Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3022

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
BK-13-00679
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7187, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:24
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende verplicht verzekerd en premieplichtig ingevolge de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2306
V-N 2014/53.2.2
V-N Vandaag 2014/1956
Belastingadvies 2014/24.9

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00679

Uitspraak van 16 april 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2013, nr. SGR 12/11637, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.113 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 717.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt.

1.3. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

5

maart 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn daar verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.

Het Hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank vastgestelde feiten, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

“1. Eiser is gehuwd en heeft twee kinderen.

2.

Tot 1 februari 2002 stond eiser samen met zijn gezin ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op het adres [a-straat 1] te [Z]. Op 1 februari 2002 heeft eiser zich in Nederland laten uitschrijven bij de GBA Het nieuwe adres per die datum is [b-straat 1] te [Q], Luxemburg. Eisers gezin bleef ingeschreven op het adres in [Z].

3.

In verband met de uitschrijving uit Nederland bij de GBA heeft de Belastingdienst een vragenformulier emigratie verzonden. Dit formulier is door de toenmalige adviseur van eiser ingevuld en retour gezonden. In zijn begeleidende brief heeft de toenmalige adviseur onder meer meegedeeld dat er geen sprake is van een feitelijk fiscaal vertrek naar het buitenland en dat eiser zijn woning aan de [a-straat] te [Z] aanhoudt, alwaar zijn gezin verblijft en waar eiser veelal de weekenden doorbrengt.

4.

Sinds 1 juni 2002 is eiser directeur van [A] Sarl (hierna: [A] Sarl). Het kantoor van [A] Sarl is gevestigd op het adres [c-straat 1] te [R], Luxemburg. Eiser heeft zich op 15 oktober 2003 in Luxemburg laten inschrijven op dit adres.

5.

Bij brief van 18 september 2006 heeft de toenmalige adviseur desgevraagd aan de Belastingdienst meegedeeld dat de werkzaamheden van eiser voor [A] Sarl bestaan uit:

- klantencontacten en acquisitie;

- ( toezicht op de) administratieve verwerking van personeelsgegevens en salarissen;

- betalingsverkeer;

- klachtenafhandeling;

- indeling en inzet van personeel.

Voorts stelt de adviseur in deze brief dat de werkzaamheden geheel plaatsvinden in en vanuit Luxemburg en dat eiser geen werkzaamheden aan boord van binnenschepen verricht.

6.

Op 15 september 2011 is een rapport opgemaakt van een bij [A] Sarl ingesteld boekenonderzoek. Uit dit rapport blijkt dat er derdenonderzoeken zijn ingesteld. Uit de bevindingen bij deze derdenonderzoeken is geconcludeerd dat [A] Sarl personeel ter beschikking stelt aan binnenvaartondernemers welk personeel werkzaam is in diverse landen, waaronder Nederland.”

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of belanghebbende verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.

4.2. Belanghebbende heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Hij heeft gesteld dat hij de werkzaamheden uitsluitend in Luxemburg, althans buiten Nederland, heeft verricht. Alsdan geldt ingevolge artikel 13, tweede lid, letter a, van Verordening 1408/71 dat de Luxemburgse wetgeving van toepassing is en voorts heeft hij in Luxemburg ook premies betaald.

4.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende een deel van de werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Ingevolge artikel 14, tweede lid, letter b, onder i, van Verordening 1408/71 is dan de Nederlandse wetgeving van toepassing. Nu belanghebbende ingezetene is van Nederland, is hij hier te lande verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zijn deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep daaraan hebben toegevoegd.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert toe vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de premie-aanslag tot een berekend naar een premieplichtig inkomen van nihil en vergoeding van de proceskosten.,

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen:

“(...)

