Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3045

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
BK-13-01772
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14926, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2298
V-N Vandaag 2014/2010
V-N 2014/64.19.15

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01772

Uitspraak d.d. 23 september 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2013, nummer SGR 13/4274, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2008 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.858. Daarbij heeft de Inspecteur bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 586.

1.2. De Inspecteur heeft het door belanghebbende tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2008 ambtshalve verminderd tot € 31.578. Met dagtekening 18 juli 2013 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verder verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.858.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 44 geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de belastingaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.645 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht is geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 augustus 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, maar belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 9 juli 2014 aan [X] op het adres [adres 1], onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens informatie op de website van PostNL is de vorenbedoelde brief op 10 juli 2014 door een medewerker van PostNL op het voormelde adres afgeleverd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Het aanslagbiljet IB/PVV 2008 is gedagtekend 28 oktober 2011.

3.2. Belanghebbende heeft op 7 juli 2012 een betalingsmededeling voor de aanslag IB/PVV 2008, verzonden aan het adres [adres 2], ontvangen.

3.3. Op 1 augustus 2012 heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen.

3.4. Bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. In het geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of sprake is van geldverstrekking door belanghebbende aan [A] BV en of ter zake daarvan aan belanghebbende aftrek van de kosten van terbeschikkingstelling toekomt. Tevens is dan in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van kosten van levensonderhoud van zijn zoon en of de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld bij de vaststelling van de aanslag.

4.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend.

4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens voor zover deze betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het bezwaar, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"9. In geschil is allereerst of [de Inspecteur] het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Voorts is in geschil of sprake is van geldverstrekking door [belanghebbende] aan de BV en of ter zake aftrek van de kosten van terbeschikkingstelling aan [belanghebbende] toekomt. [Belanghebbende] doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en voert aan dat in de jaren 2005, 2006 en 2007 de aftrekpost inzake het ter beschikking gesteld vermogen steeds is geaccepteerd. Tevens is in geschil of [belanghebbende] recht heeft op aftrek ter zake van kosten van levensonderhoud van zijn zoon. Meer specifiek is in geschil of [belanghebbende] € 5.396 als verlies op ter beschikking gesteld vermogen en € 1.380 als kosten van levensonderhoud ten laste van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning kan brengen. Tenslotte neemt [belanghebbende] het standpunt in dat [de Inspecteur] heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

10. [

Belanghebbende] voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. [Belanghebbende] stelt dat de primitieve aanslag van 28 oktober 2011 nimmer is bezorgd op het verplichte toezendadres [adres 2]. [Belanghebbende] stelt dat hij voor het eerst in juli 2012 heeft vernomen van de primitieve aanslag doordat hij met dagtekening 7 juli 2012 een betalingsmededeling ontving van [de Inspecteur] voor de betaling daarvan. [Belanghebbende] neemt derhalve het standpunt in dat [de Inspecteur] hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

Met betrekking tot de kosten van het ter beschikking gesteld vermogen heeft [belanghebbende] een overeenkomst van achtergestelde geldlening van 15 september 2003 overgelegd. In de overeenkomst is opgenomen dat [belanghebbende] een achtergestelde lening verstrekt aan de BV met een hoofdsom van € 50.000 en tegen een jaarlijkse rentevergoeding van 3,44% op jaarbasis. Voorts is opgenomen in deze overeenkomst van geldlening dat de BV jaarlijks € 5.400 aflost op de hoofdsom. Met betrekking tot de kosten van levensonderhoud heeft [belanghebbende] afschriften van een viertal kwitanties overgelegd die door zijn zoon [B] (hierna: “de zoon”) zijn getekend voor de ontvangst van in totaal € 1.600 in 2008.

11. [

De Inspecteur] heeft de stellingen van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken.

12.

Tussen partijen is niet in geschil dat [de Inspecteur] de zogenoemde vragenbrief en de afwijkingsbrief - de brief waarin [de Inspecteur] zijn voornemen om af te wijken van de aangifte meedeelt aan [belanghebbende] - niet aan [belanghebbende] heeft verzonden.

Ontvankelijkheid

13.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen – voor zover hier van belang – aan op de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. In dat laatste geval vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb de termijn aan op de dag na die waarop de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

14.

