Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3019

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
BK-13-01426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonheffing. In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingsaanslagen, heffingsrente, invorderingskosten en boetes, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2305
V-N Vandaag 2014/2011
V-N 2014/55.26.5

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01426

Uitspraak van 1 april 2014

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende

en

de Belastingdienst Kantoor [P], de Ontvanger

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2013, nummer SGR 13/3990, betreffende na te melden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Ontvanger heeft bij beschikking met dagtekening 15 februari 2013 belanghebbende aansprakelijk gesteld voor niet betaalde naheffingsaanslagen in de loonheffing over de tijdvakken mei 2011 tot en met september 2012 en de omzetbelasting over de tijdvakken juli 2011 tot en met augustus 2012, alsmede voor de in die beschikking opgenomen heffingsrente, invorderingskosten en boetes. De naheffingsaanslagen zijn ten name gesteld van [A] B.V. (hierna: de B.V.). Het totaalbedrag van de aansprakelijkstelling bedraagt € 73.533.

1.2. De Ontvanger heeft de beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak, gedagtekend 6 april 2013, verminderd tot € 61.349.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij de rechtbank beroep ingesteld. In verband daarmee is bij de rechtbank een griffierecht geheven van € 44. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep ziet op de weigering van de Ontvanger om aan belanghebbende uitstel van betaling te verlenen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staan in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten en omstandigheden vast.

3.1. Belanghebbende was blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel in [Q] van 17 april 2009 tot en met 29 augustus 2012 bestuurder van Stichting [A] gevestigd te [Z] (hierna: de Stichting). De Stichting is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] B.V. gevestigd te [Z] (hierna: de BV).

3.2. Bij beschikking van 15 februari 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende op grond van de artikelen 32 en 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW 1990) aansprakelijk gesteld voor ten name van de BV gestelde niet betaalde naheffingsaanslagen in de loonheffing over de tijdvakken mei 2011 tot en met september 2012 en de omzetbelasting over de tijdvakken juli 2011 tot en met augustus 2012, alsmede heffingsrente, invorderingskosten en boetes ter zake van deze naheffingsaanslagen, voor in totaal € 73.533.

3.3. Belanghebbende heeft bij brief van 6 maart 2013 bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstelling.

3.4. Bij brief van 3 juli 2012 heeft belanghebbende melding gedaan van betalingsonmacht van de BV ter zake van voormelde naheffingsaanslagen in de loonheffing en de omzetbelasting.

3.5. De Ontvanger heeft deze melding voor de tijdvakken mei 2012 tot en met augustus 2012 voor beide heffingen als tijdig aangemerkt. Dit is voor hem tevens aanleiding geweest om de aansprakelijkstelling voor deze tijdvakken te laten vervallen en de beschikking tot aansprakelijkstelling bij uitspraak op bezwaar te verminderen tot € 61.349.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen, heffingsrente, invorderingskosten en boetes, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld. Hij voert daartoe aan dat niet hij, maar de BV dan wel degenen die na hem bestuurder van de Stichting zijn geweest moeten worden aangesproken. Hij stelt dat hij ten tijde dat uitspraak op het bezwaar werd gedaan geen bestuurder meer was.

4.3. De Ontvanger heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de beschikking tot aansprakelijkstelling.

5.2. De Ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het beroep voor zover dit betrekking heeft op de beschikking tot aansprakelijkstelling ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

9.

Uit artikel 36, vijfde lid, letter c, van de Wet volgt dat, indien een bestuurder van

een vennootschap een stichting is, ieder van de bestuurders van die stichting wordt

aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 36 van de Wet. Gezien hetgeen is overwogen

onder 1, 2 en 7 heeft [de Ontvanger] [belanghebbende] daarom terecht aangemerkt als bestuurder van de vennootschap.

