Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3029

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
200.105.516--01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BP1254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wanprestatie, stelplicht en bewijslast, verweer (post-interlocutoir)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/169

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.105.516/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 338974 / HA ZA 09-2630

Arrest d.d. 30 september 2014

In de zaak van:


Q-PARK EXPLOITATIE II B.V. ,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Q-Park,

advocaat: mr. S.C. de Lange te Rotterdam,

tegen

GEMEENTE ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. H.G. Kleverkamp te Rotterdam.

Verloop van de procedure

Voor de gang van zaken tot 14 januari 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum (hierna: het tussenarrest). De Gemeente heeft hierop een akte na tussenarrest (met producties) genomen, waarna Q-Park ook een akte na tussenarrest (met producties) heeft genomen. Vervolgens zijn opnieuw de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.



Beoordeling

Het resterende geschilpunt: het parkeerbeleid

1.

Blijkens het tussenarrest heeft Q-Park de door haar gestelde wanprestatie van de Gemeente onder meer gebaseerd op het volgende.

(b1) Er is sprake van nodeloze aanleg door de Gemeente van circa 500 nieuwe parkeerplaatsen in de omgeving van de parkeergarage, te weten (conclusie van repliek 38 juncto productie 10 inleidende dagvaarding):
-56 op de Schiehavenkade (voor AH),
-90 in de Lloydstraat,
-102 op de Kratonkade,
-14 parkeerplaatsen op de Kratonkade waar illegaal wordt geparkeerd, en
-262 parkeerplaatsen (op de parkeerterreinen van STC en Kuehne en Nagel),
terwijl aanvankelijk op basis van het tijdelijke inrichtingsplan sprake was van de aanleg van (slechts) 48 parkeerplaatsen in de omgeving.

(b2) De Gemeente heeft vele parkeervergunningen op straat verleend (onder andere aan RTV-Rijnmond en ARA), ondanks het beleid van de Gemeente dat het blik van straat moest.

2.

Na gevoerd verweer heeft het hof in zijn tussenarrest onder meer overwogen (zie hierna rechtsoverwegingen 2.1, 2.2 en 2.3):



2.1
In de Koopovereenkomst zijn terzake de volgende passages opgenomen:
“Partijen stellen hierbij vast dat het beleid van Stadstoezicht Rotterdam erop is gericht dat in het Lloyd-kwartier zo min mogelijk op straat wordt geparkeerd. “ en
“Binnen het Lloyd-kwartier zal een betaald parkeerregime gelden overeenkomstig de algemene uitgangspunten van de gemeente Rotterdam. Handhaving van dit parkeerregime geschiedt door STZ.”


2.2
Deze bepalingen heeft Q-Park naar het oordeel van het hof redelijkerwijs zo mogen uitleggen dat de Gemeente zich hiermee heeft verbonden om in het Lloydkwartier het gemeentelijk parkeerbeleid (autoluw) uit te voeren en zoveel mogelijk te handhaven. (…)

2.3
Een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen op straat tot de gestelde 500 en het (ruim) uitgeven van parkeervergunningen lijken zich hiermee niet te verdragen. De Gemeente heeft tegenover deze verwijten volstaan met op te merken dat er niet méér parkeerplaatsen zijn aangelegd dan voorzien in het bestemmingsplan en dat de mogelijkheid om vergunningen te verstrekken aan bedrijven blijft bestaan, maar dit acht het hof voor de beoordeling van deze kwestie ontoereikend. Tenminste kan van de Gemeente (in verband met haar bewijsaandraagplicht) worden gevergd om:
(I) deugdelijk in te gaan op de stelling van Q-Park dat er in de omgeving van de parkeergarage vele (onnodige) parkeerplaatsen zijn aangelegd (zie rechtsoverweging 16b1), en
(II) om aan te geven hoeveel parkeervergunningen, waar, zijn verstrekt en waarom (zie rechtsoverweging 16b2).

3.

Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van de Gemeente, waarbij de Gemeente werd verzocht:
(I) om deugdelijk in te gaan op de stelling van Q-Park dat er in de omgeving van de parkeergarage vele (onnodige) parkeerplaatsen zijn aangelegd, en
(II) om aan te geven hoeveel parkeervergunningen, waar, in de omgeving zijn verstrekt en waarom.

4.

