Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3023

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
BK-13-01729
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:27846, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Proceskosten. De heffingsambtenaar heeft bij de vaststelling van de proceskosten terecht 0,25 als wegingsfactor toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/53.26.7
Belastingblad 2014/467
V-N Vandaag 2014/1962
FutD 2014-2311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01729

Uitspraak van 20 juni 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2013, nummer ROT 12/5326.

Naheffingsaanslag, bezwaar en beroep

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam van € 55,58 (€ 1,58 belasting en € 54 kosten) opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag vernietigd en € 54,50 aan proceskostenvergoeding toegekend.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven.

2.2. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 juni 2014 in Den Haag. De heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is, met schriftelijk bericht, niemand verschenen.

Feiten

3.1. Op 25 augustus 2012 is door een parkeercontroleur geconstateerd dat een auto is geparkeerd op de [a-straat] in [Q] zonder een geldige parkeervergunning of een geldig parkeerkaartje. Naar aanleiding van die constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. In bezwaar heeft belanghebbende verzocht de naheffingsaanslag te vernietigen en de kosten voor in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden.

3.3. Bij de uitspraak op het bezwaar is de naheffingsaanslag, omdat is gebleken dat het hier niet gaat om de auto van belanghebbende, vernietigd en is € 54,50 (€ 218 met wegingsfactor 0,25) aan proceskostenvergoeding toegekend.

De rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4.2.

Uit de jurisprudentie (onder meer de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8081) volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. [De heffingsambtenaar] heeft de zaak beoordeeld als zeer licht en wegingsfactor 0,25 toegepast. Gelet op de geringe bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak – [belanghebbende] heeft op eenvoudige wijze kunnen aantonen dat zijn voertuig zich op 25 augustus 2012 niet in [Q] bevond – is dit naar het oordeel van de rechtbank correct. Uit het vorenstaande volgt dat het gewicht van een zaak niet wordt beoordeeld aan de hand van regels met betrekking tot stelplicht en bewijslast. [De heffingsambtenaar] was dan ook niet gehouden zijn beslissing ten aanzien van de wegingsfactor te motiveren. Het beroep is ongegrond.

5.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskosten een wegingsfactor 1 had moeten toepassen, wat belanghebbende bepleit, dan wel terecht 0,25 als wegingsfactor heeft toegepast, wat de heffingsambtenaar verdedigt.

5.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de toepassing door de heffingsambtenaar van een wegingsfactor 0,25 correct is. Uit de met betrekking tot deze zaak voorhanden zijnde gegevens, in het bijzonder gelet op het belang en de ingewikkeldheid, is naar 's Hofs oordeel af te leiden dat, zo al een veroordeling in de proceskosten aan de orde is, de heffingsambtenaar als de beoordelende instantie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de zaak in gewichtscategorie 0,25 valt.

6.2. De door de heffingsambtenaar eerst ter zitting betrokken stelling dat voor belanghebbende in het geheel geen aanleiding heeft bestaan een beroepsgemachtigde in te schakelen, zodat toekenning van een proceskostenvergoeding sowieso niet in de rede ligt, en dat in feite ook dat gegeven ten grondslag heeft gelegen aan het dus uit coulance toepassen van gewichtscategorie 0,25, hoeft geen behandeling.

6.3. Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 20 juni 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.