Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2877

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
200.144.316/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Machtiging tot het doen van een schenking ondanks het ontbreken van een schenkingstraditie. Machtiging op grond van redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0132
FJR 2014/71.12

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 augustus 2014

Zaaknummer : 200.144.316/01

Kenmerk rechtbank : 2680657 BM VERZ 14-62

Dossiernummer rechtbank : BM 3245

[De bewindvoerder],

wonende te[woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.

[De rechthebbende],

thans verblijvende te [verblijfplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende,

2.

[naam broer],

wonende te[woonplaats],

hierna te noemen: de broer,

3.

[naam zus],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de zus.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De bewindvoerder is op 28 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 maart 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de bewindvoerder:

  • -

    op 23 april 2014 een brief van 22 april 2014 met als bijlage een V-formulier van 22 april 2014 met bijlage;

  • -

    op 31 maart 2014 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 9 juli 2014 een brief van 8 juli 2014 met als bijlage een V-formulier van 8 juli 2014 met bijlage.

De zaak is op woensdag 6 augustus 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de zus.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kantonrechter de bewindvoerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek strekkende tot het verkrijgen van toestemming tot schenking ten laste van het vermogen van de rechthebbende van een bedrag van € 24.000,-, te verdelen over drie personen, te weten de zus en twee broers van de rechthebbende.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast:

  • -

    bij beschikking van 12 januari 1989 van het kantongerecht Dordrecht zijn de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld en is haar moeder mevrouw [naam moeder] benoemd tot bewindvoerster;

  • -

    de bewindvoerster is [in] 2009 overleden;

  • -

    bij beschikking van 23 maart 2009 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Gorinchem is de broer van de rechthebbende, de bewindvoerder, als bewindvoerder benoemd in de plaats van de moeder;

  • -

    bij verzoekschrift van 7 november 2013 heeft de bewindvoerder verzocht om te worden gemachtigd om tot schenking aan de zus en de twee broers van de rechthebbende, van een gedeelte van het vermogen van de rechthebbende van ongeveer € 62.000,- over te mogen gaan;

  • -

    bij beschikking van 19 november 2013 van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, is het verzoek afgewezen;

  • -

    bij verzoekschrift van 7 januari 2014 heeft de bewindvoerder verzocht om te worden gemachtigd om tot schenking van € 24.000,-, te verdelen onder de zus en de twee broers van de rechthebbende, over te mogen gaan;

  • -

    bij de bestreden beschikking is de bewindvoerder niet-ontvankelijk verklaard.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de machtiging tot het doen van schenkingen ten laste van het vermogen van de rechthebbende van een geldbedrag van totaal € 28.500,- te verdelen over drie personen, te weten de zus en twee broers van de rechthebbende.

2.

De bewindvoerder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en hem toestemming te geven tot het doen van een schenking uit het vermogen van de rechthebbende van een bedrag ad € 9.500,- per persoon aan haar broers en zus, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag per persoon, zo mogelijk met een doorlopende machtiging voor een jaarlijkse schenking ter grootte van het belastingvrije schenkingsbedrag (ad in 2014 € 2.092,-), voor zover het vermogen van de rechthebbende daardoor niet onder genoemd bedrag ad € 30.000,- althans het bedrag dat in de LOVCK-richtlijnen in het jaar van de schenking als minimum aan te houden vermogen is bepaald, althans een door het hof te bepalen eenmalig of jaarlijks schenkingsbedrag per broer/zus.

3.

De bewindvoerder stelt – kort samengevat – dat er sprake is van een schenkingstraditie omdat er in de periode van 2005 tot en met 2008, toen de moeder van de rechthebbende nog bewindvoerster was, jaarlijks schenkingen zijn gedaan uit het vermogen van de rechthebbende aan haar broers en zus. Tot 2013 waren de inkomsten van de rechthebbende hoger dan haar uitgaven. In verband met haar vermogen moet zij sinds 2013 een hogere bijdrage in het kader van de AWBZ betalen. Door de voorgenomen schenkingen worden de kosten lager dan haar inkomsten als gevolg van een fors lagere AWBZ-premie en een lagere belastingheffing in box III voor de inkomstenbelasting, zodat in de toekomst haar inkomsten de uitgaven zullen overtreffen en haar vermogen weer zal toenemen. Volgens de bewindvoerder is hij ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Hij stelt dat hij in zijn nieuwe verzoek bij de rechtbank, gedaan nadat zijn eerste verzoek was afgewezen, de schenkingstraditie heeft aangetoond. De bewindvoerder verwijst voorts ter onderbouwing van zijn stellingen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2013 waarin toestemming wordt gegeven voor een schenking, ondanks dat er geen schenkingstraditie was. In deze casus en in het onderhavig geval zijn de broers en zus van de rechthebbende de enige erfgenamen van de rechthebbende. In onderhavig geval worden de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende niet geschaad wanneer een eenmalige schenking wordt toegestaan. Ook resteert na de schenking een vermogen ruim boven het minimale vermogen volgens de LOVCK-richtlijnen.