10.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wet is, voor zover hier van belang, iedere

bestuurder van een rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de door die rechtspersoon

verschuldigde loonheffing en omzetbelasting. Indien een rechtspersoon niet tijdig aan de

mededelingsverplichting van artikel 36, tweede lid, van de Wet heeft voldaan, is de

bestuurder ingevolge artikel 36, vierde lid, van de Wet aansprakelijk, met dien verstande dat

wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten. Niet in geschil is dat de

betalingsonmacht niet tijdig is gemeld voor de tijdvakken vóór mei 2012. [belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet tijdig melden van de betalingsonmacht voor deze

tijdvakken niet aan hem te wijten is. Zijn verklaring dat hij zich door drukke

werkzaamheden onvoldoende bezig heeft gehouden met de administratieve gang van zaken

binnen de vennootschap is daarvoor onvoldoende. [Belanghebbende] wordt daarom niet toege

laten tot de weerlegging van het bewijsvermoeden dat het niet betalen van de belasting aan hem is te wijten.

11. [

Belanghebbende] vindt dat [de Ontvanger] hem ten onrechte aansprakelijk heeft gesteld en dat [de Ontvanger] de vennootschap zelf, de stichting dan wel degenen die na hem bestuurder van de stichting zijn (geweest) moet aanspreken. Zijn opvolger als bestuurder van de stichting

was op de hoogte van de belastingschulden van de vennootschap en heeft alle verplichtingen

van [belanghebbende] overgenomen.

12.

Dat de vennootschap de belasting is verschuldigd, betekent niet dat [de Ontvanger]

daarom geen gebruik zou mogen maken van de wettelijke mogelijkheid de bestuurder voor

de schulden van de vennootschap aansprakelijk te stellen. De regeling van artikel 36 van de

Wet is immers juist bedoeld om, in de situatie dat een vennootschap haar belastingschulden

niet betaalt, de bestuurder aan te kunnen spreken. De stelling van [belanghebbende] dat [de Ontvanger] de stichting moet aanspreken in plaats van de bestuurder vindt, gezien het bepaalde in artikel 36, vijfde lid van de Wet, geen steun in het recht. Ook anderszins is er geen wettelijke

bepaling die [de Ontvanger] daartoe dwingt.

13.

De afspraken over de overname van de verplichtingen van de vennootschap die

[belanghebbende] stelt te hebben gemaakt met zijn opvolger, wat daar overigens van zij, kunnen niet aan [de Ontvanger] worden tegengeworpen nu [de Ontvanger] daarbij geen partij is.

14. [

De Ontvanger] heeft met toepassing van artikel 32, tweede lid, van de Wet [belanghebbende] tevens aansprakelijk gesteld voor de in verband met de naheffingsaanslagen begrepen

boeten, de kosten en de invorderingsrente. Met hetgeen [de Ontvanger] daarover heeft vermeld

in de beschikking aansprakelijkstelling heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat het

belopen daarvan aan [belanghebbende] is te wijten.

15.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft [de Ontvanger] [belanghebbende] terecht aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen en de daarin begrepen boeten over de tijdvakken

gelegen vóór mei 2012 en de daarmee verband houdende kosten en invorderingsrente en is

het beroep ongegrond verklaard.

16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de IW 1990 is, voor zover hier van belang, iedere bestuurder van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk voor - onder meer - de loonbelasting en de omzetbelasting die het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam verschuldigd is overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden van het artikel. Artikel 36, tweede lid, van de IW 1990 legt op het lichaam de plicht om, nadat gebleken is dat het niet tot betaling van de belasting in staat is, daarvan mededeling aan de ontvanger te doen. De melding van betalingsonmacht moet worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan (artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990, hierna: het Uitv. Besl. IW 1990) dan wel uiterlijk twee weken na de vervaldag van de naheffingsaanslag indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan (artikel 7, tweede lid van het Uitv. Besl. IW 1990).

7.2. Artikel 36, derde lid, van de IW 1990 bepaalt dat indien het lichaam op de juiste wijze tot de melding van betalingsonmacht is overgegaan, een bestuurder aansprakelijk is indien aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de melding. In artikel 36, vierde lid, van de IW 1990 is bepaald dat indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan de meldingsplicht heeft voldaan, een bestuurder op de voet van het derde lid aansprakelijk is, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan haar meldingsplicht heeft voldaan.

