Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3012

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
BK-14-00093 en BK-14-00094
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:295, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:755
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Waarde participaties in plantages met teakbomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2416
V-N Vandaag 2014/2056

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00093 en 14/00094

Uitspraak van 2 september 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2014, nummers SGR 13/7206 en SGR 13/7207, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende is over het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en wonen van € 14.147 en uit sparen en beleggen van € 23.643, alsmede over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en wonen van € 14.744 en uit sparen en beleggen van € 23.234.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd en de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.547 en het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen elk van de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 44 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Bij brieven van 28 juni 2014 en 8 juli 2014 heeft belanghebbende nadere stukken ingezonden, waarop de Inspecteur heeft kunnen reageren.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 juli 2014 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende bezit participaties ter zake van plantages met teakbomen in Brazilië en Costa Rica (hierna: de participaties), welke hij gedurende de periode 2001‑2005 heeft gekocht van [A] BV (hierna: [A]) en van Stichting [B] (hierna: [B]) tegen een aanschafprijs van € 72.700 voor [A] en € 500.000 voor [B].

3.2. Ten aanzien van de deelname in [B] volgt uit de (nagenoeg gelijkluidende) door belanghebbende gesloten overeenkomsten dat belanghebbende heeft verkregen:

‟(…) de economische eigendom van de houtopstand rechtgevend op de kapopbrengsten van de teakbomen, aanplantjaar (…), welke zich bevinden op het in economisch eigendom aan de Stichting toebehorende perceel te Costa Rica met een omvang van (…) tegen een koopsom van (…).”

3.3. In artikel 12 van de Algemene voorwaarden van [B] is een waardevastgarantie opgenomen luidende:

“1. De Stichting is gehouden gedurende een periode van 5 jaar gerekend vanaf de aanplantdatum in geval van schade ten gevolge van brand, blikseminslag, vliegtuigeninslag, explosies, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, droogte. vorst, orkanen en vraat van de ”leafcutter ant”, deze schade te compenseren door aan de koper een nieuw aan te planten perceel van gelijke omvang ter beschikking te stellen.

2.

De Stichting is jegens de koper gehouden de schade als genoemd in dit artikel op adequate wijze te laten verzekeren bij een gerenommeerde verzekeringsmaatschappij.

3.

De omvang van enige schade, als omschreven in dit artikel, welke de koper onverhoopt zal lijden, zal uitsluitend worden bepaald door een expert aangesteld door bovengenoemde verzekeringsmaatschappij.”

3.4.

Ten aanzien van de participaties [A] volgt uit de (nagenoeg gelijkluidende) overeenkomsten dat belanghebbende heeft verkregen:

“(…) het Opbrengstrecht, voortkomend uit diverse kapronde(n), ten aanzien van de in onderstaande tabel genoemde Percelen – met de teakbomen daarop aangeplant in de plantjaren (…) in de door en/of namens [A] beheerde plantages (…)”

3.5.

Uit de bij de overeenkomsten behorende Algemene Voorwaarden versie 1.0 (AV) van [A] volgt dat onder Opbrengstrecht moet worden verstaan:

“het recht van Investeerder op uitsluitend de opbrengst van verkoop van het hout van de teakbomen – in opdracht van [A] geoogst ter gelegenheid van de in het Beheerplan vastgelegde kapronde’s op de Percelen en zoals nader bepaald in de Investeringsovereenkomst en in Artikel 3.2. – minus de Inhoudingen daarop zoals vastgelegd in Artikel 4 van deze AV”

3.6.

In artikel 3.2 van de AV van [A] is opgenomen:

“Het Opbrengstrecht wordt bepaald door de verkoopopbrengst van het aantal kubieke meters bewerkbaar rondhout – naar keuze van [A] op stam of gekapt – van de teakbomen op het Perceel. Er ontstaat geen Opbrengstrecht vanwege de niet-commerciële dunning(en) die plaatsvind(t)en tussen jaar 3 (drie) en jaar 7 (zeven) na Plantjaar.”

3.7.

