen zodanig uitzonderlijke omstandigheden – noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien – dat op grond daarvan moet worden afgeweken van de verdeling bij helfte. De verwijzing van de man naar een arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2011 (LJN BP1402) kan hem alleen daarom al niet baten, omdat het in die zaak betrof de vraag of de redelijkheid en billijkheid aan een overeenkomst (verrekenbeding) kan derogeren. De grieven van de man treffen geen doel.

Vermindering banksaldo

12. In zijn vijfde grief stelt de man dat hij het standpunt niet volgt van de rechtbank dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de mutatie voor een bedrag € 10.000,- betrekking op heeft. Het hof begrijpt uit de stelling van de man dat in de verdeling moet worden betrokken een banksaldo van € 101.143,-; dit is het saldo op het moment van de ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen.

13. De vrouw is van mening dat het saldo € 16.233,- hoger moet zijn. Als de man geen verklaring kan geven voor het ontbrekende bedrag dan dient dit bedrag volgens de vrouw te worden betrokken in de boedelscheiding.

14. Het hof overweegt als volgt. Voor de bepaling van de omvang van de wettelijke gemeenschap is relevant het saldo op datum van de ontbinding van deze gemeenschap, te weten 16 september 2008. De man stelt aan de hand van bankafschriften dat de banksaldi bedragen € 101.143,-. Op de vrouw rust derhalve de bewijslast om aan te tonen dat op voormelde peildatum een hoger banksaldo aanwezig was. Voor de peildatum was de man op grond van het toen van toepassing zijnde art.1:97 BW de bestuursbevoegde echtgenoot met betrekking tot de betreffende bankrekening.

15. De vrouw heeft niet aangetoond dat de man gemeenschapsgelden heeft verspild of anderszins heeft weggemaakt. De man is ook niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot het verloop van de banksaldi in de huwelijkse periode. Art 1: 83 BW houdt geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in, maar verplicht de echtgenoten op grond van dit artikel elkaar desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de stand van hun goederen en schulden alsmede over het door hen gevoerde bestuur. Naar het oordeel van het hof heeft de man ruimschoots aan deze verplichting voldaan. Grief 5 van de man treft doel.

Verdeling schuld

16. De man stelt in grief 6 dat de rechtbank ten onrechte een schuld van de vrouw van
€ 3.003,- in de verdeling heeft opgenomen. De man stelt dat de vrouw het bestaan van die schuld niet heeft aangetoond.

17. De vrouw stelt in punt 36 van har memorie van antwoord dat zij genoegzaam heeft aangetoond dat het bedrag van € 3.003,- als een schuld van de gemeenschap moet worden aangemerkt.

18. Het hof overweegt als volgt. Een schuld is geen goed en kan derhalve niet worden verdeeld. In het onderhavige geval heeft de rechtbank bepaald dat de schuld van € 3.003,- een gemeenschapsschuld is en in het kader van de verdeling beslist dat de vrouw deze schuld geheel voor haar rekening zal nemen. Indien er sprake is van een gemeenschapsschuld zijn beide partijen draagplichtig met betrekking tot deze schuld. Indien de schuld aan de zijde van de vrouw is opgekomen, kan de schuldeiser conform artikel 1:102 BW oud de helft van de schuld op de man verhalen. Gezien het feit dat de schuldeiser niet bij de procedure is betrokken kan het hof niet vaststellen of de schuldeiser akkoord is met de door de rechtbank toegepaste schuldvernieuwing. Indien in rechte komt vast te staan dat de vrouw meer dan de helft van een gemeenschapsschuld heeft voldaan heeft zij een regresvordering op de man. De grief van de man treft doel.

Waarde auto

19. De man is het niet eens met de waarde die de rechtbank heeft toegekend aan de auto. In de visie van de man heeft de auto een waarde tussen de € 1.400,- en € 4.000,-. In het kader van de verdeling wenst de man uit te gaan van een waarde van € 2.700,-.

20. De vrouw heeft in punt 35 van haar memorie van antwoord verweer gevoerd.

21. Het hof overweegt als volgt. Uit het vonnis van 22 december 2010 volgt dat de rechtbank met betrekking tot de waarde van de auto is uitgegaan van de waarde ten tijde van de ontbinding van de gemeenschap op 16 september 2008. In de visie van de rechtbank heeft op die datum een feitelijke verdeling plaatsgevonden van de auto. Naar het oordeel van het hof is dit een onjuist uitgangspunt. De verdeling is eerst voltooid indien er eveneens overeenstemming is over de financiële afwikkeling van het goed. Op 16 september 2008 was er geen overeenstemming over de waarde van de auto. De man heeft geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de auto aan hem wordt toegedeeld. Voor de waarde van de auto dient uitgegaan te worden van de waarde per de datum van de verdeling, zijnde 4 januari 2012 en wel conform de toen geldende ANWB koerslijst. De grief van de man treft doel.