7.3. Belanghebbende stelt dat hij niet aansprakelijk is voor de belastingschulden van de BV, omdat niet hij, maar de Stichting bestuurder was van de BV. Tevens stelt hij dat hij ten tijde dat uitspraak op het bezwaar werd gedaan geen bestuurder meer was van de Stichting.

7.4. Als bestuurder van een lichaam valt in de eerste plaats aan te merken degene die formeel als bestuurder is benoemd. Daarnaast worden ingevolge het vijfde lid van artikel 36, van de IW 1990 als bestuurder aangemerkt: a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belastingschuld is ontstaan; b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder; en c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

7.5. Belanghebbende heeft - onbestreden - gesteld dat hij van 17 april 2009 tot en met 29 augustus 2012 enig bestuurder was van de Stichting. Voorts staat tussen partijen vast dat de Stichting in die periode enig bestuurder was van de BV. Het bepaalde in het vijfde lid, onderdeel c, van artikel 36, van de IW 1990 brengt dan mee dat belanghebbende in die periode tevens is aan te merken als bestuurder van de BV.

7.6. De BV heeft op 3 juli 2012 melding van betalingsonmacht gedaan. De Ontvanger heeft deze melding voor de tijdvakken mei 2012 tot en met augustus 2012 als tijdig aangemerkt en heeft de aansprakelijkstelling ter zake van deze tijdvakken laten vallen. Voor de resterende - de in dit geding aan orde zijnde - tijdvakken van de aansprakelijkstelling geldt dat de melding niet tijdig is gedaan. Derhalve wordt op grond van artikel 36, vierde lid, van de IW 1990, vermoed dat de niet betaling aan belanghebbende is te wijten en wordt belanghebbende slechts toegelaten tot het bewijs van het tegendeel indien hij aannemelijk maakt dat het niet melden van de betalingsonmacht niet aan hem is te wijten. Belanghebbende heeft enkel aangevoerd dat hij door drukke werkzaamheden niet in staat was om de betalingsonmacht van de BV tijdig te melden. Belanghebbende heeft die stelling niet onderbouwd en heeft dientengevolge niet aan zijn stelplicht voldaan.

7.7. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat belanghebbende niet kan worden toegelaten tot het in artikel 36, vierde lid, van de IW 1990 bedoelde tegenbewijs, zodat uitgegaan moet worden van kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende.

7.8. Op grond van het bepaalde in artikel 32, tweede lid, in verbinding met artikel 49 van de IW 1990 is belanghebbende aansprakelijk voor de aan de BV in rekening gebrachte heffingsrente, invorderingskosten en boetes, voor zover het belopen daarvan aan hem te wijten is. De stelplicht en, ingeval van betwisting, de bewijslast dat het belopen van de rente, kosten en boetes aan belanghebbende te wijten is, rusten op de Ontvanger. De door de Ontvanger in de beschikking tot aansprakelijkstelling voor de heffingsrente, invorderingskosten en boetes aangevoerde gronden en de daarop ter zitting van het Hof gegeven toelichting zijn door belanghebbende niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dit brengt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de aan de BV in rekening gebrachte heffingsrente, invorderingskosten en boetes.

7.9. Nu belanghebbende in de periode van 17 april 2009 tot en met 29 augustus 2012 enig bestuurder was van de BV, de belastingschulden waarvoor de BV aansprakelijk is gesteld in die periode zijn ontstaan en de daarvoor geldende uiterste betalingstermijnen in die periode zijn verstreken zonder dat betaling van die belastingschulden en de daarbij belopen heffingsrente, invorderingskosten en boetes heeft plaats gehad, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende terecht voor die onbetaald gebleven schulden aansprakelijk is gesteld.

7.10. Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, H.A.J. Kroon, en

W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 1 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.