Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2881

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
22-001470-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een persoon met een mes in zijn linkerzij te steken.

Het hof veroordeelt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) weken en tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001470-14

Parketnummers: 09-900540-12 en 09-112198-11 (TUL)

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 juli 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de (linker)zij/(linker)flank, althans in het bovenlichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 23 mei 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp, in de (linker)zij/(linker)flank, althans in het bovenlichaam heeft gestoken,, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof onder meer tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Nu de verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, kan het – overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen – gevoerde verweer daaromtrent naar ’s hofs oordeel onbesproken blijven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 mei 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in de linkerzij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft gesteld dat in de onderhavige zaak vier scenario’s mogelijk zijn, te weten:

1.

Aangever heeft zichzelf met zijn eigen mes verwond;

2.

De verdachte heeft aangever opzettelijk verwond met zijn mes;

3.

De aangever is gewond geraakt door het mes van de verdachte zonder dat hij of de verdachte of een derde dit heeft doorgehad;

4.

Een derde heeft aangever verwond met het mes van de verdachte.

De raadsvrouw heeft vervolgens bepleit dat niet kan worden uitgesloten dat de scenario’s 1, 3 of 4 zich hebben voorgedaan, zodat twijfel bestaat over de wijze waarop de aangever gewond is geraakt. Derhalve ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de verwonding (opzettelijk) heeft toegebracht en dient hij te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

Aan het procesdossier ontleent het hof de volgende feiten en omstandigheden.1

Op 23 mei 2012 omstreeks 00:57 uur kwam bij de politie een melding binnen dat een persoon was neergestoken bij C1000 op de Plesmanlaan te Den Haag.2 Ter plaatse troffen verbalisanten een man aan, genaamd [benadeelde partij] (hierna ook: [benadeelde partij]), met een steekwond in zijn linkerzij waar bloed uit sijpelde.3

Aangever [benadeelde partij] was die avond met vrienden genaamd [getuige 1], [verdachte] en [getuige 2] in de Engelse Tuin4; een parkje in het winkelcentrum Ypenburg dat in de volksmond zo wordt genoemd.5 [benadeelde partij] heeft verklaard dat de sfeer was veranderd nadat zij [getuige 1] naar huis hadden gebracht en een vriend van [verdachte], [getuige 3] genaamd, bij de groep was gekomen en dat het voor hem voelde alsof er iets mis zou gaan. [benadeelde partij] wilde naar huis en gaf [getuige 2], [getuige 3] en een onbekende jongen een boks, bij wijze van groet. [verdachte] kwam als laatste en omhelsde [benadeelde partij] plotseling. [benadeelde partij] heeft verklaard dat [verdachte] dit normaal nooit doet en dat hij het vreemd vond dat hij dit deed. Vervolgens liepen [verdachte], [getuige 2], [getuige 3] en de onbekende jongen weg. [benadeelde partij] ging hierop nog even zitten, voelde zich duizelig worden en zakte wat in elkaar. Drie jongens die aan kwamen lopen zeiden tegen [benadeelde partij] dat hij iets in zijn zij had en toen zag [benadeelde partij] dat hij daar bloed verloor. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij denkt dat [verdachte] hem gestoken heeft, omdat hij de enige is geweest die zo dicht bij hem in buurt is geweest en echt fysiek contact met hem heeft gehad om hem te kunnen steken.6 Ook aan de verbalisanten die om 01:06 uur ter plaatse kwamen heeft [benadeelde partij], op de vraag wie dit had gedaan, geantwoord dat [verdachte] dit had gedaan.7

[benadeelde partij] heeft, nadat hij geconstateerd had dat hij was neergestoken, die nacht zelf de politie gebeld en heeft verklaard dat een jongen van achttien à negentien jaar oud hem had gestoken. [benadeelde partij] zei tegen de centralist dat hij de jongen kende. De jongen had volgens [benadeelde partij] een Hindoestaanse kleur, had een kleine baard en droeg zwarte kleding.8