11.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Nederland woont. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat een substantieel deel van de klanten van [A] Sarl in Nederland is gevestigd. Gelet hierop en op het feit dat de werkzaamheden van eiser onder meer bestaan uit klantencontacten, acquisitie en klachtenafhandeling, is naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat eiser een deel van de werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Het ligt dan op de weg van eiser om dat vermoeden te ontzenuwen. Eiser is daarin niet geslaagd. De enkele stelling van eiser dat hij van maandag tot en met vrijdag in Luxemburg was, is daartoe onvoldoende. Nog daargelaten dat daaruit niet per definitie volgt dat er geen werkzaamheden in Nederland zijn verricht, heeft eiser deze stelling met geen enkel bewijs onderbouwd. Daar komt bij dat eiser aanvankelijk heeft gesteld dat de werkzaamheden uitsluitend in Luxemburg werden verricht. De werkzaamheden zouden per telefoon en internet plaatsvinden en dus zou afreizen naar het buitenland niet nodig zijn. Ter zitting heeft eiser evenwel verklaard dat hij incidenteel ook werkzaamheden buiten Luxemburg verrichtte.

12.

Gelet op het vorenoverwogene is de Nederlandse wetgeving van toepassing en nu niet in geschil is dat eiser op grond van die wetgeving verplicht verzekerd is voor de

volksverzekeringen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(...)”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het Hof van oordeel dat de bewijslast dat sprake is van verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen hier te lande op de Inspecteur rust. Aan het vorenstaande doet niet af dat belanghebbende zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een vrijstelling. Gegeven de ook in hoger beroep vaststaande feiten heeft de rechtbank een bewijsvermoeden mogen uitspreken. Dit kan niet anders worden verstaan dan dat de Inspecteur aan zijn stel- en bewijsplicht heeft voldaan. Daarop is het aan belanghebbende om dat vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank heeft belanghebbende daarin niet geslaagd geacht. Anders dan belanghebbende stelt heeft de rechtbank aldus beschouwd de bewijslast op een juiste wijze over partijen verdeeld.

7.2. Het Hof dient in hoger beroep op basis van de vaststaande feiten opnieuw te toetsen of belanghebbende verplicht verzekerd is en overweegt daartoe het navolgende. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende feitelijk in Nederland woonachtig is op het adres waar ook zijn gezin woonachtig is en waar hij in de weekeinden ook feitelijk in gezinsverband verblijf houdt. Voorts heeft belanghebbende de Nederlandse nationaliteit. Anders dan belanghebbende verdedigt en de Inspecteur gemotiveerd heeft bestreden acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ook in Nederland in het kader van zijn dienstbetrekking met [A] Sarl werkzaamheden heeft verricht. Gelet op de aard van belanghebbendes functie acht het Hof aannemelijk dat hij – met behulp van de moderne communicatiemiddelen – ook op de dagen dat hij bij zijn gezin verblijft, bereikbaar is voor zijn klanten. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende zich in deze perioden onbereikbaar houdt ingeval zich klachten voordoen of sprake is van uitgeleend personeel dat per direct moet worden vervangen. Alsdan is naar ’s Hofs oordeel sprake van in Nederland uitgeoefende werkzaamheden als onderdeel belanghebbendes dienstbetrekking en is belanghebbende uit dien hoofde verplicht verzekerd en premieplichtig ingevolge de volksverzekeringen.

De vraag of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de door de Inspecteur bij brieven van 12 juni 2009, 6 juli 2009 en 24 september 2009 gestelde vragen niet heeft beantwoord, behoeft dan ook geen behandeling.

7.3. Aan het vorenstaande oordeel doet niet af hetgeen belanghebbende in de pleitnota en mondeling nog nader heeft toegelicht met betrekking tot de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2014, nr. 12/00411. Anders dan in het onderhavige geval was in het door het Hof Arnhem-Leeuwarden berechte geval de belanghebbende feitelijk werkzaam als kapitein op een schip dat in de Rijnvaart werd geëxploiteerd. Belanghebbende is echter werkzaam als directeur van [A] Sarl en verblijft uit dien hoofde veelvuldig op het kantoor in Luxemburg. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat belanghebbende feitelijk en rechtens in een andere positie verkeert dan de belanghebbende in het door het Hof Arnhem-Leeuwarden berechte geval.

7.4. Ook het concurrentiebeding dat op belanghebbende rust kan niet tot een andersluidend oordeel leiden. Het Hof verstaat dat beding aldus dat het belanghebbende is verboden een eigen onderneming in Nederland te exploiteren. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

7.5. Ook hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel luiden.

7.6. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 16 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.