Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3018

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
200.126.730-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

financial lease, geen koop op afbetaling of huurkoop, geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.126.730/01

Zaak-/rolnr. rechtbank : C/10/398973 / HA ZA 12-306

arrest van 30 september 2014

inzake

PSA Finance Nederland B.V. h.o.d.n. Peugeot Lease,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: PSA,

advocaat: mr. R. van Kessel te Den Haag,

tegen

1.

Centraal Autoverhuur B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2.

Speedy Transport B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3.

EHD Holding B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

hierna te noemen: CAV, Speedy respectievelijk EHD, en gezamenlijk CAV c.s.,

advocaat: mr. M.G.G. de Bruin te Barendrecht.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan 18 maart 2014 verwijst het hof naar zijn arrest in het incident van diezelfde datum. Na dit tussenarrest hebben partijen eindarrest gevraagd.

De beoordeling

1.

Met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en hetgeen overigens uit de niet bestreden inhoud van de stukken blijkt, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1.

CAV is een autoverhuurbedrijf en PSA is een financieringsmaatschappij. Tussen PSA en CAV zijn tien overeenkomsten gesloten, een op 26 mei 2010 en negen op 7 juli 2011, met als aanduiding ‘Financial Lease (2 partijen)’ (hierna: de overeenkomsten). Bij iedere overeenkomst behoort een ‘Aanhangsel vestiging pandrecht behorende bij Financial Lease (2 partijen)’ (hierna: pandakte) met betrekking tot steeds een andere auto. In totaal bedraagt de financiering € 96.330,96. Op grond van de overeenkomsten was CAV een maandelijkse termijn ad € 4.378,68 aan PSA verschuldigd, te voldoen bij vooruitbetaling. Als starttermijn was CAV per 7 juli 2011 een drievoudige termijn (ad € 13.136,04) verschuldigd.

2.2.

In alle overeenkomsten luiden de artikelen 2, 3 en 9 (voor zover in deze zaak relevant):

“2. Krediet

(…)

b. Het krediet wordt door PL (hof: PSA) verstrekt, en zal door cliënt (hof: CAV) worden aangewend voor de financiering van het onder 3. bedoelde object met een contante verkoopprijs inclusief accessoires ad EUR 0,00. Cliënt verklaart dat het object zal worden gebruikt in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

(…)”

“3. Pandrecht

Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen cliënt uit hoofde van deze overeenkomst aan PL verschuldigd is of zal zijn, verplicht cliënt zich een pandrecht ten behoeve van PL te vestigen op het object. De betreffende pandakte is aan deze overeenkomst gehecht en maakt integraal onderdeel uit van deze overeenkomst.”

“9. Opeisbaarheid

PL is gerechtigd het door cliënt ingevolge deze overeenkomst verschuldigde in zijn geheel terstond op te eisen en deze overeenkomst te ontbinden, indien:

a. cliënt enige verplichting uit deze overeenkomst, na deugdelijke ingebrekestelling, niet, niet op tijd of niet volledig nakomt;

(…)

e. het object verloren is gegaan, door welke oorzaak dan ook, diefstal en total loss daaronder begrepen;

f. op het object, of (een deel van) het vermogen van cliënt, conservatoir, executoriaal of justitieel beslag wordt gelegd;

(…)

i. enige andere kredietfaciliteit of lening die aan cliënt is verstrek, voortijdig opeisbaar wordt als gevolg van verzuim van cliënt.”

2.3.

Zowel Speedy als EHD heeft op 7 juli 2011, tezamen met PSA en CAV, een onderhandse akte met als aanduiding ‘Hoofdelijke aansprakelijkheidsverklaring 670720’ ondertekend.

2.4.

De eerste termijnen zijn door CAV niet tijdig voldaan. Pas na tussenkomst van PSA’s incassogemachtigde, AVS (hierna: AVS), is door CAV € 21.883,40 betaald. Hiermee waren de starttermijn en de termijnen voor de maanden augustus en september 2011 voldaan.

2.5.