Om 01:15 uur is verdachte samen met [getuige 4] op de Bleriotlaan aangehouden, omdat hij rond de achttien jaar oud was, een getinte huidskleur had, een baardje droeg, donkere kleding aan had en zijn voornaam [verdachte] was.9

De verdachte heeft verklaard dat hij die avond met [getuige 2], [getuige 4] en [benadeelde partij] naar de Engelse tuin was gegaan.10 Hij heeft tevens verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat hij die avond een mes bij zich had, dat hij een confrontatie met aangever [benadeelde partij] heeft gehad waarbij hij zijn eigen mes heeft getrokken, heeft uitgeklapt en in zijn hand heeft gehouden, dat hij na de confrontatie met [benadeelde partij] het mes weer heeft ingeklapt en samen met [getuige 4] is weggelopen, dat hij vervolgens het mes in een plantenbak heeft verstopt en zijn kleding met die van [getuige 4] heeft gewisseld.11

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat de verdachte, nadat hij bij de steekpartij met [benadeelde partij] was weggelopen en bij de getuige kwam, zijn mes inklapte en in zijn zak deed. Vervolgens heeft de verdachte het mes ter hoogte van de Zeeman weer uit zijn broekzak gehaald en weggegooid in een plantenbak. Nadat de verdachte en [getuige 4] uit het winkelcentrum richting de Ypenburgse Boslaan waren gelopen vroeg de verdachte aan [getuige 4] om met hem van kleding te wisselen, zo heeft [getuige 4] verklaard. Getuige [getuige 4] heeft toen zijn blauwe sweater en blauwe pet aan de verdachte gegeven en zelf de zwarte Adidas sweater van de verdachte aangetrokken, die later door de politie in beslag is genomen.12 Bij de rechter-commissaris heeft de getuige [getuige 4] verklaard dat hij, wat hij bij de politie verklaard heeft, naar waarheid heeft verklaard. Hij heeft toen tevens verklaard dat [benadeelde partij] een tijdje alleen stond, dat [verdachte] toen naar [benadeelde partij] was toegelopen, dat hij de enige persoon was die naar [benadeelde partij] was toegelopen, dat hij [benadeelde partij] (vervolgens) op de grond heeft zien liggen en dat hij [verdachte] toen terug zag lopen vanwaar [benadeelde partij] op de grond lag, waarna hij samen met [verdachte] is weggelopen en [verdachte] het mes heeft verstopt.13

Het mes van de verdachte is op aanwijzing van [getuige 4] door de politie aangetroffen in de bosschages van een bloemenperk op een verhoogd plateau.14 De verdachte heeft aangegeven dat het daar aangetroffen mes het mes is dat hij die avond bij zich had.15

Uit het technisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in deze zaak is het volgende gebleken.

Op het lemmet van het mes van de verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen.16 Tevens zijn op het lemmet van het mes van de verdachte vezelsporen van de jas, het shirt en het hemd van het slachtoffer aangetroffen, welke kleding op de plek van het letsel steekschade had. Een deel van deze vezelsporen betreft zogenaamde steekvezels. De deskundige van het NFI concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat deze vezelsporen op het mes van de verdachte terecht zijn gekomen, doordat dit mes de kleding van het slachtoffer heeft doorstoken, dan dat de kleding zou zijn doorstoken met een willekeurig ander mes.17 Ook concludeert de deskundige dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de kleding van het slachtoffer is doorstoken door het mes van de verdachte dan door het mes dat het slachtoffer bij zich had.18

Waarmee is de steekwond toegebracht?