In artikel 6 van de AV van [A] is een waardevastgarantie opgenomen luidende:

“6.1. [A] is gehouden in geval van Schade aan het Perceel (…) die per gebeurtenis binnen een periode van 1 (één) jaar een totale daling van de waarde van het Opbrengstrecht van meer dan 25% (vijfentwintig procent) veroorzaakt, deze gebeurtenis onverwijld aan Investeerder te melden en deze Schade vervolgens te compenseren.

6.2.

De totale compensatie bedoeld in Artikel 6.1 bestaat daaruit, dat [A] in desbetreffend geval aan Investeerder op diens verzoek een nieuw aan te planten Perceel ter beschikking stelt van gelijke omvang als het Perceel ten aanzien waarvan bedoelde waardedaling heeft plaatsgevonden. (...)”

3.8.

In zijn aangifte IB/PVV 2006 heeft belanghebbende de waarde van zijn overige bezittingen als onderdeel van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gesteld op € 601.000 (per 1 januari) respectievelijk € 588.785 (per 31 december). Deze bedragen omvatten onder meer de waarde van de participaties. Verder heeft belanghebbende voor een bedrag van € 51.500 (per 1 januari) respectievelijk € 50.303 (per 31 december), omschreven als teakbomen in Brazilië, voorkoming van dubbele belasting verzocht.

3.9.

In zijn aangifte IB/PVV 2007 heeft belanghebbende de participaties niet aangegeven.

3.10.

De Inspecteur heeft belanghebbende per brief van 24 februari 2011 meegedeeld dat hij van de ingediende aangifte IB/PVV 2007 zou afwijken vanwege het niet vermelden van de participaties in die aangifte. De Inspecteur geeft de afwijking als volgt weer in die brief:

‟Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

Het aangegeven bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend:

gemiddelde bezittingen in het aangifte biljet € 95.085

Totaalbedrag van de afwijking: +€ 505.782

Gemiddelde rendementsgrondslag € 600.867

Heffingvrij vermogen € 20.014

Gemiddelde rendementsgrondslag, na aftrek van heffingsvrij vermogen € 580.853

Het forfaitaire rendement: 4% x € 580.853 € 23.234

Vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 6.970”

3.11. Met dagtekening 11 maart 2011 is belanghebbende een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegd, waarbij de ingediende aangifte is gevolgd, hetgeen heeft geleid tot een aanslag berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 14.744 en uit sparen en beleggen van € 3.002.

3.12. Met dagtekening 16 april 2011 is belanghebbende de navorderingsaanslag opgelegd waarin de participaties alsnog zijn meegenomen in de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen, zoals vermeld in de brief van 24 februari 2011.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de waarde van de participaties [B] en [A] door de Inspecteur niet te hoog is vastgesteld, en of belanghebbende terecht aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende acht de waarde van de participaties [B] en [A] nihil.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop deze steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslag IB/PVV over het jaar 2006 en tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:

”(…)

19.

Voor het bepalen van de waarde van de participaties heeft [de Inspecteur] zich voor beide jaren gebaseerd op de door [belanghebbende] overgelegde (en in diverse stukken vervatte) informatie over de waarde van de participaties. Hierbij is [de Inspecteur] voor 2006 in eerste instantie uitgegaan van de waarde die door [belanghebbende] in zijn aangifte IB/PVV 2006 is aangegeven, zijnde een gemiddelde waarde van € 594.892. Ter onderbouwing van de vastgestelde gemiddelde waarde van de participaties in zijn uitspraak op bezwaar IB/PVV 2006 ten bedrage van € 542.500 is [de Inspecteur] ten aanzien van [A] uitgegaan van het bedrag van € 51.500 dat [belanghebbende] zelf in zijn aangifte IB/PVV 2006 per 1 januari 2006 heeft opgenomen als zijnde bezittingen die elders waren belast. Ten aanzien van de participaties [B] heeft [de Inspecteur] zich aangesloten bij de door [belanghebbende] in zijn brief van 8 februari 2013 genoemde en lager dan oorspronkelijk aangegeven - waarde van € 491.000, zijnde het door [C]vastgestelde bedrag waarvoor hij units zou krijgen na de omvorming van [B] in [C]. Voor 2007 is [de Inspecteur] uitgegaan van een lagere gemiddelde waarde van de participaties van € 505.782, zijnde het bedrag dat [belanghebbende] heeft verstrekt in reactie op een vragenbrief van [de Inspecteur] van 21 april 2010.

