Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2926

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.139.286/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Londen Limitatieverdrag. Verzoek tot aanhaking bij hier te lande gevormde beperkingsfondsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/133

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 28 augustus 2014

Zaaknummer : 200.139.286/01

Zaak-/rekestnrs. rechtbank : 423350 / HA RK 13-302 + 423351 / HA ZA 13-303

Beslissing

in hoger beroep op het verzoek van:

MST MINERALIEN SCHIFFAHRT SPEDITION UND TRANSPORT GMBH,

gevestigd te Schnaittenbach, Duitsland,

appellante,

hierna te noemen: MST,

advocaat: mr. H. Boonk (Rotterdam).

Het procesverloop

MST heeft op 20 december 2013 een appelschrift (met producties) ingediend tegen twee beschikkingen d.d. 2 december 2013 van de Rechtbank Rotterdam waarbij zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken om aansluiting bij de door Clary Shipping Private Limited (nader te noemen: Clary Shipping) gestelde fondsen (zakenfonds en wrakkenfonds).

Er zijn verweerschriften ingediend door:

mr. J.F. van der Stelt, advocaat te Rotterdam, namens:

1.

CAPITAL BANK PUBLIC LIMITED COMPANY, gevestigd te Chester, V.K.,

2.

ACTINOR CAR CARRIER I AS, gevestigd te Oslo, Noorwegen,

3.

WALLENIUS WILHELMSEN LINES AS, gevestigd te Oslo, Noorwegen,

4.

NORWEGIAN HULL CLUB, gevestigd te Oslo, Noorwegen,

5.

ASSURANCEFORENINGEN GARD GJENSIDIG, gevestigd te Arendal,

Noorwegen,

6.

WILHELMSEN LINES SHIPOWNING AS, gevestigd te Oslo, Noorwegen,

en door mr. O. Böhmer, advocaat te Rotterdam, namens de in het verweerschrift als volgt aangeduide entiteiten:

1.

BAYERISCHE MOTORENWERKBAU A.G., gevestigd te München, Duitsland,

2.

BMW OF NORTH AMERICA LLP, gevestigd te Woodcliff Lake, USA,

3.

HDI INDUSTRIE VERSICHERUNGS A.G., gevestigd te Hannover, Duitsland,

4.

ALLIANZ, gevestigd te Hamburg, Duitsland,

5. ‘

TRICOLOR’/ ‘KARIBA’ Schedule of Interests Represented attached as exhibit

A to the list of provisionally denied claims in the Clary fund,

6.

SAAB AUTOMOBILE AB, Trollhättan, Zweden,

SAAB CARS USA INC. Norcross, USA,

SAAB DEUTSCHLAND GMBH, Bad Homburg, Duitsland,

7.

ALLIANZ MARINE & AVIATION VERSICHERUNGS A.G.,

8.

ZÜRICH GLOBAL ENERGY,

9.

AMERICAN INTERNATIONAL MARINE AGENCY,

10.

AUGUSTA ASSICURAZIONI S.P.A., gevestigd te Turijn, Italië.

Bij laatstbedoeld verweerschrift is tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Mr. Boonk heeft bij brief van 12 maart 2014 aanvullende stukken toegestuurd en bij brief van 27 maart 2014 om een kostenveroordeling verzocht. Op 1 april 2014 vond de mondelinge behandeling plaats. Mrs. Boonk, Latten (i.p.v. Van der Stelt) en Böhmer hebben bij die gelegenheid het woord gevoerd overeenkomstig door hen overgelegde pleitnotities. Op het voorblad van de pleitnota van mr. Böhmer staat een opsomming van namen van verweerders die afwijkt van de opsomming in het door hem ingediende verweerschrift.

De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

1.

