Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3024

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
BK-13-00177
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8699, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Naheffingsaanslag wegens schending van het kenbaarheidsvereiste ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2441
V-N Vandaag 2014/2105
V-N 2014/58.18.6
Belastingblad 2014/515

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00177

Uitspraak van 13 augustus 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Regionale belasting groep, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans: rechtbank Den Haag) van 21 december 2012, nummer AWB 12/5610, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8699, betreffende na vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Delft opgelegd ten bedrage van € 77 (= € 23 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 54 aan kosten).

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 56,50 (= € 2,50 verschuldigde parkeerbelasting + € 54 kosten naheffing) en de Inspecteur gelast het betaalde griffierecht van € 42 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.3. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 januari 2014, gehouden te Den Haag alsmede te Delft door middel van een onderzoek ter plaatse. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting en het onderzoek ter plaatse is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening, tarieventabel en aanwijzingsbesluit

3.

De raad van de gemeente Delft heeft in zijn openbare vergadering van 10 november 2011 de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012 (hierna: Verordening) en de bij de Verordening behorende tarieventabel (hierna: Tarieventabel) vastgesteld. Voorts heeft de raad van de gemeente Delft op 26 januari 2012 het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren (hierna: Aanwijzingsbesluit) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening met bijbehorende Tarieventabel en het Aanwijzingsbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door de ene partij gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende is houder van het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De auto stond op dinsdag 8 mei 2012 op of omstreeks 16.25 uur geparkeerd in de [a-straat] te Delft voor de tandartsenpraktijk op de hoek met de [b-straat]. Aldaar had belanghebbende zijn auto vóór 16:00 uur geparkeerd wegens een tandartsafspraak om 16.05 uur.

4.2. De [a-straat] en de [b-straat] zijn gelegen in het gebied dat in artikel 1a van bijlage 1 behorende bij het Aanwijzingsbesluit is aangeduid als Gebied C. De plaats waar de auto stond geparkeerd is in de bijlage aangewezen als belanghebbendenplaats ofwel vergunninghouderplaats die bestemd was als plaats waar op maandag tot en met vrijdag van 16.00 uur tot 22.00 uur tegen betaling van parkeerbelasting dan wel met een vergunning mocht worden geparkeerd. Het daarbij behorende tarief is het tarief bedoeld in onderdeel 1.1 van hoofdstuk 1 van de Tarieventabel, te weten het dagkaarttarief van € 23.

4.3. Het parkeerbelastingregime in gebied C is gedragsregulerend met als doel ontmoediging van parkeren door niet-bewoners. In het kader van deze parkeerregulering wordt een verhoogd tarief van € 23 gehanteerd. Op grond van de Verordening is het parkeren op een vergunninghouderplaats toegestaan aan vergunninghouders of door anderen tegen aanschaf van een dagkaart. Het tarief van de dagkaart is eveneens € 23. Het maakt geen verschil of vijf minuten, een uur of een dag wordt geparkeerd: in alle gevallen is het tarief € 23, het dagkaarttarief. De dagkaart kan - evenals voor andere parkeerkaartjes dan dagkaarten - uit de parkeerapparatuur worden verkregen door inworp van muntgeld of door middel van de chipknip.

4.4. Het tarief van € 5,70 per maand, bedoeld in onderdeel 2.12 van hoofdstuk 1 van de Tarieventabel is het tarief voor de eerste parkeervergunning voor bewoners in de gebieden C tot en met H. Dit tarief betreft in geen geval een dagkaarttarief.

4.5. Aan de toegangswegen naar het gebied C zijn borden geplaatst met de volgende aanduidingen: bovenaan Zone, ter linkerzijde de aanduiding verboden te parkeren aan beide zijden van de weg, niet zijnde daartoe ingerichte parkeervakken, ter rechterzijde een blauwe rechthoek met daarin een grote, witte hoofdletter P met daaronder de tekst ”vergunninghouders” en daaronder de tijdsaanduiding ”ma t/m vr 16-22h za 12-22h”.

4.6. Verderop binnen het gebied C zijn borden geplaatst met de volgende aanduidingen: bovenaan Zone een blauwe rechthoek met daarin een grote, witte hoofdletter P met daaronder de tekst ”vergunninghouders C” en daaronder ”herhaling” en de tijdsaanduiding ”ma t/m vr 16-22h za 12-22h”.