20.

Uitgaande van een aanschafwaarde van € 500.000 ([B]) en € 72.700 ([A]) en de door [belanghebbende] zelf verstrekte gegevens is [de Inspecteur] bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 2006 en 2007 terecht uitgegaan van de onder 19 genoemde waarden van de participaties, waarbij [de Inspecteur] deze in ieder geval niet te hoog heeft vastgesteld. [Belanghebbende] heeft naar het oordeel van de rechtbank met hetgeen hij nadien heeft ingebracht niet aannemelijk gemaakt dat de participaties in [A] en [B] voor 2006 en 2007 op lagere waarden zouden moeten worden gesteld dan de waarden die door [de Inspecteur] (uiteindelijk) zijn vastgesteld. [Belanghebbende] heeft hiervoor weliswaar het een en ander gesteld, maar zijn stellingen niet nader - met stukken onderbouwd. Voorts heeft [belanghebbende] zich beroepen op omstandigheden (wederrechtelijke inbezitname en faillissement), wat daar ook van zij, die zich (ver) na 2007 hebben voorgedaan. [Belanghebbende] heeft in dat verband niet aannemelijk gemaakt dat en op welke wijze deze toekomstige ontwikkelingen reeds van invloed zijn geweest op de waarde van de participaties in 2006 en 2007.

21.

Nu naar het oordeel van de rechtbank bovenvermelde waarden aan de participaties kunnen worden toegekend dient de vraag te worden beantwoord of [belanghebbende] recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. [Belanghebbende] doet daarvoor een beroep op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (het Verdrag) en op het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb).

[A] - Brazilië

22.

Tussen partijen is niet in geschil dat de participaties [A] niet als onroerende zaken kunnen worden aangemerkt. De rechtbank sluit zich hierbij aan en neemt daarbij het volgende in overweging. In de koopovereenkomsten is vastgelegd dat [belanghebbende] verkrijgt ‘het Opbrengstrecht’ uit de kapronden ten aanzien van de in de overeenkomsten genoemde percelen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer hetzelfde als de economische eigendom of het bezit van dat perceel/de teakbomen als zodanig. Of daarvan sprake is zal uit de overige bepalingen van de overeenkomsten moeten blijken, waarbij onder meer de vraag voorligt of de waardemutaties van de (onderliggende) onroerende zaak [belanghebbende] volledig aangaan.

23.

De rechtbank acht voor dat punt in het bijzonder van belang artikel 6 van de AV (welke AV bij de gesloten overeenkomsten eveneens nagenoeg gelijkluidend zijn) waarin een waardevastgarantie is opgenomen, zoals vermeld onder 6.

24.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de waardevastgarantie het risico met betrekking tot de (waardeverandering van de) teakbomen grotendeels bij [A] gebleven en niet overgegaan op [belanghebbende]. Derhalve heeft [belanghebbende] niet het gehele belang bij de waardemutatie verkregen. Het vorenstaande betekent dat [belanghebbende] niet de (economische) eigendom van de teakbomen heeft verkregen. Alsdan is geen sprake van (inkomsten uit) (het bezit van) een onroerende zaak waarbij een beroep op artikel 6, eerste lid, van het Verdrag, kan worden gedaan, welke bepaling ziet op ‘inkomsten verkregen (...) uit onroerende goederen’ en die voor de belastingheffing aan Brazilië zijn toegewezen.

25.

Verder dient beoordeeld te worden of de participaties [A] vallen onder artikel 6, derde lid, van het Verdrag, welk lid ziet op de ‘inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen’. Het Verdrag geeft geen definitie van de term ‘inkomsten verkregen uit de exploitatie van onroerende goederen’ en ook uit de context is de definitie niet eenduidig af te leiden. Onder die omstandigheden dient op grond van artikel 3, tweede lid, van het Verdrag, voor de betekenis van deze uitdrukking te worden aangesloten bij de Nederlandse wetgeving.

