Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2928

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
22-004492-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van wederrechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling ter zake van afpersing, gekwalificeerde diefstal en opiumwetdelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004492-13

Parketnummer: 09-857241-13

Datum uitspraak: 8 september 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1990,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de PI Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

25 augustus 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, eerste cumulatief/alternatief, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

36

maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 16 maart 2013 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, terwijl het feit is gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en/of een pincode, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen van een mes aan die [aangever] en/of het houden van dat mes bij en/of tegen de keel van die [aangever] en/of zeggen "als je meewerkt doen we je niks, maar als je niet meewerkt maken we je koud. Als je toch meewerkt, maar later naar de politie gaat, dan maken we je alsnog af als ik vrij kom" en/of het tonen van een hamer aan die [aangever] en/of zeggen "als je de verkeerde pincode hebt gegeven, maakt hij je koud" en/of het vastbinden van de voeten van die [aangever] en/of zeggen "ik steek je dood";

2.

hij op of omstreeks 16 maart 2013 te Delft en/of

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van EUR 10.500,-, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebbe verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas op naam van [aangever] en/of de bijbehorende pincode en/of (daarmee),

door een geldbedrag van EUR 4.250,-, althans enig geldbedrag, op te nemen uit één of meer geldautomaten en/of

door een geldbedrag van EUR 5.800,-, althans enig geldbedrag, over te maken op rekening 5413668 ten name van Tasdelen

en/of

hij op 16 maart 2013 te Delft en/of te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer geldbedrag(en), te weten EUR 10.500,-, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.


hij op of omstreeks 16 maart 2013 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet die [aangever] een mes heeft getoond en/of een mes bij en/of tegen de keel van die [aangever] gehouden en/of die [aangever] een hamer getoond en/of de voeten van die [aangever] vastgebonden en/of (aldus) die [aangever] belet om zijn woning te verlaten;

4.


hij op of omstreeks 03 april 2013 te Delft opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 88,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.


hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 3 april 2013 te Delft en/of elders in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd , onder aanvulling met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraken

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, tweede cumulatief is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Voorts bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen) van wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu ter zake van dit feit naast de verklaring van aangever [aangever] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, eerste cumulatief, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op 16 maart 2013 te Delft tezamen en in vereniging met een ander terwijl het feit is gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en een pincode, toebehorende aan [aangever], welke bedreiging met geweld bestond uit het tonen van een mes aan die [aangever] en zeggen "als je meewerkt doen we je niks, maar als je niet meewerkt maken we je koud. Als je toch meewerkt, maar later naar de politie gaat, dan maken we je alsnog af als ik vrij kom" en het tonen van een hamer aan die [aangever] en zeggen "als je de verkeerde pincode hebt gegeven, maakt hij je koud";

2, eerste cumulatief

hij op 16 maart 2013 te Delft en

's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [aangever], zulks na zich de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas op naam van [aangever] en de bijbehorende pincode en daarmee een geldbedrag op te nemen uit één of meer geldautomaten en door een geldbedrag van EUR 5.800,- over te maken op rekening 5413668 ten name van Tasdelen;


4.


hij op 03 april 2013 te Delft opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 88,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.


hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 3 april 2013 te Delft opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning.

Het onder 2, eerste cumulatief bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing zoals bewezenverklaard. De verdachte heeft door te handelen zoals is bewezen verklaard samen met zijn mededader inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van het slachtoffer en hem gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd, temeer nu de afpersing tijdens de nachtelijke uren plaatsvond in de woning van het slachtoffer. Feiten als het onderhavige brengen in de regel ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De verdachte heeft zich voorts op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels van diverse geldbedragen. De verdachte heeft er daarmee blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen.

De verdachte heeft tenslotte gedurende een aantal maanden harddrugs verkocht, afgeleverd en aanwezig gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 augustus 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de generale en speciale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.468,72. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 7.468,72.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Voor wat betreft het deel dat ziet op geleden materiële schade levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is evenwel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 3.000.-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, tweede cumulatief en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, eerste cumulatief, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (

zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr R.C. Schlingemann en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2014.