Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2862

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
BK-13-01715
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1773, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing. Aanslag terecht opgelegd. De woonruimte dient te worden aangemerkt als een perceel in de zin van art. 15.33 lid 1 Wet milieubeheer (Wmb) en artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008. De gemeente had ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 Wmb met betrekking tot de woonruimte een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.21
Wet milieubeheer 10.22
Wet milieubeheer 15.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2051
JAF 2014/482 met annotatie van mr. M.A. Toepoel
JG 2014/68 met annotatie van mr. J.D.C. de Jong
V-N Vandaag 2014/1756
Belastingblad 2014/430

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01715

Uitspraak d.d. 19 augustus 2014

in het geding tussen:

de erven van [X] te [Z], belanghebbenden,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 18 september 2013, nummer SGR 13/4135 betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Heffingsambtenaar heeft aan [X] (hierna: erflaatster) voor het jaar 2012 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd ten bedrage van € 236,28 (hierna: de aanslag).

1.2. Namens erflaatster is daartegen bezwaar gemaakt door [A]. Bij uitspraak op bezwaar van 11 april 2013 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Erflaatster heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 44 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht is geheven van € 118.

2.2. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 juli 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.

Erflaatster verbleef in 2012 in woonzorgcentrum “[B]” in [Z] dat deel uit maakt van [C]. Zij beschikte daar op het adres [adres] over een woonruimte (hierna: de woonruimte), met een bruto vloeroppervlakte van 68 m2 bestaande uit een kamer, een slaapkamer en een douche-/wc-ruimte. In de woonruimte bevindt zich een keukenblok met een kraan en aansluitingen voor een kooktoestel en elektrische apparatuur. De energietoevoer naar het keukenblok is afgesloten.

Wettelijke bepalingen

4.1. Artikel 10.21 lid 1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb) luidt:

“De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen (…) ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.”

4.2. Artikel 10.22 lid 1 van de Wmb luidt:

“Elke gemeente draagt er zorg voor:

a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en

b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente (…) in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.”

4.3. Artikel 15.33 lid 1 van de Wmb luidt:

“De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.”

4.4. De Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008, na wijziging bij besluit van de gemeenteraad van Den Haag van 1 december 2011 welk besluit op de in de wet voorgeschreven wijze is bekend gemaakt in het huis-aan-huisblad “De Posthoorn” van 14 december 2011 (hierna: de Verordening), luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit

1.

Onder de naam afvalstoffenheffing wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

(…)

Artikel 2 Belastingplicht

1.

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)”

Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

5.1. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de woonruimte dient te worden aangemerkt als een perceel in de zin van artikel 15.33 lid 1 van de Wmb en artikel 2 lid 1 van de Verordening.

5.2. Belanghebbenden beantwoorden deze vragen ontkennend, de Heffingsambtenaar daarentegen bevestigend.

5.3. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.4. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

5.5. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft overwogen, voor zover in hoger beroep van belang:

"6. Als perceel in de zin van de Verordening is aan te merken een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan (zie HR 19 december 2003 , nr. 38874, ECLI:NL:HR:2003 :AO0652 en HR 29 februari 2008, nr. 41671, ECLl:NL:HR:2008:BC5343).

7.

Namens [belanghebbenden] is ter zitting desgevraagd erkend dat de bouwkundige indeling van het appartement zodanig is dat er een zelfstandige huishouding kan worden gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het appartement als perceel kan worden aangemerkt. De omstandigheden dat erflaatster in het appartement woonde op basis van een zorgindicatie, dat erflaatster niet de mogelijkheid had om zelf te koken omdat het gas is afgesloten, en dat (een deel van) de huishoudelijke activiteiten werden uitgevoerd door derden, doen aan dit oordeel niet af (zie HR 18 september 1991, nr. 27597, ECLI:NL:HR:1991:ZC4709 en HR 10 februari 2012, nr. 10/05194, ECLI:NL:HR:20l2:BV3270). Voorts kan de omstandigheid dat al tijdens de bouw van het woonzorgcentrum zodanige voorzieningen zijn aangebracht dat het appartement voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan ruimten met een gezondheidszorgfunctie, evenmin leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een perceel. De aangebrachte aanpassingen aan het appartement waren er op gericht het appartement geschikt te maken voor verpleeghuiszorg. Voorts is een toegangssysteem met pasjes en een veiligheidssysteem aangebracht. Deze bouwkundige aanpassingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat het appartement niet meer bestemd is voor het voeren van een particuliere huishouding.