26.

De rechtbank zal voor de beantwoording van deze vraag aansluiten bij artikel 5.3, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) welk artikel, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

‟2. Bezittingen zijn:

a. onroerende zaken;

b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben; (…)”

27.

Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet IB 2001, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 229 wordt met het fiscale begrip ‛zaak’ bedoeld:

‟de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft.”

28.

Op pagina 232 van dat stuk is over het begrip rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben het volgende opgemerkt:

‟Alle onroerende zaken maken in beginsel deel uit van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. Gelet op de systematiek van de forfaitaire rendementsheffing dient hetzelfde te gelden voor rechten die op onroerende zaken betrekking hebben. Daarbij gaat het niet alleen om directe rechten maar ook om indirecte rechten. Het meenemen van indirecte rechten is nodig om te bereiken dat bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik ter zake van een op een perceel erfpachtsgrond gesitueerde woning in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing wordt begrepen. In een dergelijk geval is het erfpachtsrecht namelijk een recht dat direct betrekking heeft op een onroerende zaak. Het vruchtgebruik daarop heeft strikt genomen betrekking op dat erfpachtsrecht en slechts indirect op de onroerende zaak waarop het erfpachtsrecht betrekking heeft.

Als rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben kunnen onder meer worden genoemd:

- een recht van erfpacht;

- een recht van opstal;

- een recht van beklemming;

- een appartementsrecht;

- een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik of een recht van bewoning dat betrekking

heeft op een onroerende zaak.”

29.

In het verdrag (artikel 6, tweede lid) wordt uitdrukkelijk ook vruchtgebruik van onroerende goederen aangemerkt als onroerend goed. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van het begrip ‘inkomsten uit exploitatie van onroerend goed’ van artikel 6 van het Verdrag meebrengt dat daaronder de (inkomsten uit) rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001, kunnen worden begrepen.

30.

Uit artikel 1 van de koopovereenkomsten [A] blijkt dat [belanghebbende] heeft gekocht ‘het Opbrengstrecht voortkomend uit diverse kapronden’. De rechtbank leidt uit deze omschrijving en de algemene voorwaarden af dat het door [belanghebbende] verkregen recht slechts een opbrengstrecht is waarbij de teakbomen worden gebruikt als rekengrootheid om de opbrengst te bepalen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet een recht dat betrekking heeft op de onroerende zaak zelf zoals is omschreven in 28. Derhalve valt het niet onder de definitie van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en kan een beroep op artikel 6, derde lid, van het Verdrag, dat ziet op inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie van onroerende goederen, evenmin slagen.

31.

Nu de participaties [A] niet kunnen worden aangemerkt als (inkomsten uit) (de exploitatie van) een ‛onroerend goed’ kan een beroep op grond van artikel 6, van het Verdrag, niet slagen. Derhalve dient beoordeeld te worden of [belanghebbende] op grond van artikel 22 van het Verdrag, dat ziet op overige inkomsten, recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Op grond van artikel 23 van het Verdrag wordt slechts voorkoming van dubbele belasting voor overige inkomsten verleend ter grootte van - in beginsel - het in Brazilië betaalde bedrag aan belasting over de inkomsten die op grond van artikel 23, eerste lid, van het Verdrag in de Nederlandse grondslag zijn begrepen. Nu [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Brazilië belasting heeft betaald over de participaties [A] en/of de daarmee behaalde inkomsten, heeft hij evenmin op grond van dit artikel recht op voorkoming van dubbele belasting.

32. [

Belanghebbende] had aldus op grond van artikel 22 van het Verdrag voor voorkoming van dubbele belasting in aanmerking kunnen komen. Dan kan hij geen beroep meer doen op het Bvdb ter voorkoming van dubbele belasting, gezien het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Bvdb. [De Inspecteur] heeft derhalve terecht de participaties [A] in de Nederlandse heffing betrokken en geen voorkoming van dubbele belasting verleend.

[B] – Costa Rica

33.

Nu Nederland en Costa Rica geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting hebben afgesloten kan [belanghebbende] ten aanzien van de participaties [B] slechts een beroep doen op het Bvdb.