De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Indien de belastingplichtige de aanslag niet heeft ontvangen en zulks het gevolg is van een fout van [de Inspecteur], bijvoorbeeld doordat sprake is van een verkeerde adressering die aan [de Inspecteur] is te wijten, kan niet worden gezegd dat de aanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (vgl. Hoge Raad 5 maart 2004, nr. 39 245, LJN: AO5063). In een zodanig geval gaat de bezwaartermijn pas lopen op het moment dat de belastingplichtige kennis heeft genomen van het aanslagbiljet of een afschrift daarvan (vgl. Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 34 999, LJN: AA5141).

15.

De primitieve aanslag heeft als dagtekening 28 oktober 2011 en is geadresseerd aan het verplichte toezendadres [adres 2]. Nu vast staat dat [de Inspecteur] de zogenaamde vragenbrief en de afwijkingsbrief niet aan [belanghebbende] heeft gezonden omdat, zo volgt uit de brief van [de Inspecteur] van 9 augustus 2012, er geen GBA adres van [belanghebbende] bekend was bij [de Inspecteur], is de enkele omstandigheid dat het aanslagbiljet op 20 oktober 2011 door het belastingkantoor [Q] in het systeem onvoldoende om aannemelijk te maken dat de primitieve aanslag van 28 oktober 2011 op de juiste wijze is bekend gemaakt aan [belanghebbende] door verzending aan het verplichte toezendadres. De rechtbank merkt hierbij op dat [de Inspecteur] ter zitting heeft verklaard niet te hebben kunnen achterhalen waarom de vragenbrief en de afwijkingsbrief niet aan het verplichte toezendadres van [belanghebbende] zijn toegezonden, terwijl [belanghebbende] al jarenlang gebruik maakte van dit toezendadres. Aangenomen wordt derhalve dat [belanghebbende] pas in juli 2012 heeft kennisgenomen van de primitieve aanslag en dat zijn bezwaar, dat door [de Inspecteur] is ontvangen op 1 augustus 2012, geacht moet worden tijdig te zijn. Voor zover het beroep van [belanghebbende] zich richt tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar is het beroep derhalve gegrond.

(…)."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschift aan op de dag na die waarop de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

7.2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid van de Awb geschiedt de bekendmaking van een aanslag door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Niet in geschil is dat de bekendmaking van de aanslag niet heeft plaatsgevonden door uitreiking van het aanslagbiljet. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden.

7.3. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanslagbiljet kennelijk niet aan hem is toegezonden omdat dit niet door hem is ontvangen. De Inspecteur heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat het aanslagbiljet op 24 oktober 2011 is verzonden naar het bij de Belastingdienst als verplicht toezendadres van belanghebbende geregistreerde adres [adres 2].

7.4. Niet in geschil is dat het door de Inspecteur ter verzending gebruikte adres het juiste toezendadres van belanghebbende is. Met het door de Inspecteur bij het incidenteel hogerberoepschrift gevoegde rapport van de Belastingdienst/[R] met de daarbij gevoegde bijlagen en de hierop door hem ter zitting gegeven toelichting acht het Hof de Inspecteur geslaagd in het bewijs dat het aanslagbiljet op 24 oktober 2011 ter post is bezorgd.

7.5. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van het aanslagbiljet op dat adres. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de brief niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld.

7.6. De enkele ontkenning van de ontvangst van het aanslagbiljet door belanghebbende acht het Hof onvoldoende. Gelet op de stelling van belanghebbende dat hij als buitenlandse ondernemer in de periode van 25 maart 2009 tot 15 februari 2012 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had en dat in die periode als toezendadres het door de Inspecteur gebruikte adres gold, is aannemelijk dat het aanslagbiljet op dat adres is aangeboden. Dat belanghebbende niet tijdig kennis van het aanslagbiljet heeft kunnen nemen, komt voor zijn rekening en risico. Geconcludeerd moet derhalve worden dat het aanslagbiljet belanghebbende heeft bereikt.

7.7. Gelet op het in 7.1 tot en met 7.6 overwogene is de bezwaartermijn aangevangen op 25 oktober 2011 en geëindigd op 6 december 2011. Nu het bezwaarschrift is ingekomen op 1 augustus 2012 moet worden geoordeeld dat het niet tijdig is ingediend.

7.8. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geconcludeerd dat de hij in verzuim is geweest.

7.9. Mitsdien heeft de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. Het incidenteel hoger beroep is derhalve gegrond. Aan bespreking van het principale hoger beroep komt het Hof niet toe.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 23 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.