Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3021

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
BK-13-00717
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4791, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolrecht. Afvalstoffenheffing. Belanghebbende heeft de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld. Mitsdien is er geen dwangsom verschuldigd. Verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. Heffing van rioolrecht van de eigenaren van op de gemeentelijke riolering aangesloten eigendommen is noch strijdig met het proportionaliteitsbeginsel, het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing en/of enig ander algemeen rechtsbeginsel, noch met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Geen rechtsgrond voor de door belanghebbende gevraagde schadevergoeding. Geen aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2400 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/2106
Belastingadvies 2014/23.2
V-N 2014/59.5
Belastingblad 2014/499

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00717

Uitspraak van 16 april 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank) van 4 juli 2013, nummer ROT 11/2439, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag in het rioolrecht.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2008 aanslagen in het rioolrecht en de afvalstoffenheffing opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 160,41 en € 248,25.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 22 juni 2011 heeft de Inspecteur het bezwaar voor zover het de aanslag afvalstoffenheffing betreft gegrond en voor het overige ongegrond verklaard alsmede de aanslag in de afvalstoffenheffing vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3 Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend, waarvan zij over en weer kennis hebben genomen.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

5

maart 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. In zijn openbare vergadering van 6 en 8 november 2007 heeft de raad van de gemeente Rotterdam vastgesteld de Verordening op de heffing en invordering van rioolrecht 2008 (hierna: de Verordening). De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

“De Raad van de gemeente Rotterdam,

(…)

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet;

Besluit:

(…)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder:

a. (…)

b. eigendom verstaan een roerende of onroerende zaak.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1.

Onder de naam 'rioolrecht' wordt een recht geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Artikel 3 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt het recht geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat, indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

Het recht wordt geheven per eigendom of zelfstandig gedeelte.

Artikel 5 Tarief

Het recht bedraagt € 160,41 per eigendom of zelfstandig gedeelte per belastingjaar.”

3.2. Belanghebbende had op 1 januari 2008 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van het direct of indirect op de gemeentelijke riolering aangesloten pand [a-straat 1] te [Z]. Van dit pand maakte een zolderverdieping deel uit. De Inspecteur heeft de zolderverdieping aangemerkt als een zelfstandig gedeelte in de zin van artikel 3 van de Verordening (hierna: het eigendom) en heeft belanghebbende ter zake van het eigendom een aanslag in het rioolrecht (hierna: de aanslag) opgelegd.

3.3. De brief van 1 maart 2008, waarbij belanghebbende tegen de aanslag bezwaar heeft gemaakt, is op 4 maart 2008 door de Inspecteur ontvangen. De voorlaatste alinea van deze brief luidt:

“Wilt u met uw reactie op dit bezwaar wachten tot in hoogste instantie uitspraak gedaan is in de lopende procedure 07/2516-rioolr.gvz-t2 die op 18 februari 2008 voor de Rechtbank Rotterdam voorkwam? Ik wijs u er op, dat het niet aanhouden van dit bezwaar onnodige werkdruk legt bij de Rechtbank en mijzelf en dat hierdoor voor mij extra griffiekosten ontstaan waarvoor ik de rechter om vergoeding zal vragen.”

3.4. Op 3 februari 2011 heeft belanghebbende de Inspecteur een “verzoek tot uitspraak op bezwaar AFV 192B-3-V-2008 aansl.nr [...]’ gezonden. Het verzoek bestaat uit twee afzonderlijke brieven. De eerste brief luidt, voor zover van belang:

“(...)

De Afvalheffing is ten onrechte aan mij opgelegd omdat ik de woning, die onderdeel is van een lager gelegen zelfstandige woning, slechts verhuur.

In het verleden zijn mijn bezwaren niet altijd met de wettelijk voorgeschreven zorgvuldigheid behandeld. Daarom verzoek ik u thans binnen de daarvoor door de Wetgever gestelde termijn uitspraak op mijn bezwaar te doen en stel ik u nu reeds voor alsdan in gebreke voor het geval u niet binnen deze termijn uitspraak zou doen.

(...)”