De Gemeente heeft bij akte betwist dat zij onnodige parkeerplaatsen op straat heeft aangelegd. Zij heeft betoogd dat zij wel degelijk een autoluw parkeerbeleid in het Lloydkwartier voert. In dit verband heeft de Gemeente, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

a) Voor het te ontwikkelen gebied het Lloydkwartier geldt een bijzondere parkeereis, te
weten maximaal 30% parkeren op straat. Op grond van deze bijzondere parkeereis is

het gemeentelijk beleid op het Lloydkwartier aan te merken als ‘autoluw’.
b) Het tijdelijke inrichtingsplan van de Gemeente betreft uitsluitend de Lloydstraat (nummer 3 productie 10 van Q-Park). De overige locaties op deze productie liggen elders op het Lloydkwartier. De daar aangelegde parkeerplaatsen kunnen dan ook niet worden afgezet tegen de 48 parkeerplaatsen die waren voorzien in het tijdelijke inrichtingsplan van de Gemeente.
c) Al in 2003 was dwars parkeren gepland aan de noordzijde van de Sint Jobsweg en aan de westzijde van de Lloydstraat. Aan de oostzijde van de Lloydstraat was destijds langsparkeren gepland. De uiteindelijke inrichting stemt hiermee overeen.
d) In de Lloydstraat zijn 35 parkeerplaatsen aan de oostzijde en 47 parkeerplaatsen aan de westzijde aangelegd.
e) De parkeerplaatsen die het bedrijf Kuehne & Nagel in gebruik heeft zijn van tijdelijke aard en concurreren niet met de parkeerplaatsen in de parkeergarage. Het inpandig parkeren van Kuehne & Nagel is immers voorzien in locatie E, welke nog moet
worden ontwikkeld en de loopafstand naar de parkeergarage is ver. Daarnaast werden aan Kuehne & Nagel geen vergunningen verstrekt voor parkeren op straat.
f) Het parkeerterrein van Wine or Water betreft een tijdelijke inrichting (evenals dit restaurant) totdat deze locatie F wordt ontwikkeld.
g) Nog in juli 2007, na het sluiten van de Koopovereenkomst, bestond op basis van een studie de vrees dat de parkeergarage niet toereikend zou zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte op het Lloydkwartier (productie 28 Gemeente). Door de economische recessie en het nadien lagere autobezit is de bezetting van de parkeergarage lager dan destijds werd verondersteld (productie 21 Gemeente).
h) De Gemeente is terughoudend geweest bij het afgeven van parkeervergunningen op het Lloydkwartier en heeft aanvragen beoordeeld op basis van haar beleid dat is vastgelegd in een gepubliceerd Uitvoeringsbesluit.

5.

Q-Park heeft hierop bij akte, samengevat, als volgt gereageerd.
A) De stelling van de Gemeente dat de vele nodeloze straatparkeerplaatsen bij Bestemmingsplan
zouden zijn voorzien is niet toereikend (vgl. r.o. 23 Tussenarrest). Bovendien heeft de Gemeente zelfs niet aangetoond dat die nieuwe straatparkeerplaatsen daadwerkelijk waren voorzien.
B) De Gemeente heeft het aantal straatparkeerplaatsen in de omgeving van de parkeergarage onjuist geteld.
C) De Gemeente gaat in haar akte voorbij aan de opdracht van het hof om te
onderbouwen hoeveel nieuwe straatparkeerplaatsen nodig waren, gelet op:
(i) de capaciteit en mogelijkheden voor een rendabele exploitatie van de parkeergarage; en
(ii) de achterblijvende bouw, ontwikkeling en vulling van de bij Bestemmingsplan voorziene woningen en kantoren.
D) De stelling van de Gemeente dat de parkeergarage overdag zelfs te klein zou zijn om in de parkeerbehoefte ter plaatse te voorzien is niet onderbouwd, onjuist en wordt uitdrukkelijk betwist.
E) De kwestie over de afgegeven parkeervergunningen is zowel in eerste aanleg als in
appel door Q-Park aan de kaak gesteld. Deze kwestie is dus niet tardief door Q-Park opgeworpen.
F) Dat de Gemeente data is kwijtgeraakt over wanneer en wie zij parkeervergunningen
heeft verstrekt ligt in haar risicosfeer. Dat de Gemeente tekort schiet in de zorgvuldige opslag van belangrijke data behoort in elk geval niet voor rekening van Q-Park te komen. en
G) Zelfs uit de eigen stellingen van de Gemeente volgt dat zij geenszins terughoudend is gebleven in het verstrekken van straatparkeervergunningen.

6.

Het hof stelt het volgende voorop. Anders dan Q-Park in haar reactie bij akte na tussenarrest lijkt te suggereren, ligt de stelplicht en (bij betwisting) de bewijslast terzake niet bij de Gemeente, maar bij Q-Park. Het hof heeft slechts aan de Gemeente verzocht meer gegevens te verschaffen, zodat Q-Park (beter) kan voldoen aan de op haar rustende verplichting om deze gestelde grondslag van haar vordering uit wanprestatie bewijzen.

7.

