Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2943

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
2200277612
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen woningoverval; bewijsoverweging m.b.t. medeplegen

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Terwijl de verdachte in de auto is blijven wachten, zijn drie anderen naar de woning gegaan om de vooraf in de auto besproken overval te plegen. In de woning is door de overvallers grof geweld gebruikt jegens het daar woonachtige echtpaar. Er is onder meer met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedreigd en geslagen en de vrouwelijke bewoonster is door één van de daders vanaf de eerste verdieping van de woning uit een geopend raam geduwd. Hierdoor is zij naar beneden gevallen en heeft zij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft vier dagen in coma op de intensive care moeten doorbrengen. Ze heeft veel pijn gehad en ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg was de mate en de duur van het uiteindelijk herstel nog niet in te schatten.

Straf: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 9 (negen) maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002776-12

Parketnummer: 10-710203-11

Datum uitspraak: 9 september 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1991,

thans gedetineerd in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 augustus 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair, alsmede van de onder 2 primair impliciet cumulatief ten laste gelegde afpersing vrijgesproken en ter zake van de onder 2 primair impliciet cumulatief ten laste gelegde – kort samengevat - diefstal met geweld, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof heeft het onder 2 primair ten laste gelegde te gelden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin – kort samengevat - zowel een (gekwalificeerde) diefstal met geweld als een (gekwalificeerde) afpersing aan verdachte worden verweten. In eerste aanleg is de verdachte van de desbetreffende afpersing vrijgesproken. Mede gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gedane mededeling van de advocaat-generaal hieromtrent, verstaat het hof het door de verdachte onbeperkt ingestelde hoger beroep aldus, dat dit ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 07 april 2011 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( krachtig) duwen tegen de deur van voornoemde woning en/of die [slachtoffer 1] naar binnen duwen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen en/of

- ( vervolgens) drukken van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegenhet hoofd van die [slachtoffer 1] en daarbij (meermalen) die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: "Waar is het geld, waar is het geld" en/of "Zeg nu maar, waar is het geld" en/of 'Ik vraag het nog 1 keer, wijs het geld aan", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, althans éénmaal, (telkens) slaan met een hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 2] bij haar benen en/of

- ( vervolgens) omhoog tillen van die [slachtoffer 2] aan haar benen en/of

- ( vervolgens) gooien en/of duwen van die [slachtoffer 2] uit een geopend raam op de 1e verdieping

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gescheurde lever en/of één of meer gebroken ribben en/of een breuk van de voorhoofdsholte en/of een breuk van de oogkasbodem) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 april 2011 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een woning aan de [straatnaam], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (het/de) weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- ( krachtig) tegen de deur van de woning heeft geduwd en/of die [slachtoffer 1] naar binnen heeft geduwd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen en/of

- ( vervolgens) een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en daarbij (meermalen) die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Waar is het geld, waar is het geld" en/of "Zeg nu maar, waar is het geld" en/of 'Ik vraag het nog

1. keer, wijs het geld aan", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, althans éénmaal, (telkens)een hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] bij haar benen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] aan haar benen omhoog heeft getild en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] uit een geopend raam op de 1e verdieping heeft geduwd en/of gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gescheurde lever en/of één of meer gebroken ribben en/of een breuk van de voorhoofdsholte en/of een breuk van de oogkasbodem) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 07 april 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [straatnaam] heeft/hebben weggenomen sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) en/of verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( krachtig) duwen tegen de deur van voornoemde woning en/of die [slachtoffer 1] naar binnen duwen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen en/of

- ( vervolgens) drukken van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en daarbij (meermalen) die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: “Waar is het geld, waar is het geld?? en/of “Zeg nu maar, waar is het geld” en/of ‘Ik vraag het nog 1 keer, wijs het geld aan”,

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, althans éénmaal, (telkens) slaan met een hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het(achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 2] bij haar benen en/of

- ( vervolgens) omhoog tillen van die [slachtoffer 2] aan haar benen en/of

- ( vervolgens) gooien en/of duwen van die [slachtoffer 2] uit een geopend raam op de le verdieping

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gescheurde lever en/of één of meer gebroken ribben en/of een breuk van de voorhoofdsholte en/of een breuk van de oogkasbodem) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 april 2011 te Spijkenisse en/of Delft en/of elders in Nederland, tezamen en/of in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die ander(en) te vertellen dat er waardevolle goederen en/of geld in de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (aan de [straatnaam]) aanwezig waren, en/of

voornoemde woning aan te wijzen, en/of

met zijn/een auto die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) naar die woning te vervoeren en/of (vervolgens) bij die woning te wachten, en/of