PSA heeft op 14 oktober 2011 een e-mail naar CAV verzonden met de navolgende tekst:

“(…)

De twee onderstaande facturen ad € 4378,68 voor de lease-periode oktober staan tot heden open. Na de automatisch incasso is dit bedrag gestorneerd.

Hieronder vindt u de betreffende kopie-facturen:

(See attached file: invoice.pdf) (See attached file: invoice.pdf)

Gezien het feit dat wij de voorgaande maandtermijnen via het incassobureau hebben moeten incasseren, verzoeken! wij u om deze facturen per omgaande aan ons te voldoen. Wij verwachten dat het bedrag ad € 4378,68 uiterlijk maandag op onze rekening staat.

Indien wij maandag geen betaling ontvangen zijn we genoodzaakt andere stappen te ondernemen.

(…)” (onderstreping PSA)

2.6.

Op de email van 27 oktober 2011 met daarin het verzoek van PSA om auto’s te retourneren, heeft CAV die dag geantwoord:

“(…)

Wij betreuren de verbreking van de lopende overeenkomsten vanwege een achterstand van 1 maand termijn.

Onze directeur Dhr [naam] heeft vandaag contact gelegd met jullie om aan tafel te komen zitten, voor het bespreken van de achterstand.

Enkel heeft men ons medegedeeld dat men ons hier niet voor wenst te spreken ook uw directeur niet.

Wij vinden het onacceptabel wat jullie ons aan doen.

(…)

Ons voorstel is dan ook voor dat u de voertuigen uiterlijk as maandag vrijwaar en dat we die dan maandag in ons bezit hebben.

Zodat u de voertuigen daarna kunt komen halen bij ons.

(…)”

2.7.

AVS heeft voor PSA negen auto’s van CAV ingenomen. Voor twee auto’s heeft AVS de openstaande verkeersboetes betaald (€ 2.410,51 resp. € 878,26). PSA heeft aan AVS in totaal € 4.521,25 aan bergingskosten betaald.

2.8.

PSA heeft de negen ingenomen auto’s laten taxeren en vervolgens openbaar verkocht. De verkoopopbrengst bedroeg in totaal € 55.449,99.

2.9.

Eén auto kon niet worden ingenomen door AVS, omdat Justitie deze auto in beslag had genomen en in verband met een lopend strafrechtelijk onderzoek niet vrij heeft gegeven.

3.

In eerste aanleg heeft PSA gevorderd, dat CAV c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 31.923,23, bestaande uit de uit hoofde van de overeenkomsten resterende schuld van € 26.807,57 plus rente (tot 14 maart 2012) en buitengerechtelijke kosten. Tevens heeft PSA rente gevorderd over de restschuld vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeling van CAV c.s. in de proceskosten en de nakosten.

4.1.

CAV c.s. heeft een incident opgeworpen en gesteld dat overeenkomsten huurkoop betreffen en derhalve de sector civiel van rechtbank Rotterdam zich onbevoegd dient te verklaren. CAV c.s. heeft daarnaast inhoudelijk verweer gevoerd en onder meer gesteld dat CAV niet in verzuim is geraakt, omdat zij niet, althans niet deugdelijk in gebreke is gesteld. CAV c.s. heeft voorts het pandrecht op de auto’s betwist. Speedy en EHD hebben gesteld dat zij als borg niet kunnen worden aangesproken. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten, rente en nakosten zijn bestreden.

4.2.

In reconventie heeft CAV een verklaring voor recht gevorderd, dat PSA jegens CAV toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten, althans toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, door het innemen van de auto’s. Daarnaast heeft CAV gevorderd PSA te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan CAV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en PSA te veroordelen in de proceskosten.

Ter onderbouwing van haar vorderingen in reconventie heeft CAV aangevoerd, dat PSA niet gerechtigd was om de auto’s in te nemen. Door inname van de auto’s konden deze niet meer worden verhuurd door CAV. CAV heeft gesteld hierdoor omzet en winst te zijn misgelopen en genoodzaakt te zijn geweest om de ingenomen auto’s te vervangen.

5.

Bij tussenvonnis van 12 september 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat de overeenkomsten niet als huurkoop zijn aan te merken.

6.