In de tweede brief geeft belanghebbende een nadere toelichting op zijn bezwaar en herhaalt hij het verzoek om een tijdige uitspraak op bezwaar alsmede de ingebrekestelling voor het geval de Inspecteur niet tijdig uitspraak zou doen.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of

1e. belanghebbende de Inspecteur niet onredelijk laat in gebreke heeft gesteld zodat de Inspecteur gehouden is een dwangsom van € 1.260 te betalen;

2e. belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500;

3e. de Inspecteur aan belanghebbende de aan deze voor juridische adviezen in rekening gebrachte bedragen van in totaal € 1.585,51 dient te vergoeden;

4e. de Inspecteur veroordeeld dient te worden in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt;

5e. de aanslag dient te worden vernietigd omdat heffing van rioolrecht van de eigenaren van op de gemeentelijke riolering aangesloten eigendommen willekeurig en onredelijk dan wel anderszins in strijd met de algemene rechtsbeginselen is.

4.2. Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

4.3. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

Conclusies van partijen

5.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar behoudens voor zover daarbij de aanslag in de afvalstoffenheffing is vernietigd en van de aanslag.

5.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“(...)

2.

Omtrent de stelling van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] hem een dwangsom is verschuldigd van € 1260,- overweegt de rechtbank als volgt.

3.

Op grond van artikel 236, tweede lid, van de gemeentewet doet de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.

Op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.

4. [

Belanghebbende] heeft op 1 maart 2008 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Derhalve diende [de Inspecteur] op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet uiterlijk 31 december 2008 op het bezwaar van [belanghebbende] te beslissen, hetgeen niet is gebeurd. Vervolgens heeft [belanghebbende] [de Inspecteur] op 3 februari 2011 in gebreke gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] door [de Inspecteur] meer dan twee jaar na afloop van de termijn waarop [de Inspecteur] diende te beslissen in gebreke te stellen, dit onredelijke laat gedaan, zodat [de Inspecteur] niet is gehouden een dwangsom te betalen.

5.

Omtrent de opgelegde aanslag overweegt de rechtbank als volgt.

6.

Op grond van artikel 229, eerste lid en onder a, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Op grond van artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolrecht 2008 (Verordening Rioolrecht 2008) wordt onder de naam 'rioolrecht' een recht geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Op grond van artikel 1, eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 Eerste Protocol EVRM), heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

7.

Anders dan [belanghebbende] aanvoert acht de rechtbank het feit dat [de Inspecteur] de aanslag rioolheffing alleen aan eigenaren oplegt en niet aan huurders, niet in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is bij een heffing die alleen van eigenaren plaatsvindt geen sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, dan wel anderszins strijd met enig algemeen rechtsbeginsel. De politieke keuze van de gemeenteraad van de Gemeente Rotterdam om in de Verordening Rioolrecht 2008 te bepalen dat het rioolrecht alleen van eigenaren wordt geheven staat niet ter toetsing van de rechter. Tevens is geen strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod op discriminatie door het verhaal van de rioleringskosten uitsluitend via de eigenaren te realiseren, omdat eigenaren en gebruikers aparte categorieën zijn. Het principe dat de vervuiler betaalt waar [belanghebbende] op wijst, is een (politiek) uitgangspunt, wat niet rechtens afdwingbaar is.

8.

Evenmin is de rechtbank, anders dan [belanghebbende], van oordeel dat de onderhavige rioolheffing in strijd is met recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 1 eerste protocol bij het EVRM. Blijkens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt een beweerde schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM op de volgende wijze getoetst. Een inmenging van de overheid dient bij wet te zijn voorzien. Verder dient de inmenging een gerechtvaardigd algemeen belang te dienen. De inmenging dient proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat een 'fair balance' moet bestaan tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de betrokkene. Een inmenging mag geen onevenredige last ('excessive burden') op de betrokkene leggen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de betrokken overheid een ruime afwegingsbevoegdheid heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is en verder een ruime vrijheid heeft ('margin of appreciation') om beperkingen te stellen aan de uit artikel 1 Eerste Protocol EVRM voortvloeiende eigendomsbescherming. Een schending wordt niet snel aangenomen en is beperkt tot evident onredelijke of onevenredige gevallen. Het betoog van [belanghebbende] dat hij de opgelegde aanslag rioolheffing niet kan doorbelasten aan zijn huurders betekent niet dat reeds daarom artikel 1 Eerste Protocol EVRM is geschonden. [Belanghebbende] heeft niet onderbouwd dat door de opgelegde aanslag zijn rendement op de huurwoning dermate laag is dat sprake is van een onevenredige last. Reeds hierom faalt het beroep van [belanghebbende] op artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Voor zover [belanghebbende] in breder verband kanttekeningen wil plaatsen bij het Nederlandse stelsel van huurprijs- en huurbescherming, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in algemene zin moet worden aangenomen dat het Nederlandse wettelijke stelsel leidt tot een onevenredige last.