4.7. Op de hoek van de [c-straat], een zijstraat van de [b-straat], welke weer een zijstraat van de [a-straat] is (de straat waar belanghebbendes auto was geparkeerd), stond een verkeersbord met bovenaan de vermelding “zone” en daaronder naast elkaar twee blauwe staande rechthoeken met daarin een grote, witte hoofdletter P. Onder de ene P stond de tekst ”vergunninghouders C” en onder de andere P een tekening van een hand die een munt in een gleuf werpt. Onderaan het bord stond de tekst: ”ma t/m vr 16-22h za 12-22h.”. Vanuit de plaats waar belanghebbendes auto stond geparkeerd – op de [a-straat] - is deze bebording niet te zien. Bovendien lijkt de bebording betrekking te hebben op het resterende deel van de [b-straat] en de zijstraat daarvan. Ook is de bebording in de smalle [b-straat], indien veel auto’s geparkeerd staan, niet altijd even goed zichtbaar, zelfs indien men de [b-straat] van de zijde van de [a-straat] inloopt.

4.8. Onder de onder 4.7 vermelde bebording op de hoek van de [c-straat] en de [b-straat], staat een parkeerautomaat waarop onder meer stond vermeld:

”(…)

BETAALD PARKEREN

MAANDAG T/M VRIJDAG

16.00 UUR TOT 22.00 UUR

ZATERDAG 12.00 UUR TOT 22.00 UUR

PARKEERTARIEF

€ 2,50 PER UUR

MINIMUM INWORP € 0,20

DAGKAART VERGUNNINGPLAATSEN € 23,00

GEBRUIK KNOP II

(…)”

4.9. De parkeercontroleur heeft de auto in de [a-straat] te Delft voor de tandartsenpraktijk voor de hoek met de [b-straat] om 16.25 uur aangetroffen en geconstateerd dat in de auto geen parkeer- of dagkaart lag. Omdat belanghebbende volgens de parkeercontroleur een dagkaart had moeten kopen, heeft hij achter de ruitenwisser van de auto een naheffingsaanslag aangebracht. De tekst daarvan luidt, voor zover hier van belang:

”(…)

U heeft geparkeerd zonder (geldig) parkeerbewijs

Omschrijving:

Geen vergunning/bezoekerskaart/dagkaart

Opmerking:

Geen vergunning aanwezig. Geen

laden/lossen of in-/uitstappen

Parkeerbelasting

23,00

Reeds betaald

0

Kosten naheffing:

54,00

Te betalen

77,00

(…)”

Belanghebbende had geen parkeerbelasting voldaan en beschikte niet over een vergunning. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of het belanghebbende redelijkerwijs voldoende kenbaar kon zijn dat hij op de desbetreffende plaats in de [a-straat] op de hoek met de [b-straat] uitsluitend met een dagkaart vergunningenplaats mocht parkeren.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, bevestiging van de uitspraak op bezwaar en bevestiging van de naheffingsaanslag.

6.2. Belanghebbende concludeert in incidenteel hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag.

Oordeel van de rechtbank

7.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“(…)

9.

Volgens artikel 2 van de Verordening is het de bevoegdheid van het college de plaatsen voor vergunninghouders aan te wijzen. Volgens artikel 17 van de Verordening wijst de gemeenteraad de plaatsen aan waar voor het parkeren dient te worden betaald. Ter zitting heeft [de Inspecteur] verklaard dat hem geen besluit van het college bekend is, waarin de plaatsen voor vergunninghouders worden aangewezen. Deze aanwijzing is volgens hem gedaan door de gemeenteraad in artikel II van het Aanwijzingsbesluit. Gezien het bepaalde in artikel 10 van de Verordening (wat er zij van het opschrift ”Belastbaar feit”) is de gemeenteraad er dus mogelijk vanuit gegaan dat er vergunninghoudersplaatsen zijn waarvoor betaald moet worden (die wijst de raad aan) en plaatsen waarvoor niet hoeft te worden betaald en dus zonder betaling een vergunning voor wordt gegeven, die zou dan het college aanwijzen. Een dergelijk onderscheid dan wel aanwijzingsbesluit is [de Inspecteur] niet bekend.

10.

