Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2890

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
22-004727-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich met zijn mededaders op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mensensmokkel alsmede een poging daartoe.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004727-11

Parketnummer: 10-750128-08

Datum uitspraak: 9 mei 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortejaar] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft later het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake feit 1.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

2.

(02 december 2008 Schiphol)

hij

in of omstreeks de periode van 23 november 2008 tot en met 02 december 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland, en/of in Italië en/of in Griekenland, althans een ander land dan Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vier, althans één of meer perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit,

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Griekenland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen (daartoe),

- ( al dan niet telefonisch) afspraken gemaakt en/of contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- zijn, verdachtes, Nederlands paspoort en/of giropas en/of één of meer andere document(en) ter beschikking gesteld en/of

- tijdens de (door)reis door en/of toegang tot Griekenland die perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst begeleid en/of geleid en/of

- ( daarbij) zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geadviseerd en/of geïnstrueerd,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was;


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


(02 december 2008 Schiphol)

hij

in of omstreeks de periode van 23 november 2008 tot en met 02 december 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland, en/of in Italië en/of in Griekenland, althans een ander land dan Nederland,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vier, althans één of meer perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit,

behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of Griekenland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen (daartoe),

- ( al dan niet telefonisch) afspraken gemaakt en/of contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- zijn, verdachtes, Nederlands paspoort en/of giropas en/of één of meer andere document(en) ter beschikking gesteld en/of

- tijdens de (door)reis door en/of toegang tot Griekenland die perso(o)n(en) (vooralsnog van onbekend gebleven identiteit) van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst begeleid en/of geleid en/of

- ( daarbij) zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geadviseerd en/of geïnstrueerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.


(Transport Bad Bentheim)

hij

in of omstreeks de periode van 01 augustus 2008 tot en met 05 augustus 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, althans een ander land dan Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

drie, althans één of meer perso(o)n(en) van Irakese nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit, te weten

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3],

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of Duitsland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen (daartoe),

- één of meer (trein)ticket(s) geregeld/aangeschaft en/of (vervolgens) ter beschikking gesteld aan die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], teneinde daarmee in en/of door Nederland en/of Duitsland te reizen en/of

- ( daarbij) tijdens de (door- en/of trein)reis die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] begeleid en/of geleid,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 01 augustus 2008 tot en met 05 augustus 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, althans een ander land dan Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

drie, althans één of meer perso(o)n(en) van Irakese nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit, te weten

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3],

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of Duitsland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval in een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen (daartoe), die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3],

- in Nederland en/of in/naar Duitsland begeleid en/of geleid en/of

- gedurende één of meer dag(en) en/of nacht(en) onderdak (in een woning in Nederland) verschaft;

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was;

4.


hij

in of omstreeks de periode van 01 augustus 2006 tot en met 06 april 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- mensensmokkel (artikel 197A Sr)

– witwassen (artikel 420bis);

5.


hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2006 tot en met 06 april 2009, te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens),

een voorwerp, te weten geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van een voorwerp, te weten geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.



Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 2 primair en feit 3 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Het hof acht – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en onder 3 tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, zodat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.

Feit 5

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gesteld dat de onder feit 5 begrepen geldbedragen uitsluitend zien op geldbedragen die zijn voortgevloeid uit feit 3.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de door de verdachte overgemaakte en ontvangen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, behoudens de enkele omstandigheid dat deze bedragen zijn overgemaakt/ontvangen naar/uit het buitenland rond de bewezenverklaarde periode van feit 3.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat het hof de verdachte ook daarvan zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

(02 december 2008 Schiphol)

hij

in de periode van 23 november 2008 tot en met 02 december 2008 te Rotterdam en elders in Nederland,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

één persoon vooralsnog van onbekend gebleven identiteit van Irakese en/of Afghaanse nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit,

behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland,

terwijl verdachte wist dat die toegang wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging, daartoe,

- ( al dan niet telefonisch) afspraken gemaakt en contact onderhouden met zijn mededaders en/of één of meer andere perso(o)n(en) en

- zijn, verdachtes, Nederlands paspoort en giropas en één ander document ter beschikking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.


(Transport Bad Bentheim)

hij

in de periode van 01 augustus 2008 tot en met 05 augustus 2008 te Rotterdam en elders in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, drie personen van Irakese nationaliteit/afkomst, althans met een buitenlandse nationaliteit, te weten

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3],

behulpzaam is geweest bij doorreis door Nederland en het zich verschaffen van toegang tot en doorreis Duitsland, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging, daartoe,

- treintickets geregeld/aangeschaft en ter beschikking gesteld aan die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3], teneinde daarmee in en door Nederland en Duitsland te reizen en daarbij tijdens de treinreis die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] begeleid en/of geleid,

terwijl verdachte wist dat die toegang en die doorreis wederrechtelijk was;

4.


hij

in de periode van 01 augustus 20068 tot en met 06 april 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- mensensmokkel (artikel 197A Sr).

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Door de raadsvrouw van de verdachte is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – verkort en zakelijk weergegeven – voor zover van belang het navolgende aangevoerd.

a. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit.

Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt het aan het onder 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, nu van nauwe samenwerking geen sprake is geweest. Verdachtes aandeel is beperkt gebleven tot het verschaffen van inlichtingen.

Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit, nu van een organisatie geen sprake is geweest. Zelfs indien er sprake zou zijn een organisatie dan vormde cliënt daar geen onderdeel van, nu slechts incidenteel contact werd opgenomen met de verdachte met relatief simpele vragen.

Het hof overweegt diengaande als volgt.

Ad a.

Dit bewijsverweer vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit kan mede worden opgemaakt dat verdachte zijn paspoort, bankpas en een bankafschrift ter beschikking heeft gesteld aan zijn medeverdachten met het doel [betrokkene 4] een middel te verschaffen voor de toegang tot Nederland. Dat in bepaalde taps mede wordt verwezen naar een “foto [die] perfect is en dat die jongen in de avond komt en [medeverdachte 1] hem moet betalen”, maakt dit, anders dan de verdediging veronderstelt, niet anders. In het bijzonder niet met het oog op de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken waaruit – kort gezegd – kan worden opgemaakt dat en hoe het extra paspoort moest worden meegenomen door verdachtes medeverdachten, en de omstandigheid dat een van verdachtes medeverdachten, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] zeer nauwgezet informeert en impliciet instrueert omtrent het door [medeverdachte 1] gevoerde verweer dat hij het paspoort per ongeluk zou hebben meegenomen.

Ad b.

Op 5 augustus 2008 zijn drie illegale vreemdelingen door de Duitse politie op het station Bad Bentheim naar aanleiding van een controle uit de trein gehaald en aangehouden. De verdachte is toen en daar eveneens aangehouden. De illegale vreemdelingen en de verdachte waren in het bezit van treintickets voor hetzelfde traject van Rotterdam naar Kopenhagen, de treintickets hadden (bijna) opvolgende nummers en waren allemaal op dezelfde plaats (Rotterdam Centraal Station, loket C) en op nagenoeg hetzelfde tijdstip gekocht. Voorts volgt uit camerabeelden dat [medeverdachte 4] op 5 augustus 2008 om 10.13.57 uur en [medeverdachte 3] om 10.14.01 uur de klantenentree zijn binnengelopen op het Centraal Stadion te Rotterdam. Dit tijdstip ligt kort voor het vertrek van de bewuste trein. Gehoord door de Duitse politie heeft de verdachte verklaard dat hij deze vreemdelingen, waarvan hij wist dat ze geen papieren hadden, op verzoek van [medeverdachte 3] heeft vergezeld gedurende de treinreis. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben hem overgehaald dit te doen en hebben de treintickets gekocht. De illegale vreemdelingen zijn eveneens door de Duitse politie gehoord en hebben verklaard dat zij via een mensensmokkelaar in Nederland zijn gekomen en van hem een treinticket hebben gekregen. Door twee van hen is verklaard dat het uiteindelijke reisdoel Zweden was. Eén van hen was in het bezit van een brief met daarop een telefoonnummer, dat volgens de verklaring van de verdachte van [medeverdachte 3] was.

Gelet op het vorenoverwogene is naar ’s hofs oordeel sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte enerzijds en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] anderzijds, dat er sprake is van medeplegen als bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Dat verdachtes rol binnen dit medeplegen meer uitvoerend van aard is geweest dan die van zijn beide medeplegers, maakt dit niet anders. Anders dan de verdediging, acht het hof verdachtes rol bovendien niet beperkt te zijn gebleven tot het verschaffen van inlichtingen, maar tevens uitgestrekt tot het begeleiden van de illegale vreemdelingen bij hun transport van Rotterdam tot in Duitsland, waarbij het de kennelijke wens is geweest van de verdachte hen tot aan hun einddoel te begeleiden.

Ad c.

Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte bij meerdere mensensmokkeltransporten betrokken is geweest.

In de zaak Schiphol is gebleken dat de verdachte wordt benaderd door [medeverdachte 1] die zijn zoon, die geen geldige verblijfstitel heeft, uit Griekenland naar Nederland wil laten komen. Kort na dit telefoongesprek neemt de verdachte telefonisch contact op met [medeverdachte 5], in Italië en geeft aan “goed werk” in Athene te hebben. Uit politie informatie blijkt dat [medeverdachte 5] samenwerkt met [medeverdachte 4]. De verdachte heeft in deze zaak zijn paspoort ter beschikking gesteld.

In de zaak Bad Bentheim is naar voren gekomen dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in augustus 2008 heeft deelgenomen aan de mensensmokkel van een drietal illegale vreemdelingen. Uit de bewijsmiddelen behorende bij feit 1 kan volgen dat de verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een rol heeft gespeeld bij het vertrek per trein van de illegale vreemdelingen. [medeverdachte 4] heeft de smokkel georganiseerd en daarbij samengewerkt met [medeverdachte 3]. De verdachte heeft, zo kan uit zijn eigen verklaring worden opgemaakt, de illegalen begeleid in de trein. Voorts heeft de verdachte tegenover de Nederlandse politie verklaard:

“Vraag: Welke andere mensen zijn er in Italië die met [medeverdachte 4] werken?