34. [

Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de participaties zijn vrijgesteld op grond van artikel 22 van het Bvdb. Voor de toepassing van artikel 22 is thans de kwalificatie van de participaties [B] naar het oordeel van de rechtbank niet van belang, nu tussen partijen niet in geschil is - en de rechtbank sluit zich daarbij aan - dat deze hoe dan ook deel uitmaken van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in het Bvdb. Het Bvdb voorziet dan, op grond van artikel 23, derde lid, alleen in een vrijstelling van inkomstenbelasting als het desbetreffende voordeel uit sparen en beleggen is onderworpen aan een gelijksoortige belasting die vanwege een ander land of een andere mogendheid wordt geheven. [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de participaties [B] onderworpen zijn aan een met de inkomstenbelasting vergelijkbare buitenlandse belasting. Reeds om die reden heeft hij op grond van het Bvdb geen recht op voorkoming van dubbele belasting. [De Inspecteur] heeft derhalve terecht de participaties [B] in de Nederlandse heffing betrokken en geen voorkoming van dubbele belasting verleend.

35.

Het beroep van [belanghebbende] op artikel 14 van de Grondwet en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, in het bijzonder omdat het voordeel uit sparen en beleggen een (veel te hoge) forfaitaire rendementsheffing van 4% kent, faalt. Voor zover [belanghebbende] hiermee heeft bedoeld te stellen dat de regelgeving zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 onredelijk is, overweegt de rechtbank dat zij ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen volgens de wet moet rechtspreken en niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen mag beoordelen. Dit brengt mee dat het de rechtbank niet is toegestaan wettelijke regelingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken.

(…).”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De participaties [B] van belanghebbende omvatten bij aanvang van het jaar 2006 het opbrengstrecht van 18,5 hectare teakbomen. Naar belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard, heeft hij in 2006 het opbrengstrecht van één hectare teakbomen conform de ‟Huidige en toekomstige verkoopvoorwaarden ‛[B] Costa Rica’ 2003” voor een prijs van € 48.000 verkocht. De aankoopprijs van dat opbrengstrecht bedroeg € 30.000. Voorts heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij in 2006 meer kon verkopen, maar dat niet gedaan heeft omdat hij toen nog positief stond tegenover de opbrengstverwachting van de participaties [B], en dat hij later (in 2007-2008) van verkoop van zijn overige opbrengstrechten heeft afgezien omdat hij de hem toen geboden waarde van € 26.000 per hectare te mager vond en hij verwachtte dat de waarde zich in de toekomst gunstig zou ontwikkelen. Gelet op dit een en ander moet worden geoordeeld dat de door de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag en navorderingsaanslag gehanteerde waarde van de participaties [B] niet te hoog is. De door belanghebbende in de schriftelijke stukken gestelde en ter zitting aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat de waarde van de participaties lager is dan door de Inspecteur is vastgesteld.

7.2. Het Hof begrijpt de stellingen van belanghebbende aldus dat aan de participaties van [A] evenmin enige waarde kan worden toegekend. Belanghebbende heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die die stelling kunnen schragen.

7.3. Met betrekking tot de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dient de vraag te worden beantwoord of de inkomsten die belanghebbende geniet uit de opbrengstrechten uit de participaties [B] en [A] in Costa Rica respectievelijk Brazilië zijn onderworpen aan belastingheffing. Dienaangaande heeft belanghebbende op wie te dier zake de bewijslast rust – geen feiten en omstandigheden gesteld die dat aannemelijk maken. Reeds daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

7.4. De stelling van belanghebbende dat de forfaitaire heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in strijd is met artikel 14 van de Grondwet faalt, omdat toetsing van een wet in formele zin aan de Grondwet in het Nederlandse rechtsstelsel niet mogelijk is (artikel 120 van de Grondwet). Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de van toepassing zijnde vermogensrendementsheffing te hoog is, overweegt het Hof dat de rechter de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet niet mag toetsen (artikel 11 van de Wet Algemeene bepalingen).

7.5. Het vorenstaande leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. W.M.G. Visser, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits.

De beslissing is op 2 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.