In haar eindvonnis van 6 februari 2013 heeft de rechtbank in conventie vastgesteld, dat PSA ter comparitie zowel de feitelijke als de juridische grondslag van haar vordering heeft gewijzigd. Deze wijzigingen heeft de rechtbank wegens strijdigheid met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Voor de toewijzing van de vorderingen op de grondslag als vermeld in de dagvaarding, heeft PSA naar het oordeel van de rechtbank te weinig gesteld. De vorderingen van PSA zijn daarom door de rechtbank afgewezen. De vorderingen van CAV in reconventie heeft de rechtbank toegewezen, omdat PSA haar verweer dat zij gerechtigd was de overeenkomsten te ontbinden, onvoldoende had onderbouwd.

7.

In het principaal hoger beroep vordert PSA vernietiging van het vonnis in conventie en in reconventie, toewijzing van haar conventionele vorderingen, afwijzing van de reconventionele vorderingen en – bij wijze van vermeerdering van eis – de hoofdelijke veroordeling onder last van een dwangsom van CAV c.s. tot afgifte aan haar van de laatste verpande auto. PSA heeft drie grieven geformuleerd tegen het eindvonnis van de rechtbank. De eerste grief keert zich tegen de weigering van de wijziging van de grondslag van haar vorderingen. PSA wenst met deze grief de zaak in volle omvang voor een integrale herbeoordeling voor te leggen aan het hof. Met haar tweede grief keert PSA zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij voor toewijzing van haar vordering onvoldoende gesteld heeft. In de toelichting op deze grief heeft PSA de grondslagen van haar vorderingen opnieuw uiteengezet onder verwijzing naar diverse producties. PSA komt in haar derde grief op tegen de eindbeslissing van de rechtbank, zowel in conventie als in reconventie.

8.

In het incidenteel hoger beroep vordert CAV c.s. de bekrachtiging van het bestreden eindvonnis, onder verbetering of aanvulling van gronden. De incidentele grief van CAV c.s. is gericht tegen het in het tussenvonnis van 12 september 2012 opgenomen oordeel dat de overeenkomsten niet als huurkoop kwalificeren.

9.

Het hof overweegt als volgt.

10.

In het midden kan blijven of de rechtbank terecht de wijziging van gronden heeft afgewezen en terecht heeft geoordeeld dat PSA haar stellingen in eerste aanleg onvoldoende heeft onderbouwd, omdat het hoger beroep ook strekt tot verbetering van eigen fouten in de eerste aanleg. Dit betekent dat het hof de zaak zal beoordelen aan de hand van het thans voorliggende dossier.

Vorderingen in conventie

Koop op afbetaling of huurkoop?

11.

CAV c.s. heeft gesteld dat de overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als koop op afbetaling en subsidiair als huurkoop (zie memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, onder 21). PSA heeft dit gemotiveerd bestreden.

12.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Koop op afbetaling veronderstelt dat sprake is van de koop van een zaak. Dit betekent dat wil sprake zijn van koop op afbetaling of huurkoop, duidelijk moet zijn welke zaak verkocht is en tegen welke prijs. Geen van de overeenkomsten vermeldt echter dat een zaak – de overeenkomsten spreken van een ‘object’ – is verkocht. In de overeenkomsten heeft het ‘object’ volgens artikel 2 sub b steeds een prijs van € 0,00, hetgeen naar het oordeel van het hof met zich brengt, dat volgens de tekst van de overeenkomst geen object/auto is verkocht. Ook bij vaststelling van de hoogte van de lening in artikel 4 staat onder A. als contante verkoopprijs € 0,00 vermeld. Het met de overeenkomst te financieren bedrag bestaat blijkens artikel 4 sub C. van de overeenkomsten volledig uit het ‘lopende lening saldo’.

13.

De stelling van CAV c.s. dat het geleende bedrag zou moeten worden gezien als de koopprijs van een auto, waarvan de hoogte zou zijn vastgesteld aan de hand van afschrijvingstabellen van PSA, verwerpt het hof. Dat de geleende bedragen als de koopprijs moeten worden beschouwd, is allereerst in tegenspraak met de tekst van de overeenkomsten. De overeenkomst biedt immers de mogelijkheid om een koopprijs in te vullen. Daarnaast heeft CAV c.s. niet duidelijk gemaakt waarom uit het overeenstemmen van de waarde van de te verpanden auto volgens de afschrijvingstabellen enerzijds en de hoogte van de lening anderzijds, dit bedrag dan als verkoopprijs zou moeten worden beschouwd.