Antwoord: Er zijn er te veel om op te noemen. Er werken groepen van mensen in Turkije, in Italië en elders en zo. Die zorgen dat mensen kunnen reizen. [medeverdachte 4] werkt vanuit Italië. Dit land ligt heel centraal. Oké, er is één vast persoon met wie [medeverdachte 4] samen werkt. Zijn nummer staat in mijn telefoon onder de naam “[medeverdachte 5]”. Als u zegt hij is ook mensensmokkelaar, dan zeg ik mensenhelper.” (p. 211)

Uit de omstandigheid dat het telefoonnummer van [medeverdachte 5] in de telefoon van verdachte staat, bezien in onderling verband en samenhang met het kader waarin deze persoon wordt genoemd in dit verhoor, leidt het hof af dat verdachte in een zakelijke relatie staat tot deze persoon. Uit de omstandigheid dat verdachte in het kader van de zaak Schiphol contact opneemt met ene [medeverdachte 5] en “werk” met hem bespreekt, leidt het hof af dat het gaat om dezelfde persoon met wie verdachte een duurzame zakelijke relatie heeft op het gebied van mensensmokkel.

Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien volgt dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een internationaal opererende organisatie en dat hij daarmee een aandeel heeft gehad in het oogmerk van die organisatie, zijnde het plegen van mensensmokkel-transporten. Deze organisatie werd gevormd door een gestructureerd en voldoende duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen. De verdachte werkte daarbij in ieder geval samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waarbij verschillende werkzaamheden zijn uitgevoerd. [medeverdachte 4] verrichtte handelingen in voornamelijk Italië, maar ook in Nederland, de verdachte en [medeverdachte 3] verrichtten handelingen in het bijzonder in Nederland. Daarbij kan [medeverdachte 4] als de organisator worden beschouwd. [medeverdachte 3] stond tussen [medeverdachte 4] en de verdachte in. De verdachte heeft een ondersteunende rol gehad in het Bad Bentheim transport, hij begeleidde in het bijzonder de illegale vreemdelingen.

Gelet op het vorenoverwogene verwerpt het hof het verweer en acht het hof bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen een aan criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, die tot oogmerk had het plegen van mensensmokkeltransporten.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die mede tot oogmerk had het plegen van witwassen.

Anders dan de rechtbank komt het hof tot een kortere pleegperiode van verdachtes deelname aan de criminele organisatie, nu het hof geen bewijs voorhanden heeft waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte reeds vanaf de “Zweedse zaak” waarvoor hij eerder veroordeeld is, deel heeft uitgemaakt van de evenbedoelde criminele organisatie.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.

Het onder 3 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 primair en 3 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake het onder 2 subsidiair, 3 eerste cumulatief/alternatief, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich met zijn mededaders op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mensensmokkel alsmede een poging daartoe. Bij mensensmokkel worden mensen die, om wat voor reden dan ook, hun land willen verlaten op illegale wijze naar een veelal Westers land getransporteerd. De smokkelaars maken daarbij misbruik van de afhankelijkheid van deze personen, door voor het transport veel geld te vragen. De internationale georganiseerde smokkel van vreemdelingen is bovendien een fenomeen dat afbreuk doet aan de waardigheid van de mens, die als koopwaar wordt behandeld. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit en daarmee het beleid van de betrokken overheden om een gereguleerd asielbeleid te voeren, waarbij de echte asielzoekers – politieke vluchtelingen in de zin van de conventie van Genève – kunnen worden opgevangen, ondermijnd. Tevens heeft de verdachte in het kader van de voormelde mensensmokkel deelgenomen aan een criminele organisatie, hetgeen een bedreiging vormt voor de Nederlandse samenleving. De bedreiging is daarbij met name gelegen in de macht die een criminele organisatie uitoefent op haar leden en over delen van de samenleving in het algemeen, alsmede in de facilitering van mensensmokkel in het bijzonder. De verdachte heeft binnen dit alles een ondersteunende rol gehad, die weliswaar kleiner is geweest dan die van zijn mededaders, maar desondanks essentieel is geweest voor de feitelijke uitvoering van de bewezenverklaarde (voorgenomen) mensensmokkeltransporten, ook die waarbij het tot een strafbare poging is gebleven.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk tot gevangenisstraf is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit in Zweden en andersoortige strafbare feiten in Nederland. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier niet binnen acht maanden, maar eerst na bijna tien maanden na het instellen van het hoger beroep d.d. 4 oktober 2011 ter griffie van het hof is binnengekomen en de zaak voorts niet binnen 24 maanden na het instellen van het hoger beroep, maar na ruim 32 maanden, is afgedaan. Het hof zal de overschrijding van de bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat en de beoogde op te leggen gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, bekorten tot een gevangenisstraf 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt. Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 140 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 tweede cumulatief/alternatief en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (

drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. W.J. van Boven en mr. A.S.I. van Delden, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 mei 2014.

Mr. A.S.I. van Delden en mr. W.J. van Boven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.