In de nacht van 13 op 14 december 2002 vond voor de Franse kust ter hoogte van Duinkerken een aanvaring plaats tussen het containerschip ‘Kariba’ en de autocarrier ‘Tricolor’. Beide schepen raakten daarbij zwaar beschadigd, de ‘Tricolor’ zelfs zozeer dat zij zonk. De reder van de ‘Kariba’ - Otal Investments Ltd. - wijt de aanvaring aan een voorrangsfout van het m.s. ‘Clary’, waardoor de ‘Kariba’ werd gedwongen uit te wijken, waarna een aanvaring met de ‘Tricolor’ onvermijdelijk was. Op die grond heeft hij beslag laten leggen op de ‘Clary’ toen dit schip in de haven van Groningen lag.

2.

De eigenaar van de ‘Clary’ - Clary Shipping Private Limited (hierna: Clary Shipping) - heeft daarop beperkingsverzoeken ingediend bij de Rechtbank Rotterdam, die deze verzoeken heeft toegewezen bij beschikkingen van 16 april 2003. Voor de zaakschade is de aansprakelijkheid van Clary Shipping daarbij beperkt tot 2.115.055 rekeneenheden (zakenfonds) en voor vorderingen als bedoeld in art. 8:752, lid 1 onder d en e, BW (wrakkenfonds) tot 2.864.125 rekeneenheden. Clary Shipping heeft beide fondsen gesteld.

de verzoeken van MST

3.

Stellende dat zij (a) ‘manager’ althans ‘operator’ van de ‘Clary’ is en uit dien hoofde behoort tot de categorie beperkingsgerechtigden bedoeld in art. 8:750, lid 2, BW en (b) in de USA op dezelfde wijze en door dezelfde crediteuren als de reder van de ‘Clary’ wordt aangesproken ter zake van de door de aanvaring veroorzaakte schade, verzoekt MST om (i) de bedragen waartoe haar aansprakelijkheid is beperkt vast te stellen op de bedragen die zijn vastgesteld ten aanzien van Clary Shipping, (ii) te verstaan dat de door Clary Shipping gestelde fondsen moeten worden aangemerkt als mede door haar te zijn gesteld en (iii) haar beperkingsverzoeken te voegen met de beperkingsprocedures die Clary Shipping is gestart bij de Rechtbank Rotterdam en die daar bekend zijn onder rekest-/zaaknummers 02-233 / 188766 en 03-098 / 194331.

de beslissing van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft MST niet-ontvankelijk verklaard, met als overweging dat de verzoekschriften niet de gegevens behelzen die een verzoekschrift volgens art. 642a Rv moet vermelden. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank: ‘2.8 De bepalingen van het Verdrag en artikel 642a Rv brengen immers mee dat MST in haar verzoek onder meer dient te stellen door wie en op welke grondslag zij in rechte wordt aangesproken en dat het daarbij gaat om vorderingen ten aanzien waarvan zij haar aansprakelijkheid meent te kunnen beperken onder een reeds gesteld fonds. In het verzoek dienen de naam en woonplaats van de aan verzoeker bekende personen tegenover wie zij zich meent op beperking van aansprakelijkheid te kunnen beroepen met een schatting van het maximumbedrag van ieders vordering te worden vermeld.’ Dat MST hierover tijdens de behandeling van de verzoeken ter zitting wel enig inzicht heeft gegeven, is te laat, terwijl het in strijd zou zijn met een goede procesorde om haar alsnog in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het geding te brengen, aldus de rechtbank.

de verweren tegen de verzoeken van MST

5.

Met deze overwegingen honoreert de rechtbank één van de tegenwerpingen van de verweerders. Andere tegenwerpingen zijn (onder meer):

( i) Art. 11-1 van het Londens Beperkingsverdrag dat voor fondsvorming als voorwaarde stelt dat een rechtsgeding aanhangig moet zijn gemaakt geldt ook voor een verzoek tot aansluiting bij een reeds gevormd fonds; tegen degene die aansluiting verzoekt moet dus in het fondsland een rechtsmaatregel zijn getroffen. Aan die voorwaarde is niet voldaan, aangezien MST niet hier te lande wordt aangesproken en overigens evenmin in een andere verdragsstaat. Ook om die reden is zij niet-ontvankelijk in haar verzoeken. Tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank richt zich het voorwaardelijk incidenteel appel.