8. [

Belanghebbenden] stellen dat er geen afval aangeboden wordt vanuit het appartement, nu het afval van het woonzorgcentrum drie keer per week wordt opgehaald door [D], een particuliere afvalinzamelaar. [De Heffingsambtenaar] heeft deze stelling voldoende weersproken en aangevoerd dat er een ophaalpunt is waar het huishoudelijk afval kan worden aangeboden. Van belang is immers of op het perceel afvalstoffen kunnen ontstaan (zie HR 30 mei 200 I, nr. 36047, ECLI:NL:HR:2001:ABI838).

9.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de aanslag terecht is opgelegd.

10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het begrip perceel is niet in de Wmb gedefinieerd. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wmb geeft evenmin uitsluitsel over de inhoud van het begrip.

7.2. In zijn arrest van 18 september 1991, nr. 27 597, BNB 1991/333, overweegt de Hoge Raad dat “slechts dan niet sprake [is] van een perceel (…) indien het gaat om een gedeelte van een [onroerende zaak] dat blijkens inrichting en indeling niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.”

7.3. Vast staat dat de woonruimte een gedeelte van een onroerende zaak is. Om te kunnen beoordelen of dit gedeelte – de woonruimte – blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan, dient allereerst de vraag te worden beantwoord wat te verstaan is onder een particuliere huishouding. Het Hof laat zich hierbij leiden door het spraakgebruik. In het spraakgebruik wordt onder een particuliere huishouding verstaan een economisch-consumptieve eenheid van één of meer personen die alleen of gezamenlijk:

- een woonruimte voor woondoeleinden gebruikt (gebruiken),

- in zijn (hun) dagelijkse behoeften voorziet (voorzien) en

- de kosten daarvan draagt (dragen).

7.4. Naar het oordeel van het Hof voerde erflaatster, getoetst aan deze omschrijving, in het onderhavige jaar in de woonruimte een particuliere huishouding. Aan dit oordeel doet niet af dat erflaatster de woonruimte had betrokken op basis van een zorgindicatie noch dat de bereiding van de maaltijden van erflaatster en een (groot) deel van de overige huishoudelijke activiteiten die in de woonruimte plaatsvonden, werden verzorgd door niet tot het huishouden van erflaatster behorende personen.

7.5. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de woonruimte blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding in de zo-even bedoelde zin. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt het Hof in aanmerking hetgeen onder 3 is overwogen over de afmetingen, de inrichting, de indeling en de uitrusting van de woonruimte. Aan dit oordeel doet niet af dat de woonruimte voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan ruimten met een gezondheidszorgfunctie, dat de woonruimte geschikt is gemaakt voor het verlenen van verpleeghuiszorg, dat, om bewoning van de woonruimte door intensieve zorg behoevende ouderen mogelijk te maken, in de woonruimte bijzondere voorzieningen zijn aangebracht die doorgaans ontbreken in woonruimten die worden bewoond door mensen die geen zorg behoeven en dat de energietoevoer naar het in de woonruimte aanwezige keukenblok is afgesloten. Met betrekking tot dit laatste is mede van belang dat belanghebbenden ter zitting van het Hof hebben verklaard dat de aansluiting van het keukenblok op de energietoevoer op eenvoudige wijze kan worden hersteld.

7.6. Niet in geschil is dat in door erflaatster gevoerde huishouding in 2012 huishoudelijke afvalstoffen ontstonden. Derhalve had de gemeente ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb met betrekking tot de woonruimte een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Slotsom

7.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid beslist dat de aanslag terecht is opgelegd. Het hoger beroep is mitsdien ongegrond.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. G.J. van Leijenhorst, P.J.J. Vonk en P.G.H. Albert in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 19 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbenden als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kunnen/kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.