Het hof heeft in zijn tussenarrest (rechtsoverweging 22) geoordeeld dat Q-Park de bepalingen van de Koopovereenkomst redelijkerwijs zo heeft mogen uitleggen dat de Gemeente zich hiermee heeft verbonden om in het Lloydkwartier het gemeentelijk parkeerbeleid (autoluw) uit te voeren en zoveel mogelijk te handhaven. Tussen partijen is niet in geschil dat dit parkeerbeleid als parkeernorm inhield dat 70% van de parkeerplaatsen inpandig (bijvoorbeeld in een ondergrondse parkeergarage) en maximaal 30% op straat gerealiseerd zouden worden. Dit betekent dat de parkeerplaatsen op straat moeten worden afgezet tegen deze 30%-70%-norm. Op dit punt heeft Q-Park echter niet voldaan aan haar stelplicht. Zij heeft wél onderbouwd gesteld – dit is door de Gemeente betwist – dat er onnodig veel parkeerplaatsen op straat zijn aangelegd, maar zij heeft niets concreets, althans onvoldoende, gesteld over de invulling van de 70% norm. In dit verband geldt bovendien dat een aantal van de door Q-Park ‘als parkeerplaatsen op straat’ geduide parkeerplaatsen niet als zodanig kunnen gelden. Het gaat hier met name om de uitdrukkelijk als tijdelijk bedoelde parkeerplaatsen (in dit gebied in ontwikkeling), veelal met het oog op een inpandige voorziening daarná. Het hof wijst als voorbeeld op het Kuehne & Nagel (K&N) parkeerterrein, waar volgens Q-Park 106 parkeerplaatsen voor K&N zijn aangelegd, maar waarvan de Gemeente heeft gesteld dat het de bedoeling is dat deze parkeerplaatsen, naar het hof begrijpt inpandig, worden aangeboden aan een nog te ontwikkelen locatie E, welke door recessie en stagnatie in de bouw nog niet is gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn dus, aldus de Gemeente, nooit bedoeld geweest voor de parkeergarage van Q-Park en kunnen evenmin worden aangemerkt als behorend tot de 30%-categorie van parkeerplaatsen op straat. Ditzelfde geldt voor de parkeerplaatsen bij restaurant Wine or Water, die ook als tijdelijk zijn bedoeld en die na realisatie van locatie F worden opgeheven. De stelling van Q-Park dat de ‘vermeende’ inpandige voorziening voor de Kuehne & Nagel parkeerplaatsen bij gebrek aan onderbouwing wordt betwist (akte Q-Park na tussenarrest 2.44), wordt gepasseerd. Q-Park miskent hiermee dat de stelplicht en bewijslast (van de wanprestatie) op haar rust. De stelling van de Gemeente over de geplande inpandige parkeerplaatsen vormt immers een onderbouwing van haar verweer dat er geen sprake is van wanprestatie. Onder deze omstandigheid rust de bewijslast dat er sprake is van wanprestatie en dat de stelling van de Gemeente niet klopt, op Q-Park. Er is echter terzake geen bewijs is aangeboden dat voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

8.

Onder deze omstandigheden is door Q-Park onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat er sprake is van nodeloze parkeerplaatsen, aangelegd in strijd met het autoluwe beleid waar Q-Park redelijkerwijs vanuit mocht gaan. In dit verband brengt het hof bovendien nog in herinnering dat de afspraak tot het zoveel mogelijk handhaven van dit beleid slechts in vage termen in de Koopovereenkomst tussen (de professionele) partijen is vastgelegd, zodat er geen grond is voor extensieve interpretatie daarvan. Met name valt niet in te zien dat aan de Gemeente kan worden tegengeworpen dat zij (kennelijk geplande) parkeerplaatsen op straat heeft aangelegd, terwijl de bouw van woningen en kantoren door de vastgoedcrisis stagneerde (zie 2.15 en 2.16 akte Q-Park na tussenarrest). De Gemeente heeft zich immers niet jegens Q-Park verbonden om slechts een concreet aantal straatparkeerplaatsen aan te leggen. De Gemeente heeft zich verbonden tot het uitvoeren en zoveel mogelijk handhaven van autoluw beleid. Hierbij heeft de Gemeente enige discretionaire ruimte, zoals de wens ‘om het gebied niet jarenlang braak te laten liggen’. Aldus kan niet geoordeeld worden dat de Gemeente de Koopovereenkomst heeft geschonden. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de Gemeente thans (in 2014) niet meer exact kan nagaan hoeveel parkeervergunningen in het verleden zijn verstrekt en op welke gronden, temeer nu dit aspect pas laat in de procedure deze aandacht heeft gekregen en de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat er wél een bepaald vergunningbeleid was ontwikkeld.


Slotsom

9.

De slotsom is dan ook dat de grondslagen b1 en b2 (zie tussenarrest rechtsoverweging 16b1 en 16b2 en rechtsoverweging 30) worden verworpen. De grieven falen, althans hoeven verder niet meer afzonderlijk te worden besproken. Gelet op hetgeen verder in het tussenarrest reeds is overwogen, komt de in hoger beroep (gewijzigde) vordering van Q-Park evenmin voor toewijzing in aanmerking. Dit betekent dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd en dat de in hoger beroep gewijzigde vordering van Q-Park dient te worden afgewezen. Hierbij past dat Q-Park wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de bestreden vonnissen;

  • -

    wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

  • -

    veroordeelt Q-Park in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 4.961,-- (tarief gebaseerd op wijziging eis 08-01-2013) aan verschotten en € 16.030,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en
H.C. Grootveld, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2014, in aanwezigheid van de griffier.