(ii) Het staat niet vast dat de vorderingen waarvoor MST in de USA is aangesproken/veroordeeld behoren tot de categorieën waarvoor Clary Shipping de fondsen heeft gevormd. Voor zover zij is aangesproken wegens wanprestatie onder de met Clary Shipping gesloten agency agreement of ter zake van een zelfstandige onrechtmatige daad geldt dat voor die independent negligence geen fondsen zijn gesteld.

(iii) MST heeft in de USA niet tijdig en/of niet deugdelijk verweer gevoerd tegen haar aansprakelijkstelling.

(iv) De door de rechtbank bedoelde ontbrekende gegevens zijn nog steeds niet verstrekt. Ook zijn de belanghebbenden niet opgeroepen; slechts de advocaten zijn geïnformeerd.

( v) Toewijzing van de verzoeken in dit stadium is in strijd met een goede procesorde en (ook overigens) met art. 6 EVRM.

(vi) Het aanvullende verzoek om een kostenveroordeling is (eveneens) te laat ingediend en bovendien in strijd art. 642z Rv.

beschouwingen in hoger beroep

6.

De verzoeken van MST moeten aldus worden verstaan dat zij toepassing wenst van het bepaalde in art. 11, derde lid, van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 / Trb. 1984, 31 - hierna: het Londens Beperkingsverdrag of kortweg: het verdrag). Deze bepaling, die een nationale uitwerking kent in art. 642d Rv, luidt voor zover van belang: ‘A fund constituted by one of the persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2 of Article 9 or his insurer shall be deemed constituted by all persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2, respectively.’ Clary Shipping, die de fondsen gesteld heeft, is een rechtspersoon als bedoeld in art. 9, lid 1 onder a, van het verdrag, welke bepaling luidt: ‘1. The limits of liability determined in accordance with Article 6 shall apply to the aggregate of all claims which arise on any distinct occasion: (a) against the person or persons mentioned in paragraph 2 of Article 1 and any person for whose acts, neglect or default he or they are responsible;’ Bedoeld art. 1, paragraaf 2, van het verdrag houdt in: ‘The term ‘shipowner’ shall mean the owner, charterer, manager and operator of a seagoing ship.’ Naar zij stelt is MST manager althans operator van de ‘Clary’ en is zij daarom gerechtigd haar aansprakelijkheid te beperken.

7.

Het Londens Beperkingsverdrag is door Nederland inmiddels opgezegd. Dat is gebeurd bij gelegenheid van de inwerkingtreding van het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het Londens Beperkingsverdrag (Trb. 1997, 300 / Trb. 2006, 17), dat eveneens rechtstreekse werking heeft en waarvan art. 9 lid 1 zegt dat Protocol en verdrag moeten worden gelezen als één instrument. Art. 11, derde lid, is in het Protocol niet gewijzigd. Het evenmin gewijzigde art. 14 van het Londens Beperkingsverdrag bepaalt dat - behoudens de bepalingen van hoofdstuk III van het verdrag - de regels betreffende de vorming en de verdeling van een beperkingsfonds, alsmede alle daarmee verband houdende procedureregels beheerst worden door de wet van de Staat die partij is bij het verdrag en waarin het fonds wordt gevormd.

8.

Wat die procedureregels betreft heeft de rechtbank overwogen dat niet blijkt dat de wetgever de vraag onder ogen heeft gezien op welke wijze het beperkingsrecht moet worden ingeroepen indien de schuldenaar wil aansluiten bij een reeds gevormd fonds. De rechtbank heeft deze leemte - in het voetspoor van haar eerdere uitspraak in de ‘Mighty Servant II’ (ECLI:NL:RBROT:2002:AK4824, S&S 2003/26) - opgevuld door ook voor dat geval uit te gaan van een verplichting tot het indienen van een verzoekschrift als bedoeld in art. 642a Rv, om vervolgens te constateren dat MST niet tijdig aan alle voorschriften van dat artikel heeft voldaan, met een niet-ontvankelijkverklaring als resultaat.