Volgens artikel 10 van de Verordening geldt in elk geval voor de belasting onder a. weer dat het college bepaalt op welke plaats, tijdstip en wijze deze belasting dient te worden betaald. Hierover zijn [de Inspecteur] evenmin besluiten van het college bekend. Echter in artikel I van het Aanwijzingsbesluit in samenhang met de daarbij horende Bijlage 1 heeft de gemeenteraad bepaald op welke plaatsen, het tijdstip en de wijze de belasting van artikel 10, onder a., dient te worden betaald. Uit artikel 1a (Plaats en tijdstip betaald parkeren vergunninghoudersplaatsen) van genoemde Bijlage 1 (Plaats, tijdstip en wijze betaald parkeren) maakt de rechtbank op dat hierin de gebieden worden aangewezen voor vergunninghouders en voor betaald parkeren, voor zover niet uitgezonderd. Hoe dit artikel zich verhoudt tot het bepaalde in artikel II van het Aanwijzingsbesluit en de daarbij behorende Bijlage 2, laat de rechtbank onbesproken. Zij stelt vast dat de in overweging 1. genoemde parkeerplaats onderdeel uitmaakt van het in artikel la van Bijlage 1 aangewezen gebied C en binnen dit gebied niet is aangewezen als mixed parkeerplaats of overigens is uitgezonderd en dus kennelijk behoort tot de vergunninghoudersplaatsen waarvoor betaald moet worden, en tot de reguliere betaaldparkeerplaatsen.

11.

In de bij de Verordening behorende Tarieventabel zijn in artikel 1, onder 1., de tarieven vermeld voor het parkeren bij parkeerapparatuur en in hetzelfde artikel onder 2. de tarieven voor het parkeren op een parkeerplaats voor belanghebbenden. Gezien het in artikel 1 van de Verordening onder i., j. en l. bepaalde en gezien de door de gemeente gebruikte borden gaat de rechtbank ervan uit dat met ”belanghebbendenplaats” en met ”vergunninghoudersplaats” hetzelfde bedoeld wordt en dat ook de woorden belanghebbenden en vergunninghouders als synoniem worden gebruikt. [De Inspecteur] kon dit bevestigen noch ontkennen.

12.

Het in 9. t/m 11. overwogene brengt de rechtbank tot de conclusie dat de parkeerregulering en de parkeerbelastingen in Delft op zijn zachtst gezegd niet goed en duidelijk zijn geregeld. Aan deze conclusie zal de rechtbank op dit moment geen vergaande gevolgen verbinden, maar de regelgeving zo uitleggen als zij in samenhang bezien, mede gezien de geschiedenis van haar totstandkoming, zal zijn bedoeld door de gemeenteraad en voor zover deze bedoeling niet strijdt met de wet. Bij de toepassing zal de rechtbank tevens als toets hanteren dat de bedoelde regels voor een parkeerder ter plaatse kenbaar moeten zijn. Ter zitting heeft zij bij [de Inspecteur] erop aangedrongen de regelgeving binnen korte termijn ten minste aan de voor belastingheffing gestelde eisen te laten voldoen, omdat de rechtbank niet met de hiervoor genoemde uitleg kan blijven volstaan.

13.

Gezien de overgelegde foto’s kan de rechtbank [belanghebbende] volgen in zijn stelling dat ter plaatse niet eenvoudig is vast te stellen dat het om een parkeerplaats gaat waarvoor betaald dient te worden. Hij had echter wel dienen vast te stellen dat de bebording aangeeft dat de parkeerplaatsen daar tussen 16.00 en 22.00 uur bedoeld zijn voor vergunninghouders. [Belanghebbende] heeft ten opzichte van zijn rijrichting aan de linkerkant van de weg geparkeerd en heeft toen en bij het lopen naar de ingang van de tandartspraktijk geen herhalingsbord waargenomen.

Dit ontslaat hem echter niet van de plicht zich op de hoogte te stellen van het geldende parkeerregime, zie Hof ’s-Gravenhage 18 oktober 2002, nr. 30.141, LJN: AA3126. In de [b-straat] had hij eenvoudig kunnen vaststellen dat de parkeerplaatsen in een zone voor vergunninghouders liggen en had hij de parkeerautomaat moeten opmerken, waarop hij kon lezen wat hem te doen stond. Door dit niet te doen, heeft hij bewust het risico aanvaard dat een naheffingsaanslag zou kunnen worden opgelegd tijdens zijn bezoek aan de tandarts.