(vervolgens) met zijn/een auto die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) van die woning weg te vervoeren en/of te helpen vluchten;

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 07 april 2011 te Spijkenisse, in/uit een woning aan de [straatnaam],

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (het/de) weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1]

en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) en/of verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/hun mededader(s) en/of verdachte hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn/hun mededader(s), althans alleen,

- ( krachtig) tegen de deur van de woning heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer 1] naar binnen heeft/hebben geduwd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen en/of

- ( vervolgens) een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt en daarbij (meermalen) die [slachtoffer 1] de woorden heeft/ hebben toegevoegd: “Waar is het geld, waar is het geld” en/of “Zeg nu maar, waar is het geld” en/of ‘Ik vraag het no g 1. keer, wijs het geld aan”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, althans éénmaal, (telkens)een hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] bij haar benen heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] aan haar benen omhoog heeft/hebben getild en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] uit een geopend raam op de le verdieping heeft/hebben geduwd en/of gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gescheurde lever en/of één of meer gebroken ribben en/of een breuk van de voorhoofdsholte en/of een breuk van de oogkasbodem) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 april 2011 te Spijkenisse en/of Delft en/of elders in Nederland, tezamen en/of in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest door

aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die ander(en) te vertellen dat er waardevolle goederen en/of geld in de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (aan de [straatnaam]) aanwezig waren, en/of

voornoemde woning aan te wijzen, en/of

met zijn/een auto die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) naar die woning te vervoeren en/of (vervolgens) bij die woning te wachten, en/of

(vervolgens) met zijn/een auto die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die ander(en) van die woning weg te vervoeren en/of te helpen vluchten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte behoort te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat deze wegens innerlijke tegenstrijdigheid onbetrouwbaar zijn. Dat de telefoon van de verdachte op een tijdstip kort na de overval een zendmast in Schiedam heeft aangestraald zegt volgens de raadsman bovendien niets over de betrokkenheid van de verdachte bij de woningoverval. De verdachte heeft immers verklaard dat hij zich op dat moment in een coffeeshop in Schiedam bevond. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat er een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan tussen de verdachte en de andere personen, en dat de verdachte daarom niet kan worden aangemerkt als medepleger. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen actieve rol in het geheel heeft gespeeld.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Door zowel medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) als medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) is de verdachte herkend als zijnde één van de bij de ten laste gelegde woningoverval betrokken personen, waarbij beide medeverdachten aangeven dat de verdachte voor de overval naast de bestuurder in de auto heeft gezeten. Beide medeverdachten erkennen daarnaast zelf bij de overval betrokken te zijn geweest en hebben dus ook belastend ten aanzien van zichzelf verklaard. Ondanks het feit dat zij ieder voor zich niet geheel consistent hebben verklaard en ook hun onderlinge verklaringen op bepaalde punten niet met elkaar sporen, acht het hof de herkenning door deze getuigen van de foto van de verdachte als een van de personen die bij de overval betrokken was, voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Dit in het bijzonder gelet op het signalement van de verdachte dat [medeverdachte 1] in zijn verklaring van 28 september 2011 bij de politie heeft opgegeven, welk signalement – lichter getint, vermoedelijk Hindoestaans, zwart sluik half lang haar, 20-25 jaar oud, slank postuur – in alle opzichten overeenkomt met een van de nadien aan [medeverdachte 1] getoonde foto’s van de verdachte. Dat de verdachte ten tijde van het feit nog langer haar had, maakt het hof op uit de eerste verklaring van verdachtes moeder en uit de verklaringen hieromtrent van de politie (p. 485 en p. 387). Ten aanzien van de herkenning door [medeverdachte 2] van de verdachte van een foto acht het hof in het bijzonder van belang dat [medeverdachte 2] tegenover de politie heeft verklaard dat hij de verdachte al kende en (dus) herkent, terwijl ook de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend dat hij en [medeverdachte 2] elkaar al eerder hadden ontmoet en dat zijn eerdere verklaringen op dit punt dus niet juist waren. De enkele omstandigheid dat beide medeverdachten om hen moverende redenen een niet gelijkluidende rol toedichten aan de verdachte, doet naar het oordeel van het hof aan die herkenningen als zodanig niet af. Het bewijsverweer van de verdediging faalt dus op de hiervoor vermelde gronden.