9.

Tegen het aldus toepassen van deze buitenwettelijke constructie pleit dat art. 642a Rv een voorprocedure is met het oog op (i) de vaststelling van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid en (ii) de wijze van fondsvorming, terwijl die aangelegenheden hier niet aan de orde zijn: de bedragen van de beperkte aansprakelijk zoals die voor de reder c.s. gelden zijn immers reeds vastgesteld en ook de fondsenvorming is al een feit. Waar met de in hoger beroep verschenen belanghebbenden nog wel dispuut over bestaat, zijn de stellingen van MST dat de vorderingen ten aanzien waarvan zij zich op haar beperkingsrecht wil beroepen vorderingen zijn waarvoor reeds fondsen zijn gevormd en dat zij behoort tot de categorie personen voor en door wie deze fondsen geacht worden te zijn gesteld. Vooralsnog heeft MST de juistheid van die stellingen echter voldoende aannemelijk gemaakt. Meer speciaal heeft zij, mede aan de hand van de door haar overgelegde stukken uit de Amerikaanse procedures, genoegzaam aangetoond dat zij in de Verenigde Staten samen met en als alter ego van Clary Shipping wordt aangesproken voor de schade als gevolg van de aanvaring, voor welke schade Clary Shipping hier te lande fondsen heeft gevormd. Bovendien kan de betwisting van bedoelde stellingen tijdens de verificatiefase opnieuw of voor het eerst aan de orde worden gesteld, evenals trouwens andere bezwaren tegen het beperkingsverzoek. Tijdens die verificatiefase zal de vereffenaar de (door MST nader aan hem op te geven) schuldeisers informeren over het door de rechter-commissaris te bepalen tijdstip waarop uiterlijk hun vorderingen op MST, alsmede de eventuele betwistingen van het beperkingsberoep moeten worden ingediend (vgl. de art. 642g en. 642i Rv). Ingeval van betwisting van het beroep op beperking van aansprakelijkheid kan daarna nog een renvooiprocedure volgen (vgl. art. 642q Rv).

10.

Zo bezien was en is er geen goede grond om MST niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, ook niet om reden dat deze niet ex art. 642a, lid 2 onder f, Rv alle namen en woonplaatsen vermelden van de aan MST bekende personen ‘tegenover wie zij meent zich op beperking van aansprakelijkheid te kunnen beroepen met een schatting van het maximumbedrag van ieders vordering’, te minder nu aan de verzoekschriften lijsten van rechtspersonen zijn gehecht, inclusief hun voorlopig betwiste vorderingen zoals die zijn ingediend in de beide door Clary Shipping gestelde fondsen; de beperkingsverzoeken van MST betreffen diezelfde vorderingen van diezelfde schuldeisers, waarvoor zij naar haar zeggen op dezelfde voet als Clary Shipping aansprakelijk wordt gehouden. Dat niet al die schuldeisers zijn opgeroepen / verschenen naar aanleiding van de door MST ingediende verzoeken vormt evenmin een beletsel voor toewijzing. In aanmerking nemende dat het gaat om verzoeken tot aansluiting bij bestaande fondsen, waarin de schuldeisers ten opzichte van wie MST haar beperkingsrecht wil inroepen reeds bekend zijn, verdient het in dit geval om praktische reden de voorkeur dat zij door de vereffenaar worden geïnformeerd over de door MST verzochte aansluiting.

11.