14.

Op de in 13. genoemde parkeerautomaat staat onder meer:

”(…)

BETAALD PARKEREN

MAANDAG T/M VRIJDAG

16.00

UUR TOT 22.00 UUR

(...)

PARKEERTARIEF

€ 2,50 PER UUR

MINIMUM INWORP € 0,20

DAGKAART VERGUNNINGPLAATSEN € 23,00

GEBRUIK KNOP II

(…)”

15.

Uit deze vermelding had [belanghebbende] moeten begrijpen dat hij volgens de gemeente per vijf minuten parkeren, na 16.00 uur, ten minste € 0,20 had moeten voldoen. Hij heeft geen enkel bedrag voldaan. [De Inspecteur] heeft daarom begrijpelijkerwijs een naheffingsaanslag opgelegd. Op grond van artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet wordt deze aanslag berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Dit laatste is hier niet het geval.

16.

De stelling van [de Inspecteur] met verwijzing naar het bepaalde in artikel la in Bijlage 1 bij het Aanwijzingsbesluit, dat het de bedoeling van de gemeenteraad is geweest in dit geval het tarief van onderdeel 1.1. (bedoeld zal zijn van artikel 1) van de Tarieventabel van toepassing te doen zijn, kan de rechtbank niet volgen. Dit tarief geldt voor een dagkaart voor vergunninghoudersplaatsen en bedraagt zowel per uur € 23 als per dag € 23. Hoewel aan de gemeenteraad in het algemeen een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van de tarieven, stelt de rechtbank vast dat voor tijdsafhankelijk parkeren bij parkeerapparatuur een zelfde tarief voor één uur als voor 24 uur niet past in het systeem van de wet en niet overeenkomt met de in 15. genoemde wettelijke regeling. Daarnaast is het strijdig met het door de gemeenteraad zelf vastgestelde artikel 1c van Bijlage 1 bij het Aanwijzingsbesluit, doet het de vraag rijzen waarom de gemeenteraad in onderdeel 1.10. van artikel 1 van de Tarieventabel voor de reguliere betaaldparkeerplaatsen in gebied C een uurtarief van € 2,50 per uur heeft opgenomen en lijkt de betreffende parkeerplaats gezien de door de gemeente gekozen systematiek veeleer een belanghebbendenparkeerplaats te zijn, waarvoor het tarief van onderdeel 2. van artikel I van de Tarieventabel geldt. Hierin is een zelfde tarief voor een dagkaart opgenomen, doch een tarief van € 5,70 per maand. Dit in aanmerking nemend is een tarief van € 23 per uur nog meer buitensporig en niet aanvaardbaar. Voorts maakt de vermelding op de parkeerapparatuur het aan bezoekers niet duidelijk dat de bedoeling van de gemeente is dat zij op ”vergunningplaatsen” alleen met een dagkaart zouden mogen parkeren en niet tegen betaling van een tijdsduurafhankelijk tarief.

17.

Het voorgaande leidt ertoe dat de verschuldigde belasting in dit geval € 2,50 bedraagt, het tarief voor één uur voor reguliere betaaldparkeerplaatsen in gebied C, en dat de naheffingsaanslag overeenkomstig dient te worden verminderd. Het beroep is gegrond.

(…)”

Beoordeling van het hoger beroep

8.1. Ingevolge de Verordening, gelezen in samenhang met de daarbij behorende Tarieventabel en het Aanwijzingsbesluit, mocht op de parkeerplaats waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd worden geparkeerd tegen betaling van betaaldparkerenbelasting naar een tarief van € 23 (dagkaart) of met een voor die plaats geldige parkeervergunning ter zake waarvan parkeervergunningbelasting is betaald.