De vraag die het hof allereerst dient te beantwoorden is of het slachtoffer is gestoken door het mes van de verdachte. Zowel de verdachte als het slachtoffer hadden op 23 mei 2012 een mes bij zich. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer is gestoken door c.q. met het mes van de verdachte. Op het mes van de verdachte zijn, anders dan op het mes van het slachtoffer, immers vezels van alle drie de doorstoken kledingstukken van het slachtoffer aangetroffen, alsmede steekvezels. Zoals hiervoor overwogen acht het NFI het dan ook zeer veel waarschijnlijker dat de kleding van het slachtoffer is doorstoken door het mes van de verdachte dan een ander mes. Verder kunnen de op het mes van het slachtoffer aangetroffen vezels door contact zonder doorsteken worden verklaard.19 Het bloed van het slachtoffer dat is aangetroffen op het mes van het slachtoffer kan worden verklaard door het feit dat het slachtoffer het mes bij zich droeg toen hij bloedde uit zijn steekwond. Een alternatieve verklaring voor het aantreffen van het bloed en de (steek)vezels op het mes van de verdachte is er niet.

Het vorenstaande brengt met zich, dat het hof het onder 1. genoemde alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde schuift.

Wie heeft de steekwond toegebracht?

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte degene is geweest die het slachtoffer met zijn mes heeft gestoken. Volgens de verklaring van aangever [benadeelde partij] was de verdachte de enige die dicht genoeg in zijn buurt is geweest om hem te kunnen steken. Uit de verklaring van de getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris kan worden afgeleid dat de verdachte als enige bij [benadeelde partij] was op het moment waarop de steekpartij moet hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft zelf verklaard dat er een treffen is geweest tussen hemzelf en aangever [benadeelde partij], waarbij de verdachte zijn eigen mes heeft gepakt, heeft uitgeklapt en vast heeft gehouden, waarna hij het mes weer heeft ingeklapt, bij zich heeft gestoken en vervolgens heeft verstopt. Uit geen van deze

verklaringen, noch enig ander bewijsmiddel, volgt een begin van aannemelijkheid dat iemand anders dan de verdachte met zijn mes het slachtoffer heeft gestoken. Voor de overtuiging weegt tevens mee dat de verdachte geen redelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij kort na het incident het mes heeft verstopt en kledingstukken heeft gewisseld met de getuige [getuige 4], zodat dit in redelijkheid niet anders kan worden aangemerkt dan als handelingen bedoeld om de opsporing te frustreren en zijn aanhouding te voorkomen. Het hof acht op grond van al het voorgaande, in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte zelf is geweest die het slachtoffer met zijn mes heeft gestoken.

Het vorenstaande brengt met zich, dat het hof het onder 4. genoemde alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde schuift.

Is de steekwond opzettelijk toegebracht?

Het hof heeft in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen wettig bewijs gevonden dat de verdachte aangever met boos opzet heeft gestoken.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Volgens vaste rechtspraak is de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer op 23 mei 2012 éénmaal met een mes in de linkerzij heeft gestoken.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zulks heeft gedaan met opzet in voorwaardelijke vorm. Door tijdens een fysieke confrontatie een uitgeklapt mes ter hand te nemen en te houden, bestaat immers de aanmerkelijke kans dat de wederpartij met dat mes wordt gestoken. Een kans die de verdachte getuige zijn handelwijze bewust heeft aanvaard. Dat de verdachte misschien niet heeft gemerkt dat het mes de zijde van aangever heeft geraakt, doet daaraan niet af.

Algemene ervaringsregels leren dat het vorenstaande de aanmerkelijke kans oplevert dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, bijvoorbeeld in de vorm van ernstige verwondingen aan één of meer organen of spieren die zich in nabijheid van de door verdachte geraakte plek bevonden. Het hof acht bewezen dat de verdachte ook deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, door het mes tijdens een fysieke confrontatie uitgeklapt ter hand te nemen en te houden.

Het vorenstaande brengt met zich, dat het hof het onder 3. genoemde alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde schuift.