Incidenteel appel

22. Het hof gaat thans over tot de bespreking van het incidentele appel. Gezien het hof in r.o. 12 tot en met 15 heeft overwogen behoeft grief 1 van het incidentele appel geen verdere bespreking. Grief 1 van het incidentele appel treft geen doel.

23. In de tweede grief stelt de vrouw dat zij van de man een gebruiksvergoeding wenst te verkrijgen voor het gebruik dat de man heeft gemaakt van de hiervoor vermelde auto.

24. Door de man is gesteld dat er voor de vordering van de vrouw geen wettelijke basis is.

25. Het hof overweegt als volgt. Door de ontbinding van het huwelijk is de wettelijke gemeenschap van goederen ontbonden. Vanaf datum ontbinding is boek 3 titel 7 BW op de ontbonden gemeenschap van toepassing. Conform artikel 3:168 BW kunnen de deelgenoten het genot en het gebruik van de gemeenschappelijke goederen regelen. Indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, kan de kantonrechter op verzoek van één van de partijen een regeling vaststellen. Nu de vrouw niet om een dergelijke regeling heeft verzocht en derhalve ook profijt van de auto gehad kan hebben, kan zij in redelijkheid van de man geen vergoeding vragen voor het gebruik dat de man heeft gemaakt van de auto. De grief van de vrouw treft geen doel.

26. De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat voor de waardering van de echtelijke woning uitgegaan moet worden van de door de deskundige vastgestelde waarde. De vrouw is van mening dat de bandbreedte voor de waardering is gelegen tussen de € 325.000,- en de € 365.000,-. Volgens de vrouw dient de waarde van de woning te worden vastgesteld op een bedrag van € 325.000,-.

27. Door de man is verweer gevoerd. Door de man is gesteld dat beide partijen akkoord zijn gegaan met de benoeming van een deskundige aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over de waarde van de woning.

28. Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw het aanbod van de man niet heeft aanvaard om de woning aan hem toe te delen tegen een waarde van € 325.000,- kan de vrouw hem niet meer houden aan dit aanbod. Het aanbod dient binnen een redelijke termijn te worden aanvaard. Nu de vrouw dit niet heeft gedaan is de man niet meer gebonden aan het bedrag van € 325.000,-. De grief van de vrouw treft geen doel.

29. In haar vierde grief stelt de vrouw dat de rechtbank aan de vrouw geen vergoeding heeft verstrekt met betrekking tot de vruchten van de boedel. De vrouw wenst de helft van de revenuen uit effecten plus een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning. Zij wenst een bedrag van € 15.000,- te verkrijgen. De vrouw vindt een dergelijk bedrag niet buitensporig. In punt 54 van haar memorie heeft de vrouw haar vordering met een aanspraak ter zake de vruchten van de boedel geformuleerd.

30. Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de man is er sprake geweest van een waardedaling van de effectenportefeuille, vermindering van de banksaldi en een vermindering van de waarde van de inboedel. De man heeft tijdens en na het huwelijk de lasten van de woning doorbetaald.

31. Het hof overweegt als volgt. Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

32. Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt.

33. Indien een banksaldo tot een onverdeelde gemeenschap behoort is rente volgens verkeersopvatting een vrucht. Als een aandelenportefeuille tot een onverdeelde gemeenschap behoord is dividend volgens verkeersopvatting een vrucht.

34. Waardestijging van de aandelenportefeuille is geen vrucht, bij de feitelijke verdeling van de aandelenportefeuille zijn beide deelgenoten gelijk gerechtigd in de waarde van de aandelen. Waardedaling van de aandelenportefeuille komt in beginsel ten laste van beide deelgenoten. Op basis van de door partijen gestelde gegevens kan het hof niet vast stellen: a) wat de genoten rente is geweest met betrekking tot de saldi die tot de ontbonden gemeenschap behoorden, b) wat aan dividend is uitgekeerd in de periode van ontbinding van de gemeenschap tot aan de datum van de feitelijke verdeling.

35. Gezien het feit dat de man de lasten met betrekking tot de woning volledig voor zijn rekening neemt acht het hof het niet redelijk en billijk dat hij daarnaast nog een gebruiksvergoeding dient te voldoen met betrekking tot de echtelijke woning en de inboedel daarvan.