Steunbewijs voor de aanwezigheid van de verdachte in het gezelschap van een van de medeverdachten ontleent het hof aan (objectieve) telecomgegevens. De overval heeft omstreeks 21.15 uur in Spijkenisse plaatsgevonden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ze na afloop van de overval met de auto naar Schiedam zijn gereden, waar hij is afgezet door onder meer de verdachte. De telefoon van de verdachte heeft die avond om 23:01 uur een zendmast in Schiedam aangestraald. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij zich - op dat moment - in een coffeeshop in Schiedam bevond, waarheen hij met het openbaar vervoer was gereisd, acht het hof, gelet op het feit dat de verdachte nu pas - d.w.z. nadat hij, door de politie geconfronteerd met het gegeven dat zijn telefoon met nr. [telefoonnummer] na het delict te Spijkenisse was uitgepeild in Schiedam (p. 364), op de vraag hoe dat kan verklaarde: “Ik zou het niet weten.” - met deze verklaring is gekomen en gelet op het ontbreken van iedere onderbouwing van dit verweer, ongeloofwaardig. Derhalve gaat het hof aan dit verweer voorbij.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval.

Vervolgens stelt het hof zich de vraag op welke wijze de verdachte bij de overval betrokken is geweest.

Hoewel op dit punt, als hiervoor overwogen, door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet eenduidig is verklaard, gaat het hof – mede gelet op de door aangever [slachtoffer 1] en diverse getuigen opgegeven signalementen van de drie personen die in de woning en/of in de nabijheid daarvan zijn geweest en in het bijzonder gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de politie - er van uit dat er in totaal vijf personen bij de overval betrokken zijn geweest, dat deze drie personen alle drie – anders dan de verdachte, gelet op zijn Hindoestaanse afkomst - een Afrikaans uiterlijk hadden, een echt donkere huidskleur, allen negroïde, en dat de verdachte derhalve samen met de bestuurder in de auto is achtergebleven, terwijl [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een onbekend gebleven derde (negroïde) persoon uit de auto zijn gestapt en zich naar de woning hebben begeven om de overval te plegen.

De enkele omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de overval niet in de woning was, maakt nog niet dat zijn handelen niet als medeplegen kan worden beschouwd.

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] maakt het hof op dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], de bestuurder van de auto, de verdachte en de andere, onbekend gebleven, jongen voorafgaand aan de overval een tijd bij elkaar in een auto hebben gezeten en daarin hebben rondgereden. De woning en de auto’s van de persoon die overvallen zou worden zijn aangewezen door de bestuurder van de auto. Ook verdachte heeft die woning nog aangewezen. De inzittenden van de auto hebben meerdere keren stilgestaan op een parkeerplaats en gewacht tot het donker werd. Tevens hebben ze in de auto een taakverdeling gemaakt en afgesproken dat de buit zou worden verdeeld. Dat [medeverdachte 1] vooraan zou lopen en aanbellen, is volgens deze door de verdachte gezegd. Toen de drie feitelijke overvallers uit de auto stapten om zich naar de woning te begeven, is afgesproken dat de auto in een zijstraat zou staan en heeft [medeverdachte 1], volgens afspraak, aangebeld bij de bewuste woning. Na het plegen van de overval zijn de jongens weer in de auto gestapt. Samen zijn ze weggereden, richting Schiedam.

Op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de politie en die van hem als getuige ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof voorts vast, welke vaststelling steun vindt in de verklaring van [medeverdachte 1], dat in de auto tevens is besproken dat er ergens geld was te halen en dat ze daarom een overval zouden gaan plegen, waarna ze met elkaar in de auto op de komst van de latere slachtoffers hebben gewacht. Kort voor de overval is verteld waar de woning was en is de woning ook aangewezen. Er werd tevoren afgesproken waar de auto zou staan na de overval. Na afloop zijn de jongens weer in de auto gestapt en zijn ze samen weggereden.

Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten en omstandigheden – anders dan de raadsman heeft betoogd - dat de verdachte voldoende nauw en bewust met de drie feitelijke overvallers heeft samengewerkt om zijn handelen als medeplegen aan te kunnen merken. Bij dit oordeel heeft het hof in het bijzonder erop gelet dat de verdachte in de auto aanwezig is geweest bij de planning van de overval en zich voor de overval zelfs actief heeft bemoeid met de taakverdeling. Tevens heeft het hof bij dat oordeel gelet op de omstandigheid dat de verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachten. Integendeel, de verdachte heeft de woning (nogmaals) aangewezen, zou meedelen in de buit, heeft de overvallers met de bestuurder in de vluchtauto opgewacht, is tezamen met de anderen met de auto gevlucht en is ten minste tot aan Schiedam met hen samen geweest.

Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte voorafgaand aan de overval op de hoogte was van het feit dat de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zouden worden verricht. Bij een overval bestaat evenwel de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat de degene die wordt overvallen zijn eigendommen niet vrijwillig afstaat en weerstand zal bieden aan zijn belagers en dat daardoor een situatie zal ontstaan waarin de overvallers – onder omstandigheden zelfs in ernstige mate – geweld zullen toepassen. Door zich te gedragen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij die aanmerkelijke kans naar het oordeel van het hof bewust aanvaard. Voor bewezenverklaring van opzet hoeft niet steeds vast te staan dat de verdachte weet had van de precieze gedragingen van zijn mededaders (zie Hoge Raad 10 april 2007, NJ 2007, 224).

Op basis van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 07 april 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( krachtig) duwen tegen de deur van voornoemde woning en

- ( vervolgens) drukken van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: "Waar is het geld, waar is het geld" en "Zeg nu maar, waar is het geld" en 'Ik vraag het nog 1 keer, wijs het geld aan", en

- slaan met een hard voorwerp op het achterhoofd van die [slachtoffer 1] en

- vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer 2] bij haar benen en

- ( vervolgens) omhoog tillen van die [slachtoffer 2] aan haar benen en

- ( vervolgens) duwen van die [slachtoffer 2] uit een geopend raam op de 1e verdieping,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gescheurde lever en één of meer gebroken ribben en een breuk van de voorhoofdsholte en een breuk van de oogkasbodem) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Terwijl de verdachte in de auto is blijven wachten, zijn drie anderen naar de woning gegaan om de vooraf in de auto besproken overval te plegen. In de woning is door de overvallers grof geweld gebruikt jegens het daar woonachtige echtpaar. Er is onder meer met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedreigd en geslagen en de vrouwelijke bewoonster is door één van de daders vanaf de eerste verdieping van de woning uit een geopend raam geduwd. Hierdoor is zij naar beneden gevallen en heeft zij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft vier dagen in coma op de intensive care moeten doorbrengen. Ze heeft veel pijn gehad en ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg was de mate en de duur van het uiteindelijk herstel nog niet in te schatten.

De verdachte en zijn mededaders hebben door aldus te handelen niet alleen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het echtpaar, maar zij hebben hen tevens onvoorstelbaar veel angst aangejaagd. Deze verschrikkelijke gebeurtenis heeft grote emotionele impact gehad op het echtpaar. De overval vond plaats in hun eigen woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, en waar op dat moment ook hun driejarige dochtertje aanwezig was. Angst heeft het leven van het echtpaar nadien nog overheerst. Zij hadden slaapproblemen, waren niet meer in staat om te werken en hadden angst om naar buiten te gaan. De psychische schade is zodanig dat zij beiden in een traumacentrum hebben verbleven en een psychische behandeling hebben ondergaan. De man heeft ruim een half jaar na de woningoverval een eind aan zijn leven gemaakt.

De verdachte heeft kennelijk puur uit eigen financieel gewin gehandeld en heeft de eventueel ernstige gevolgen van zijn daad voor de slachtoffers daarbij voor lief genomen. Het hof rekent dit de verdachte zeer ernstig aan. Dat de verdachte ter terechtzitting nog met mededogen over de slachtoffers heeft gesproken, doet naar het oordeel van het hof aan het vorenoverwogene niet af.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 augustus 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijke feit, waarbij een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte is opgelegd. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is – alles overwegende en mede in aanmerking genomen de betrekkelijk jonge leeftijd van de verdachte – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren een passende sanctie zou zijn geweest. Het hof neemt echter in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier eerst na ruim 13 maanden in plaats van binnen 6 maanden na het instellen van hoger beroep ter griffie bij het hof is binnengekomen. Bij een dergelijke mate van overschrijding dient in beginsel een strafkorting van 10 procent en dus 6 maanden te worden toegepast. Door de voortvarende behandeling van de strafzaak in hoger beroep is de overschrijding naar het oordeel van het hof echter vergaand gecompenseerd, zodat het hof op de overwogen gevangenisstraf 3 maanden in mindering zal brengen en een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 9 maanden resteert.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.439,34 (bestaande uit € 2.739,34 aan materiële schade en € 14.700,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging in hoger beroep niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De gevorderde materiële schade zal derhalve - hoofdelijk - worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.439,34 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 17.439,34 (zeventienduizend vierhonderdnegenendertig euro en vierendertig cent) bestaande uit € 2.739,34 (tweeduizend zevenhonderdnegenendertig euro en vierendertig cent) materiële schade en € 14.700,00 (veertienduizend zevenhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 17.439,34 (zeventienduizend vierhonderdnegenendertig euro en vierendertig cent) bestaande uit € 2.739,34 (tweeduizend zevenhonderdnegenendertig euro en vierendertig cent) materiële schade en € 14.700,00 (veertienduizend zevenhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. J.W. van Rijkom en mr. A.S.I. van Delden, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2014.