Het hof acht derhalve de opzet van de verdachte - zij het in voorwaardelijke zin - op het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer en daarmee het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, met aftrek van voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren alsook een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een persoon met een mes in zijn linkerzij te steken. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van het slachtoffer. Tevens brengt een dergelijk ernstig feit gevoelens van onbehagen en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juli 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het – ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw overgelegde - bericht van het jeugd interventie team d.d. 22 juli 2014, opgemaakt door Murena Post, trajectbegeleider JIT ZUID. Hieruit en uit hetgeen de verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard, leidt het hof af dat de verdachte op actieve wijze doende is zijn leven een wending ten goede te geven. Mede gelet hierop komt het hof tot een andere straf(modaliteit) dan de rechtbank. Het hof zal derhalve geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan reeds in voorarrest is doorgebracht door de verdachte. Teneinde de verdachte te beletten terug te vallen in crimineel gedrag, acht het hof het geboden dat een forse voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. Daarnaast acht het hof het, gelet op de ernst van de feiten, geboden dat aan verdachte een substantiële taakstraf wordt opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat de straf als gevorderd door de advocaat-generaal een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade ad € 159,90 en immateriële schade ad € 250,-, derhalve tot een totaalbedrag van € 409,90, als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.

In eerste aanleg is de vordering wegens materiële schade volledig toegewezen en is de benadeelde partij partieel in het resterende deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 409,90.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij wat betreft de gevorderde materiële schade betwist, nu deze niet is onderbouwd.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een viertal materiële schadeposten heeft opgegeven, te weten: zwarte jas ad € 79,95 (1), roze overhemd ad € 24,- (2), spijkerbroek ad € 49,95 (3) en hemd ad € 6,- (4). Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. Gelet op de hoogte van de ter zake gevorderde bedragen kan de gestelde omvang van de schade ook zonder nadere onderbouwing met facturen in redelijkheid worden aangenomen. De vordering van de ter zake geleden materiële schade zal derhalve volledig worden toegewezen.

Het hof is, gelet op de nadere uitleg van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep, voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 409,90 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 juli 2011 onder parketnummer 09-112198-11 is de verdachte – voor zover hier van belang - onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond en het hof acht termen aanwezig de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten.

Beslag

Onder de verdachte is, blijkens de zich in het dossier bevindende beslaglijst, een trainingsjas in beslag genomen.

De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich niet over de in beslag genomen trainingsjas uitgelaten.

Nu op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal het hof de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

26 (

zesentwintig) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een trainingsjas, op de beslaglijst genummerd als 1.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 409,90 (vierhonderdnegen euro en negentig cent) bestaande uit € 159,90 (honderdnegenenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 250,- (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 409,90 (vierhonderdnegen euro en negentig cent) bestaande uit € 159,90 (honderdnegenenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 250,- (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.



Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 juli 2011, parketnummer 09-112198-11, te weten: werkstraf voor de duur van

30 (

dertig) uren, subsidiair 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. M.M. van der Nat en mr. C. Klomp, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 augustus 2014.

Mr. W.J. van Boven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegdeopsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1535 2012108382, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 2 t/m 256).

2 Proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 23 mei 2012, p. 12.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2012, p. 246.

4 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij] d.d. 23 mei 2012, p. 30.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2012, p. 52.

6 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij] d.d. 23 mei 2012, p. 30.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2012, p. 247.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2012, p. 253.

9 Proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 23 mei 2012, p. 12-13.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachtes d.d. 23 mei 2012, p. 60.

11 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 maart 2014.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 24 mei 2012, p. 68, 70 en 71.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] door de rechter-commissaris in de Rechtbank Den Haag d.d. 26 november 2013.

14 Losbladig proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2012 met nummer PL1535 2012108382-51, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juni 2012, p. 120.

16 Rapport van het NFI d.d. 24 juli 2012, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, p. 225.

17 Rapport van het NFI d.d. 16 augustus 2012, opgemaakt door ing. J.A.C. van Velzen, p. 232 en 234.

18 Rapport van het NFI d.d. 7 oktober 2013, opgemaakt door ing. J.A.C. van Velzen, p. 8.

19 Rapport van het NFI d.d. 7 oktober 2013, opgemaakt door ing. J.A.C. van Velzen, p. 7.