14.

CAV c.s. heeft ter onderbouwing van haar stelling tevens verwezen naar hetgeen op de website van PSA Finance bij vragen over financial lease staat vermeld (productie 1a CAV c.s.). Het hof kan echter voor de uitleg van de overeenkomsten aan wat op de website van PSA staat vermeld geen betekenis van belang toekennen. Partijen zijn immers geheel vrij om bij overeenkomst hiervan af te wijken, hetgeen PSA en CAV kennelijk hebben gedaan. Op de website staat onder vraag 22 vermeld, dat de eigendom pas overgaat na betaling van de laatste termijn, terwijl in het onderhavige geding tussen partijen vaststaat dat CAV in juli 2011 bij vestiging van het pandrecht reeds eigenaar van de auto’s was.

15.

Nu het hof de overeenkomsten niet kan aanmerken als koop, kunnen de overeenkomsten evenmin als huurkoop of koop op afbetaling worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van het hof gaat het om overeenkomsten van geldlening. De grief van CAV c.s. in incidenteel appel tegen het tussenvonnis waarin de rechtbank tot hetzelfde oordeel was gekomen, treft dan ook geen doel. Dit betekent dat – anders dan CAV betoogt – de dwingendrechtelijke bepalingen uit boek 7A, vijfde titel A, afdelingen 1 BW toepassing missen.

Artikel 9 van de overeenkomsten

16.

PSA heeft aanvankelijk gesteld dat zij, wegens achterstand in de voldoening van de maandelijkse termijnen, na ingebrekestelling van CAV, op grond van de voorwaarden van de overeenkomst het saldo van de leningen in een keer mocht opvorderen. Later heeft zij – zo begrijpt het hof – zich op het standpunt gesteld dat het verschuldigde eveneens opeisbaar is op grond van artikel 9 aanhef en sub e, f en i, omdat twee verpande auto’s ‘total loss’ waren en vier verpande auto’s in strafrechtelijk beslag waren genomen en bij politie, justitie of de domeinen in opslag stonden. CAV c.s. heeft beide grondslagen bestreden en betoogd dat PSA de leningen niet mocht opeisen.

17.

Het hof stelt vast dat op grond van de voorwaarden in artikel 9 sub a van de overeenkomsten, PSA gerechtigd is het door CAV ingevolge de overeenkomst verschuldigde in zijn geheel terstond op te eisen, indien CAV een verplichting uit de overeenkomst, na deugdelijke ingebrekestelling, niet op tijd nakomt. De email van 14 oktober 2011 vormt naar het oordeel van het hof een deugdelijke ingebrekestelling door PSA. Over hetgeen PSA van CAV verlangt (directe betaling van met name genoemde openstaande facturen) kan immers geen enkel misverstand bestaan. Een aanmaning langs elektronische weg voldoet aan het vereiste van schriftelijkheid dat in artikel 6:82 lid 1 BW wordt gesteld (zie Eerste Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31358, E, blz. 4). Bovendien is de termijn die PSA in de aanmaning noemt (uiterlijk maandag, hetgeen onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet anders is te verstaan dan maandag aanstaande, oftewel 17 oktober 2011) redelijk. Het betreft immers een routinematige, bancaire overboeking voor de betaling van een termijn die al twee weken open stond. Daarnaast geeft PSA in de email aan ‘stappen te ondernemen’ indien CAV niet tijdig betaalt. De (niet nader toegelichte) stelling van CAV c.s. dat de email geen deugdelijke ingebrekestelling vormt, wordt dan ook door het hof verworpen. Omdat CAV na de ingebrekestelling niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, is CAV in verzuim geraakt. Op grond van artikel 9 was PSA gerechtigd alle leningen in zijn geheel terstond op te eisen, hetgeen PSA kennelijk heeft gedaan. Door CAV is dit blijkens de email van 27 oktober 2011 van CAV in ieder geval zo begrepen (zie de eerste zin: “Wij betreuren de verbreking van de lopende overeenkomsten vanwege een achterstand van 1 maand termijn.”). De omstandigheid dat CAV, kennelijk nadat zij in verzuim was, nog betaling van een bedrag van € 4.378,68 heeft aangeboden, doet aan het vorenstaande niet af. Dit geldt te meer, nu CAV ook al eerder achterstand in de betalingen had laten ontstaan.