9.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(...)”

Beoordeling van het hoger beroep

Met betrekking tot het eerste geschilpunt

7.1. Ingevolge artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet diende de Inspecteur uiterlijk op 31 december 2008 te beslissen op het bezwaar van belanghebbende. De Inspecteur heeft eerst op 22 juni 2011 uitspraak op bezwaar gedaan. Derhalve heeft de Inspecteur een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurd, tenzij zich één van de in artikel 4:17 lid 6 van de Awb genoemde uitzonderingen heeft voorgedaan. Eén van deze uitzonderingen betreft het geval waarin het bestuursorgaan (hier: de Inspecteur) onredelijk laat in gebreke is gesteld (artikel 4:17 lid 6 aanhef en onderdeel a van de Awb).

7.2. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht “met [zijn] reactie op dit bezwaar [te] wachten tot in hoogste instantie uitspraak gedaan is op de lopende procedure 07/2516-rioolr.gvz-t2 die op 18 februari 2008 voor de Rechtbank Rotterdam voorkwam”. Vaststaat dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende overeenkomstig dit verzoek heeft aangehouden. De Hoge Raad heeft in de door belanghebbende genoemde procedure op 29 oktober 2010 arrest gewezen (HR 29 oktober 2010, nr. 09/02654, ECLI:NL:HR:2010:BM9232). Gelet op deze feiten, in onderlinge samenhang bezien, is naar het oordeel van het Hof voor het antwoord op de vraag of in dit geval de uitzondering van artikel 4:17 lid 6 aanhef en onderdeel a van de Awb van toepassing is, bepalend het tijdsverloop tussen de dag waarop de Hoge Raad het zo-even genoemde arrest heeft gewezen (29 oktober 2010) en de dag waarop belanghebbende de Inspecteur in gebreke heeft gesteld (3 februari 2011).

7.3. In de memorie van toelichting zoals gewijzigd na het advies van de Raad van State bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen (hierna: de memorie van toelichting), Kamerstukken II, 2004/05, 29934, nr. 6, blz. 5, wordt over de uitzondering die thans is opgenomen in artikel 4:17 lid 6 aanhef en onderdeel a van de Awb het volgende opgemerkt:

“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”

7.4. Het tijdsverloop van 29 oktober 2010 tot 3 februari 2011 is ruim drie maanden, dat is aanzienlijk langer dan het in de memorie van toelichting genoemde tijdsverloop van “hooguit enkele weken”.

7.5. Gelet op hetgeen onder 6.1 tot en met 6.4 is overwogen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de Inspecteur onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Mitsdien is er geen dwangsom verschuldigd.

Met betrekking tot het tweede geschilpunt

7.6. In zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, overweegt de Hoge Raad onder meer:

“3.3.1. Vooropgesteld moet worden dat geschillen over een belastingaanslag, een betaling van belasting op aangifte of inhouding van belasting (hierna: belastinggeschillen) volgens vaste rechtspraak van het EHRM buiten het bereik vallen van artikel 6 van het EVRM (vgl. onder meer EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, NJ 2004/435, BNB 2005/222).

3.3.2. (…) De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van de genoemde bepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (…).

3.3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet ook in belastinggeschillen aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

3.3.4. Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.”