36. Grief 4 van de vrouw treft geen doel.

37. In grief 5 beklaagt de vrouw zich er over dat de rechtbank geen dwangsom heeft verbonden aan het door de man geen medewerking verlenen aan een notariële toescheidingsakte. Voorts is de vrouw het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de man het bedrag van € 50.000,- dient te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport. Tot slot is de vrouw het er niet mee eens dat de rechtbank niet heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een toescheidingsakte.

38. Door de man is verweer gevoerd. De man wil meewerken aan notariële toescheiding van de woning en de hypotheek. Het opleggen van een dwangsom is volgens hem buitensporig.

39 Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg heeft de vrouw niet gevorderd: a) dat de man een dwangsom verbeurt indien hij niet meewerkt aan een notariële akte van verdeling en levering, b) dat het vonnis in de plaats treedt van de vooromschreven akte. Het hof verwijst naar de inleidende dagvaarding van de vrouw, haar akte wijziging en vermeerdering van eis van 9 september 2009. Wat niet gevorderd wordt kan de rechter niet toewijzen. Het hof begrijpt dat de vrouw thans haar eis heeft vermeerderd. Het hof acht het redelijk en billijk dat de man bij gelegenheid van de verdeling bij notariële akte aan de vrouw het bedrag van € 50.000,- dient te voldoen. Voorts acht het hof de door de rechtbank vastgestelde afbetalingsregeling met betrekking tot het restant van de overbedelingsvordering redelijk en billijk. Nu de man expliciet heeft toegezegd dat hij zijn medewerking zal verlenen aan de verdeling bij notariële akte gaat het hof er ook van uit dat de man dit ook daadwerkelijk zal doen. Het hof zal derhalve geen dwangsom opleggen noch bepalen dat dit arrest in de plaats zal treden van de notariële toescheidingsakte.

Gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis

40. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in r.o 2.15 een recapitulatie gegeven. In het dictum van het bestreden vonnis zijn de goederen toegedeeld en is bepaald wie der partijen een bepaalde schuld voor zijn eigen rekening dient te voldoen. Voorts is de man veroordeeld om aan de vrouw een overbedelingsvordering te betalen van € 145.724,50. In het dictum onder 3.3 en 3.4 is door de rechtbank een afbetalingsregeling vastgesteld.

41. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het vonnis gedeeltelijk te worden vernietigd en wel met betrekking tot:

  • -

    de schulden;

  • -

    het saldo van de bankrekening van de man;

  • -

    de waarde van de auto;

  • -

    de hoogte van de overbedelingsvordering;

  • -

    de hoogte van het restantbedrag dat de man aan de vrouw dient te voldoen zoals verwoord in 3.4 van het dictum.

42. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen acht het hof de door de rechtbank vastgestelde afbetalingsregeling redelijk en billijk, alleen dient het in 3.4 vermelde bedrag te worden verminderd overeenkomstig met hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen. Het hof kan de hoogte van de vordering van de vrouw wegens onderbedeling thans niet vast stellen, nu de waarde van de in de verdeling te betrekken auto niet aan het hof bekend is en partijen die zelf moeten vast stellen met inachtneming van het door het hof ter zake overwogene.

Proceskosten

43. Gezien het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn acht het hof het redelijk en billijk dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

3 Beslissing

Het hof :

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2012 tussen de partijen gewezen, voor zover:

  • -

    de vordering van de man op de bank is bepaald op een saldo van € 111.143;-

  • -

    de waarde van de auto is bepaald op een bedrag van € 8.000,-;

  • -

    de vrouw de schuld moet voldoen van € 3003,-;

  • -

    de overbedelingsvordering is vastgesteld op € 145.724,50;

  • -

    de man aan de vrouw moet betalen de somma van € 80.724,50

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    deelt aan de man toe zijn vordering op de bank van € 101.143,- onder gehoudenheid van de man om de helft van dit saldo met de vrouw te verrekenen;

  • -

    deelt toe aan de man de auto tegen de waarde zoals vermeld op de ANWB koerslijst per ultimo januari 2012, onder gehoudenheid van de man om de helft van de waarde met de vrouw te verreken;

  • -

    veroordeelt de man op grond van het bovenstaande om aan de vrouw te betalen een nog nader door partijen te bepalen bedrag wegens onderbedeling overeenkomstig de door het hof besliste verdelingsgeschillen en door het hof bekrachtigde beslissingen van de rechtbank, alsmede de betalingsregeling zoals verwoord in het bestreden vonnis met in achtneming van de door het hof gewijzigde bedragen;

compenseert de proceskosten en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 22 december 2010 en 4 januari 2012 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Stollenwerck, van den Wildenberg en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.