Omvang openstaande schuld

18.

PSA heeft gesteld dat van de totale schuld (€ 96.330,96), na aftrek van de door CAV reeds betaalde termijnen (€ 21.883,40) en de verkoopopbrengst van de negen auto’s (€ 55.449,99), vermeerderd met de betaalde boetes (€ 2.410,51 resp. € 878,26) en de bergingskosten (€ 4.521,25) een bedrag van € 26.807,57 resteert. De hoogte van deze restschuld is niet inhoudelijk bestreden door CAV c.s. De vordering van PSA tot betaling van dit bedrag ligt daarmee voor toewijzing gereed.

Rente

19.

De hoogte van de door PSA gevorderde rente is als zodanig niet bestreden door CAV c.s. CAV c.s. heeft daarbij zelf verwezen naar de eerste zin van artikel 8 sub a van de overeenkomsten. Met 1,5% per maand is CAV 18% rente op jaarbasis verschuldigd. De ingangsdatum van 18 februari 2012 heeft CAV c.s. echter wel betwist. Daar PSA deze datum niet nader heeft onderbouwd, zal het hof de gevorderde rente over de openstaande schuld toewijzen vanaf het betekenen van de dagvaarding, zijnde 21 maart 2012.

Buitengerechtelijke kosten

20.

De door PSA gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 4.021,14 zijn bestreden door CAV c.s. Voor zover deze verschuldigd zouden zijn op grond van algemene voorwaarden van PSA, heeft PSA het verweer van CAV c.s. dat deze niet zijn overeengekomen, niet weersproken. PSA heeft evenmin haar stelling toegelicht dat deze ingevolge de voorwaarden van de overeenkomsten verschuldigd zouden zijn. Voor zover de gevorderde buitengerechtelijk kosten zouden zijn verschuldigd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW, zoals PSA eveneens heeft gesteld, heeft PSA in weerwil van de betwisting door CAV c.s. niet nader onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Het hof zal derhalve de vordering van PSA tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten afwijzen.

Borgstellingen

21.

EDH en Speedy hebben ieder een hoofdelijk aansprakelijkheidsovereenkomst getekend. Volgens PSA zijn deze overeenkomsten op te vatten als borgstellingen. Deze stelling is niet inhoudelijk weersproken door CAV c.s., zodat het hof er ook vanuit zal gaan dat sprake is van borgtocht. De blote ontkenning dat Speedy en EDH geen borg zouden zijn, wordt gezien de door PSA overgelegde akten (zie overweging 2.3.) verworpen. PSA heeft zowel CAV als Speedy en EHD meermaals schriftelijk gemaand tot betaling van het restsaldo van de schulden (zie productie 7 van PSA in hoger beroep). Het beroep van Speedy en EHD dat niet aan artikel 7:855 BW is voldaan, gaat daarom niet op. EDH en Speedy zullen als borgen van CAV eveneens worden veroordeeld tot betaling van de openstaande schuld en de daarover verschuldigde rente.

Registratie pandakten/eisvermeerdering

22.

In hoger beroep heeft PSA kopieën van de pandakten tezamen met kopieën van de registratiebewijzen als productie aan de memorie van grieven toegevoegd. CAV c.s. heeft betwist dat de registratiebewijzen betrekking zouden hebben op de pandovereenkomsten, zonder dit nader te onderbouwen. Het hof acht deze blote ontkenning een onvoldoende betwisting, zodat het hof hieraan voorbij gaat. De pandrechten op de betreffende auto’s worden derhalve geacht na registratie geldig te zijn gevestigd.

23.