4.

Het hof overweegt als volgt. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft geconcludeerd dat de door de bewindvoerder geschetste omstandigheden niet van dien aard zijn dat deze thans tot een ander oordeel kunnen leiden dan de reeds eerder genomen beslissing van 19 november 2013. De bewindvoerder is daarom niet-ontvankelijk verklaard, naar het oordeel van het hof ten onrechte. Er heeft een inhoudelijke toetsing plaatsgevonden van hetgeen de bewindvoerder bij de kantonrechter naar voren heeft gebracht. De kantonrechter had na deze inhoudelijke toetsing hooguit tot afwijzing van het verzoek van de bewindvoerder kunnen komen, en niet tot niet-ontvankelijk verklaring van de bewindvoerder. Alleen al om die reden zal het hof de bestreden beschikking vernietigen.

5.

Ten aanzien van het verzoek van de bewindvoerder, in hoger beroep gewijzigd en verhoogd naar een bedrag van € 28.500,-, overweegt het hof als volgt.

6.

Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek behoeft de bewindvoerder voor een aantal beschikkingshandelingen over het onder bewind gestelde vermogen van de rechthebbende, zoals door middel van de onderhavige voorgenomen schenking, toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is, machtiging van de kantonrechter. Op grond van de “Aanbevelingen Meerderjarigenbewind” van het LOVCK geldt dat een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, waarvan in onderhavige zaak sprake is, wordt afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan daarvan worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Voorts wordt een schenking in beginsel niet toegestaan als het liquide vermogen van de rechthebbende als gevolg van die schenking minder dan € 30.000,- komt te bedragen.

7.

Bij beschikking van 12 januari 1989 van het kantongerecht Dordrecht zijn de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld. De rechthebbende heeft nooit een testament opgemaakt, en is hier volgens de bewindvoerder en zijn zus ook niet toe in staat. Verder is zij alleenstaand en heeft zij geen kinderen. Zij zal hoogst waarschijnlijk geen andere erfgenamen hebben dan haar broers en zus, dan wel hun rechtsopvolgers. Het vermogen op de bankrekening(en) van de rechthebbende bedraagt blijkens de door de bewindvoerder overgelegde stukken meer dan € 60.000,-.

8.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een schenkingstraditie. De bewindvoerder stelt dat dit wel het geval is omdat zijn moeder als bewindvoerster van de rechthebbende in de jaren 2005-2008 jaarlijks schenkingen uit het vermogen van de rechthebbende heeft gedaan aan haar broers en zus. Nu slechts schenkingen door de rechthebbende zelf gedaan, voor dat sprake was van wilsonbekwaamheid, kunnen leiden tot een dergelijke traditie, is in casu geen schenkingstraditie ontstaan en ligt het verzoek van de bewindvoerder voor afwijzing gereed. Echter, ter zitting bij het hof is gebleken dat door de moeder als bewindvoerster van de rechthebbende jaarlijks rekening en verantwoording is afgelegd aan de kantonrechter waarbij laatstgenoemde nooit heeft opgemerkt dat in de jaren 2005-2008 het vermogen van de rechthebbende is afgenomen door opname (zonder toestemming van de kantonrechter) door de moeder/bewindvoerster van bedragen van (jaarlijks) € 2500,- tot € 4.000,-, welke bedragen zijn verdeeld onder de broers en zus van de rechthebbende. Voorts is gebleken – hetgeen het hof voor waar aanneemt – dat de moeder in de periode dat zij bewindvoerster was van de rechthebbende, en ook vlak voor haar overlijden, met de bewindvoerder en zijn broer en zus heeft gesproken over het onterven van de rechthebbende. Door het plotselinge overlijden van de moeder is dat niet gebeurd en heeft de rechthebbende een deel van het vermogen van de moeder geërfd hetgeen kennelijk niet de bedoeling was.

Gelet op het voorgaande en nu naar het oordeel van het hof de door de bewindvoerder te beschermen vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende niet worden geschaad wanneer de verzochte schenking eenmalig wordt toegestaan, zal het hof, mede gelet op de omvang van het na de schenking resterende vermogen van de rechthebbende, de bewindvoerder machtigen om namens de rechthebbende de verzochte schenking te doen.

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals verzocht door de bewindvoerder, een doorlopende machtiging af te geven voor een jaarlijkse schenking.

9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de bewindvoerder toe en machtigt de bewindvoerder tot het doen van een eenmalige schenking namens de rechthebbende aan de broers en zus van de rechthebbende van

€ 9.500,- per persoon;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Van den Wildenberg en Kok, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2014.