Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2875

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
200.153.154/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Op het verzoek tot vervanging van eerder door rechtbank benoemde bijzondere curator is, omdat het om een zaak van afstamming gaat, artikel 1:212 BW toepasselijk. Dat bepaalt dat de benoeming geschiedt door de rechtbank. Het hof oordeelt dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat in een geval als dit het hof bevoegd is te beslissen op het verzoek tot vervanging van de bijzondere curator. Deze benoeming dient kennelijk om praktische redenen plaats te vinden door de rechter die ook de hoofdzaak behandelt, ter voorkoming van de noodzaak om een afzonderlijke procedure te voeren ter benoeming van een bijzondere curator.

Van een tekortschieten door bijzondere curator in haar taakvervulling is niet gebleken. Dat de bijzondere curator een ander standpunt heeft ingenomen dan de moeder welgevallig was, maakt niet dat de bijzondere curator tekort is geschoten in haar taak, noch dat zij geen juiste interpretatie van de situatie heeft gegeven. Het hof ziet dan ook geen gronden om tot vervanging van de bijzondere curator over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/17.11

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 20 augustus 2014

Zaaknummer : 200.153.154/01

[De moeder],

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I.M.N. Thewessen te Naaldwijk, gemeente Westland,

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1) mr. B.C.V.J. van Leur,

advocaat te Delft,

in de hoedanigheid van bijzondere curator van [de minderjarige],

geboren [in] 2012 te[geboorteplaats],

hierna te noemen: de bijzondere curator,

2)[de man],

wonende te[woonplaats], gemeente [naam gemeente],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder heeft op 28 juli 2014 een verzoekschrift bij het hof ingediend.

De man heeft op 7 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

Op 13 augustus 2013 is van de zijde van de bijzondere curator een reactie op het verzoekschrift van de moeder ingekomen bij het hof.

BEOORDELING

1.

Bij dit hof is een procedure aanhangig gemaakt door de moeder, strekkende tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2014 ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige, de gezagsvoorziening en de informatie- en contactregeling tussen de man en de minderjarige. Deze procedure is ingeschreven onder kenmerk 200.150.516/01.

2.

De moeder heeft verzocht de door de rechtbank Den Haag bij beschikking van 17 oktober 2013 benoemde bijzondere curator, mr. B.C.V.J. van Leur, te vervangen door een andere bijzondere curator. De moeder voert aan dat de bijzondere curator haar standpunt niet op een juiste wijze heeft weergegeven, dat zij zich door de bijzondere curator niet gehoord voelt en dat de bijzondere curator geen juiste interpretatie van de situatie heeft gegeven, aldus de moeder. De bijzondere curator is dan ook tekortgeschoten in haar taken volgens de moeder.

3.

De man heeft het verzoek van de moeder bestreden. Hij stelt dat de wet geen direct aanknopingspunt biedt voor het verzoek van de moeder en dat er overigens geen goede gronden zijn om de bijzondere curator te vervangen. De bijzondere curator heeft met ieder van partijen een gesprek gehad. Van deze gesprekken is verslag gedaan. De bijzondere curator heeft een standpunt ingenomen. De man betwist dat sprake is van enige tekortkoming in de uitvoering van de taken door de bijzondere curator.

4.

De bijzondere curator stelt dat de bijzondere curator zich wel rekenschap moet geven van de standpunten van partijen, maar dat deze daarin een eigen verantwoordelijkheid heeft. Van enige vooringenomenheid is geen sprake. In hoger beroep zal de zaak opnieuw worden bekeken en zal opnieuw een standpunt worden ingenomen. De bijzondere curator betwist tekort te zijn geschoten in haar taken.

5.

Het hof overweegt dat, voordat het verzoek van de moeder in hoger beroep in de hoofdzaak kan worden behandeld, dient vast te staan wie voor de minderjarige als bijzondere curator optreedt.

6.

Het hof is van oordeel dat vervanging van de eerder door de rechtbank benoemde bijzondere curator, nu het om een zaak van afstamming gaat, beheerst wordt door artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel de tekst van dat artikel luidt dat de benoeming - en naar in de praktijk wordt aangenomen tevens de vervanging - van de bijzondere curator plaatsvindt door de rechtbank die over de zaak beslist, is het hof van oordeel dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat in een geval als het onderhavige het hof bevoegd is te beslissen over het verzoek tot vervanging van de bijzondere curator. De wet regelt slechts de benoeming van de bijzondere curator, niet de vervanging. Deze benoeming dient kennelijk om praktische redenen plaats te vinden door de rechter die ook de hoofdzaak behandelt, ter voorkoming van de noodzaak om een afzonderlijke procedure te voeren ter benoeming van een bijzondere curator. Zaken van afstamming worden in eerste aanleg steeds door de rechtbank behandeld, hetgeen verklaart waarom de wet spreekt van "de rechtbank" als benoemende rechter. Nu de wet niet voorziet in de vervanging van een bijzondere curator moet, gelet op de bovenbedoelde bedoeling van de regeling, worden aangenomen dat het hof bevoegd is over die vervanging te beslissen wanneer de zaak bij het hof aanhangig is.

7.

Uit de stukken blijkt niet van een tekortschieten van de bijzondere curator in haar taakvervulling. De bijzondere curator heeft met beide partijen gesproken en ook overigens datgene gedaan wat van een bijzondere curator mag worden verwacht, zo volgt uit de stukken. Dat de bijzondere curator een ander standpunt heeft ingenomen dan de moeder welgevallig was, maakt niet dat de bijzondere curator tekort is geschoten in haar taak dan wel zij geen juiste interpretatie van de situatie heeft gegeven. Indien al de bijzondere curator de visie van de moeder naar de mening van de moeder niet geheel juist zou hebben weergegeven, heeft de moeder de gelegenheid gehad, om dit naar voren te brengen ten overstaan van de rechtbank. Het hof ziet dan ook geen gronden om tot vervanging van de bijzondere curator over te gaan. Het verzoek van de moeder daartoe zal worden afgewezen.

8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

wijst af het verzoek tot vervanging van de bijzondere curator;

stelt de bijzondere curator in de gelegenheid om in de zaak met zaaknummer 200.150.516/01 uiterlijk op 5 september 2014 een verweerschrift in te dienen en bepaalt dat die zaak mondeling zal worden behandeld op een nader te bepalen dag en tijd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Husson, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2014.