7.7. De redelijke termijn voor de beslechting van het onderhavige geschil is aangevangen op 4 maart 2008, de dag waarop de Inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende heeft ontvangen. Gelet op het in r.o.3.3.3. van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080 genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, dient bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden rekening te worden gehouden met de invloed van de belanghebbende of diens gemachtigde op het procesverloop. Nu belanghebbende in zijn bezwaarschrift de Inspecteur uitdrukkelijk heeft verzocht met de afdoening van het bezwaar te wachten tot de Hoge Raad arrest zou hebben gewezen in een andere zaak en dit arrest is gewezen op 29 oktober 2010 (arrest nr. 09/02654; zie onder 6.2), dient naar het oordeel van het Hof van het tijdsverloop van 4 maart 2008 (ontvangst bezwaarschrift) tot 16 april 2014 (bekendmaking van de onderhavige uitspraak) de periode van 4 maart 2008 (ontvangst bezwaarschrift) tot 29 oktober 2010 (dag waarop het arrest in de zaak nr. 09/02654 is gewezen) buiten beschouwing te worden gelaten. Verder ziet het Hof in hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 overweegt aanleiding om bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden rekening te houden met de omstandigheid dat belanghebbende de Inspecteur in de relevante periode heeft overspoeld met meer dan honderd bezwaar- en beroepsprocedures hetgeen, naar de Inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, zowel bij de Inspecteur als de Rechtbank tot een aanzienlijke vertraging van de afhandeling van de individuele procedures, waaronder de onderhavige, heeft geleid. Het Hof schat de duur van deze aan belanghebbende toe te rekenen vertraging op ten minste een half jaar.

7.8. Gelet op hetgeen onder 7.7 is overwogen, is de op grond van de onder 7.6 en 7.7 genoemde arresten toe te passen termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg van twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift niet overschreden. Voorts heeft het Hof binnen de termijn van twee jaar voor de berechting van de zaak in hoger beroep uitspraak gedaan. Mitsdien wijst het Hof het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade af.

Met betrekking tot het vijfde geschilpunt

7.9. Omdat voor het oordeel van het Hof over het derde en het vierde geschilpunt medebepalend is of de aanslag dient te worden vernietigd op de onder 4.1 ten 5e genoemde gronden, behandelt het Hof eerst het vijfde geschilpunt.

7.10. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht en op juiste gronden, die het Hof tot de zijne maakt, beslist dat heffing van rioolrecht van de eigenaren van op de gemeentelijke riolering aangesloten eigendommen noch met het proportionaliteitsbeginsel, het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing en/of enig ander algemeen rechtsbeginsel, noch met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in strijd is. Aan dit oordeel doet niet af hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd. Mitsdien faalt het standpunt van belanghebbende met betrekking tot het vijfde geschilpunt.

Met betrekking tot het derde geschilpunt

7.11. Het Hof vat de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur aan belanghebbende de door deze voor juridische adviezen betaalde bedragen van in totaal € 1.585,51 dient te vergoeden op als een verzoek om vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden als gevolg van het opleggen van de aanslag en het handhaven van de aanslag na bezwaar. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende in beroep en in hoger beroep tevens heeft verzocht de Inspecteur te veroordelen in de met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast te stellen proceskosten van belanghebbende. Kennelijk vindt belanghebbende dat de aan belanghebbende voor juridische adviezen in rekening gebrachte bedragen niet tot de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten behoren. Het Hof sluit zich aan bij deze, naar het oordeel van het Hof juiste, opvatting van belanghebbende.

7.12. Op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het opleggen van de aanslag en het handhaven van de aanslag na bezwaar is het bepaalde in artikel 8:73 (oud) van de Awb van toepassing. Weliswaar is deze bepaling bij de inwerkingtreding van de Wet van 31 januari 2013, Staatsblad 2013,50, op

1

juli 2013 vervallen, doch ingevolge artikel IV van deze wet blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor 1 juli 2013, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

7.13.

In artikel 8:73 (oud) van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Aangezien de Rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard en het Hof dit oordeel, gelet op hetgeen onder 7.1 tot en met 7.10 is overwogen, zal bevestigen, is er voor toekenning van de door belanghebbende gevraagde schadevergoeding geen rechtsgrond.

Met betrekking tot het vierde geschilpunt

7.14.

Het Hof ziet geen aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Slotsom

7.15.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. G.J. van Leijenhorst, B. van Walderveen en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 16 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.