8.2. Niet in geschil is dat belanghebbende niet heeft geparkeerd met een vergunning waarvoor parkeervergunningbelasting is betaald. Belanghebbende stelt dat onvoldoende duidelijk was dat ter plaatse zonder parkeervergunning alleen mocht worden geparkeerd tegen betaling van betaaldparkerenbelasting. Voor het geval het Hof mocht beslissen dat wel voldoende duidelijk was dat voor het parkeren ter plaatse betaaldparkerenbelasting verschuldigd was, neemt belanghebbende het standpunt in dat ter plaatse onvoldoende duidelijk was dat voor het parkeren niet het normale tarief, maar € 23 moest worden betaald. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

8.3. Naar het oordeel van het Hof is de verschuldigdheid van betaaldparkerenbelasting voldoende kenbaar indien zij blijkt uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur, borden met informatie over het geldende parkeerregime of andere aanwijzingen in de nabijheid van de plaats waarop is geparkeerd en gelet daarop omtrent de verschuldigdheid van betaaldparkerenbelasting op de parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan.

Een parkeerder – en dus ook belanghebbende - dient zich alvorens over te gaan tot parkeren op de hoogte te stellen van de plaatselijke voorschriften. Het niet naleven van deze voorschriften komt voor risico van de parkeerder.

8.4. De auto van belanghebbende stond ten tijde van de controle in de [a-straat] te Delft voor de tandartsenpraktijk voor de hoek met de [b-straat] in de vergunninghouderszone (gebied C) geparkeerd zonder dagkaart of vergunning.

8.5. Anders dan in de beide parkeerbelastingzaken die hebben geleid tot de uitspraken van dit Hof van 29 februari 2012, met kenmerk BK-11/00505, en van 12 juni 2013, met kenmerk BK-12/00328, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3707, Belastingblad 2013/294, heeft het Hof in de onderhavige zaak de situatie ter plaatse bekeken en daarbij geconstateerd dat belanghebbende bij het binnenrijden van het gebied C aan de bebording niet heeft kunnen zien dat hij door te parkeren voor de tandartsenpraktijk tussen 16.00 en 22.00 uur betaaldparkerenbelasting verschuldigd zou gaan worden omdat borden met daarop een P en een tekening van een hand die een munt in een gleuf werpt, ontbreken. Wel staan borden geplaatst met een P en daaronder de tekst ”vergunninghouders”. Uit deze bebording kan enkel worden afgeleid dat slechts vergunninghouders mogen parkeren op de [a-straat] tussen 16.00 en 22.00 uur en ontbreekt aldus een kennisgeving dat ook betaald parkeren mogelijk is. Eerst nabij de parkeerautomaat in de [b-straat] stond een verkeersbord met daarop een afbeelding van een hand die een munt in een gleuf werpt, doch deze wijst de [c-straat] in, een zijstraat van de [b-straat]. Uit de bebording op de [a-straat] kon belanghebbende dus niet afleiden dat hij toch enig bedrag aan betaaldparkerenbelasting had moeten voldoen.

8.6. Hoewel belanghebbende niet van de plicht is ontslagen om zich op de hoogte te stellen van het ter plaatse geldende parkeerregime en door een onderzoek in de directe omgeving van de tandartsenpraktijk de parkeerautomaat derhalve had kunnen opmerken, doet de voor het eerst voorkomende bebording op de hoek van de [c-straat], met daarop een P en een tekening van een hand die een munt in een gleuf werpt, veronderstellen dat dit slechts geldt voor de [c-straat], maar niet voor de [a-straat]. Daar komt bij dat de term ”vergunninghouders” op de bebording en de gehanteerde formulering ”dagkaart vergunningplaatsen” door de modale belastingplichtige niet zal worden geassocieerd met de mogelijkheid om bij een incidenteel bezoek te parkeren tegen betaling van betaaldparkerenbelasting.

8.7. Hoewel de verschuldigdheid van parkeerbelasting in de Verordening, de bijbehorende Tarieventabel en het Aanwijzingsbesluit op juiste wijze is geformuleerd, is het door de bebording en de gehanteerde terminologie op straat volstrekt onduidelijk dat voor het parkeren van een auto voor de tandartsenpraktijk zonder een vergunning tussen 16.00 uur en 22.00 uur betaaldparkerenbelasting verschuldigd was.

8.8. Het vorenstaande leidt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag wegens schending van het kenbaarheidsvereiste ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 108 (wegens € 100 aan verletkosten en € 8 aan reiskosten naar het tarief openbaar vervoer tweede klasse). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissing omtrent de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 108;

  • -

    gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 487.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. W.M.G. Visser, J.J.J. Engel en W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 13 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de oudste raadsheer

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.