De overige tegenwerpingen zijn evenmin steekhoudend. De opvatting dat degene die aansluiting zoekt bij een reeds gevormd fonds moet wachten tot tegen hem in het fondsland of een andere verdragsstaat een rechtsmaatregel is getroffen vindt geen steun in het verdrag; bij een dergelijk verzoek speelt niet dat degene die verwacht te worden aangesproken niet zelf mag bepalen in welke verdragsstaat zijn limitatiefonds zal worden gevormd (forumshopping). Het ‘verwateringsargument’ dat voor de hier bedoelde opvatting is aangevoerd is ondeugdelijk, althans onvoldoende toegelicht. Fondsstelling, zoals die hier reeds door Clary Shipping heeft plaatsgevonden, geschiedt immers voor het geheel der naar aanleiding van eenzelfde voorval ontstane vorderingen uit een bepaalde categorie. Ongegrond, althans onvoldoende onderbouwd is ook het verweer dat de verzoeken strijdig zijn met een goede procesorde en/of een schending van art. 6 EVRM opleveren. De aan dit verweer ten grondslag liggende opvatting dat een verzoek tot aansluiting bij een gevormd fonds binnen een bepaalde termijn na aansprakelijkstelling dient te worden kenbaar gemaakt vindt geen grond in het verdrag of in de nationale regelgeving, terwijl gesteld noch gebleken is dat MST de verwachting heeft gewekt geen gebruik te willen maken van het recht op beperking of aansluiting bij een bestaand fonds. Evenmin is gebleken dat de afwikkeling van de fondsen reeds zo ver is gevorderd of om andere reden zodanig dreigt te worden verstoord door aansluiting van MST dat aan de verzoeken daartoe geen gehoor behoort te worden gegeven. Voor zover een verweer van die strekking is gevoerd, ontbreekt een voldoende onderbouwing (bijvoorbeeld is er niet een verklaring van de vereffenaar die de juistheid ervan bevestigt).

12.

Wat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betreft wordt nog overwogen a. dat deze door de verschenen belanghebbenden niet is betwist, en b. dat deze voortvloeit uit het feit dat de verzoeken strekken tot aansluiting/voeging bij de door Clary Shipping hier te lande gestarte procedure tot fondsvorming (vgl. art. 6, lid 2, EEX-Vo).

13.

Omdat de in hoger beroep verschenen verweerders de toewijzing van de verzoeken op ondeugdelijke gronden zijn blijven bestrijden en de procedure, in elk geval in hoger beroep, een contentieus karakter heeft gekregen, worden zij in hoger beroep aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en om die reden met toepassing van art. 289 Rv veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Wat de door mr. Böhmer vertegenwoordigde verweerders betreft, komt daar dan nog bij dat het door hen ingestelde voorwaardelijke incidentele appel ongegrond is. Het bepaalde in art. 642z Rv staat niet in de weg aan een kostenveroordeling op deze grond. Ook het bezwaar dat te laat om een proceskostenveroordeling is gevraagd treft geen doel, reeds omdat het Hof de proceskostenveroordeling ook ambtshalve kan uitspreken.

De beslissing

Het Hof, rechtdoende in het principaal en in het voorwaardelijk incidenteel appel:

- vernietigt de beslissingen waarvan beroep;

- wijst de verzoeken van MST toe in die zin dat er vooralsnog van uit wordt gegaan dat zij behoort tot de kring van personen door wie de door Clary Shipping gevormde fondsen geacht worden te zijn gesteld, waardoor de aansprakelijkheid van MST voor de vorderingen waarvoor die fondsen zijn gesteld beperkt is tot het bedrag van die fondsen;

- bepaalt dat de verzoeken van MST tot aansluiting bij de door Clary Shipping gestelde fondsen worden gevoegd met de procedures die bij de Rechtbank Rotterdam over die fondsen lopen (rekest-/zaaknummers 02-233 / 188766 en

03-098 / 194331);

- veroordeelt de in de aanhef van deze beschikking genoemde verweerders in hoger beroep in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van MST bepaald op € 683,- aan verschotten en op € 1.784,- aan salaris voor de advocaat;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Aldus gegeven door mrs. J.M. van der Klooster, M.M. Olthof en W. van der Velde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2014 in aanwezigheid van de griffier.