Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2967

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
13-12-2019
Zaaknummer
200.095.527-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2014:1487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging algemene voorwaarden ex artikel 6:233 onderdeel b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.095.527/01

Zaaknummer rechtbank : 368299/HA ZA 10-3611

arrest van 23 september 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.H. Kuiper te Zoetermeer,

tegen

Brugman Keukens & Badkamers B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Brugman,

advocaat: mr. Ph. Ekering te Rotterdam.

Het geding

Voor het eerdere procesverloop verwijst het hof naar zijn arrest van 6 mei 2014. In dit arrest is [appellant] toegelaten tot het daar genoemde (tegen)bewijs. [appellant] heeft zich zelf en zijn echtgenote als getuige doen horen. Brugman heeft afgezien van contra-enquête.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

In r.o. 11 tot en met 13 van het tussenarrest is overwogen dat grief III strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] een redelijke kans is geboden om van de CBW voorwaarden kennis te nemen, nu [appellant] in de overeenkomst heeft verklaard de tekst van de voorwaarden te hebben ontvangen. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij de voorwaarden niet van Brugman heeft ontvangen en dat hij in de showroom geen exemplaar of kopie van de koopovereenkomst heeft meegekregen. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat de opdrachtgever door middel van ondertekening (van de overeenkomst) verklaart de tekst van de voorwaarden te hebben ontvangen en dat die verklaring dwingend bewijs in de zin van artikel 157 lid 2 Rv oplevert. Hiertegen staat op de voet van artikel 151 Rv tegenbewijs open. [appellant] is in het tussenarrest toegelaten tot het leveren van het door hem aangeboden tegenbewijs.

2.

[appellant] heeft, kort gezegd, verklaard dat hij op 2 september 2007 samen met zijn echtgenote in de showroom van Brugman in Capelle aan den IJssel is geweest. Zij waren geïnteresseerd in de aankoop van een stoomcabine merk Teuco. Zij zijn geholpen door een verkoopmedewerkster [naam medewerkster]. Er was op dat moment een aanbieding met 50% korting. Mevrouw [naam medewerkster] heeft verteld dat de aanbieding alleen zou gelden als er op die dag een handtekening onder de koopovereenkomst zou worden gezet. [appellant] heeft verder verklaard dat hij toen met mevrouw [naam medewerkster] een speciale afspraak heeft gemaakt dat de koopovereenkomst niet zou gelden als zijn oude huis niet voor 1 november 2007 zou zijn verkocht. Verder heeft hij verklaard dat hij op 2 september geen kopie van de koopovereenkomst heeft meegekregen. Ook heeft hij geen doorslagvel daarvan ontvangen. [naam echtgenote], de echtgenote van [appellant], heeft kort gezegd, verklaard dat zij op 2 september 2007 samen met [appellant] in de showroom van Brugman is geweest. Zij waren aan het rondkijken. Er kwam een verkoopmedewerkster naar hen toe, die vroeg wat ze zochten. Zij hebben samen met de verkoopmedewerkster, mevrouw [naam medewerkster] gesproken en gezegd dat zij op zoek waren naar een stoomcabine maar dat er wel een speciale afspraak gemaakt moest worden. Die speciale afspraak hield, voor zover zij zich kan herinneren, in dat als hun oude huis niet voor 1 november 2007 verkocht zou zijn de order niet door zou gaan. [appellant] heeft ter plekke de koopovereenkomst getekend. Op 2 september 2007 hebben ze geen kopie van de door [appellant] getekende koopovereenkomst meegekregen en ook geen doorslagveld daarvan.

3.

Naar het oordeel van het hof is [appellant] geslaagd in de levering van het hem opgedragen tegenbewijs. Zijn verklaring is gedetailleerd en vindt voldoende steun in de verklaring van zijn echtgenote. Het hof acht de beide verklaringen geloofwaardig en voldoende overtuigend. Dat hun verklaringen ten aanzien van de gang van zaken met betrekking tot de vastlegging van de speciale voorwaarde niet geheel overeenkomen doet naar het oordeel van het hof niet af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over de vraag of [appellant] bij de ondertekening van de overeenkomst (in de showroom van Brugman) een exemplaar of kopie van de koopovereenkomst heeft meegekregen.

4.

Het hof tekent aan dat de beperkte bewijskracht van de partijverklaring als bedoeld in artikel 164 Rv alleen geldt voor feiten waarvoor die partij het bewijsrisico draagt. Deze bepaling geldt niet als het gaat om het leveren van tegenbewijs, zoals hier het geval is. Gelet op het voorgaande ten overvloede overweegt het hof dat ook indien artikel 164 Rv hier wel van toepassing zou zij het hof van oordeel is dat [appellant] is geslaagd in de levering van het hem opgedragen tegenbewijs. De verklaring van de echtgenote van [appellant] is voldoende sterk en bevat zodanige essentiële punten dat zij de partijgetuige verklaring van [appellant] overtuigend maakt.

5.

Uit het voorgaande volgt dat grief III doel treft. Dit betekent dat [appellant] zich terecht (op de voet van artikel 233 onder b BW) heeft beroepen op de vernietigbaarheid van het beding als is opgenomen in artikel 6 jo. artikel 12 van de algemene voorwaarden, omdat hem geen redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen.

6.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van Brugman alsnog afwijzen. Brugman zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in de beide instanties.

7.

[appellant] heeft in punt 39 van de memorie van grieven aangevoerd dat hij op grond van het hier bestreden vonnis op 27 juli 2011 aan Brugman het bedrag van € 9.697,65 heeft betaald. In hoger beroep vordert hij (bij vermeerdering van eis) dit bedrag van Brugman terug. Nu in hoger beroep de vordering van Brugman alsnog is afgewezen en Brugman niet heeft betwist dat [appellant] ter uitvoering van het vonnis het hier teruggevorderde bedrag heeft betaald zal de vordering tot terugbetaling worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2011,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst de vordering van Brugman af;

  • -

    veroordeelt Brugman om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] een bedrag terug te betalen van € 9.697,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt Brugman in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 29 juni 2011 begroot op € 255,-- aan verschotten en € 768,-- aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt Brugman in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 94,20 aan explootkosten, € 284,-- aan verschotten en € 2.212,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, M.M. Olthof en P.M. Verbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.