PSA heeft in appel haar eis heeft vermeerderd en de afgifte van de verpande auto met kenteken 21-HPT-1 gevorderd op straffe van een dwangsom. PSA heeft gesteld dat Justitie deze auto inmiddels heeft vrijgegeven en CAV thans deze auto weer in haar bezit heeft. CAV heeft dit niet heeft weersproken en het hof gaat daar dan ook vanuit. In artikel 3:237 lid 3 BW is bepaald dat indien de pandgever in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, de pandhouder bevoegd is te vorderen dat de zaak in zijn macht wordt gebracht. Nu CAV is in haar verplichtingen jegens PSA tekort is geschoten, is PSA bevoegd om haar bezitloze pandrecht op de auto’s om te zetten in een vuistpand. De vordering tot afgifte van de nog niet ingenomen auto met kenteken 21-HPT-1 zal het hof dan ook toewijzen. Zoals door PSA al is aangegeven, zal in geval van verkoop van de verpande auto de verkoopopbrengst in mindering strekken op de vordering van PSA op CAV c.s.

24.

De gevorderde dwangsom van € 100,- voor elke dag dat CAV c.s. met de afgifte van de verpande auto in gebreke blijft, zal eveneens worden toegewezen. De dwangsommen worden pas 14 dagen na betekening van dit arrest verbeurd. Dit biedt CAV de gelegenheid om de auto uit de verhuur te halen en eventuele elektronica van CAV uit te bouwen. De dwangsommen worden door het hof gemaximeerd op € 5.000,-.

Vorderingen in reconventie

25.

Het hof heeft hierboven (zie overweging 22.) geoordeeld, dat de pandrechten rechtsgeldig zijn gevestigd op de auto’s. Nu alle leningen van CAV door PSA werden opgeëist en CAV deze niet heeft voldaan, had PSA de bevoegdheid om haar bezitloze pandrecht op de auto’s om te zetten in een vuistpand (zie ook overweging 24.). PSA was derhalve gerechtigd alle verpande auto’s in te nemen. Daarmee heeft PSA niet onrechtmatig gehandeld en is zij evenmin toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomsten. In het midden kan blijven of PSA ook gerechtigd was de auto's te verkopen, daar de door CAV gestelde schade (het niet meer kunnen verhuren van de auto's) reeds het gevolg was van de inname van de auto's (de omzetting in vuistpand). De vorderingen van CAV in reconventie zal het hof afwijzen.

Slotsom

26.

Bij deze stand van zaken slaagt het hoger beroep van PSA en kan het bestreden eindvonnis niet in stand blijven. Daar in het bestreden tussenvonnis geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, zal het hof in het dictum geen beslissingen opnemen ten aanzien van dat vonnis. Als de in het ongelijk gesteld partij zal CAV c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van het principale en het incidentele hoger beroep, alsmede de kosten van het incident. Hieronder zijn begrepen de gevorderde (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. Gezien de wijze van procederen door PSA voor de rechtbank, is het hof van oordeel dat PSA de proceskosten in eerste aanleg dient te blijven dragen. De proceskostenveroordeling van PSA in het eindvonnis zal het hof dan ook niet vernietigen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen eindvonnis van de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Rotterdam, van 6 februari 2013, met uitzondering van de veroordeling van PSA in de proceskosten van het geding zowel in conventie als in reconventie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt in conventie CAV c.s. hoofdelijk tot betaling van € 26.807,57 aan PSA, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar vanaf 21 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt in conventie CAV c.s. tot afgifte van de verpande auto met kenteken 21-HPT-1 binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat CAV met afgifte in gebreke blijft tot een maximum van € 5.000,-, waarbij de verkoopopbrengst van de auto in mindering zal strekken op de vordering van PSA op CAV c.s.;

  • -

    wijst af de vorderingen van CAV in reconventie;

  • -

    bekrachtigt het vonnis voor het overige;

  • -

    veroordeelt CAV c.s. hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van PSA, tot op heden begroot op € 1.774,82 aan verschotten en € 2.316,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart de veroordelingen in deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, E.M. Dousma-Valk en M.W.D. van der Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.