Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2861

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
BK-13-01402
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:11025, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1129, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Tweede woning. In geschil is of de wetgeving op grond waarvan 4% van de WOZ-waarde van de woning in de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen wordt betrokken, ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing moet worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2032 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/1757
V-N 2014/58.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01402

Uitspraak d.d. 19 augustus 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z] (Noorwegen), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2013, nummer SGR 13/1804, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.520. Tevens is bij beschikking € 61 aan heffingsrente in rekening is gebracht.

1.2. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Daarvoor is een griffierecht van € 44 geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Daarvoor is een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 juli 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is eigenaar van drie onroerende zaken gelegen in Nederland, waaronder een woning, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q], met een WOZ-waarde in 2011 van € 197.000 (hierna: de woning).

3.2. Belanghebbende is in 1996 naar Noorwegen verhuisd. Hij heeft zich op 19 augustus 1996 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie van [Q]. Vanaf 2 juni 1998 staat hij ingeschreven op het adres [adres] in Noorwegen. De echtgenote van belanghebbende en hun kinderen zijn in 2000 ook naar Noorwegen verhuisd. Zij zijn op 14 augustus 2000 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie van [Q]. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken in Noorwegen over een door hen gekocht woonhuis.

3.3. Na het vertrek naar Noorwegen hebben belanghebbende en zijn echtgenote de woning aangehouden. Wanneer zij in Nederland verblijven, maken zij gebruik van de woning. De woning wordt niet verhuurd.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de wetgeving op grond waarvan 4% van de WOZ-waarde van de woning in de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen wordt betrokken, ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing moet worden gelaten.

4.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"4. In geschil is of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

5.

Ter zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat niet langer in geschil is dat de woning volgens de daartoe strekkende wettelijk bepalingen behoort tot de rendementsgrondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Het geschil betreft de rechtvaardigheid van de wetgeving. [Belanghebbende] stelt dat de wetgeving onredelijk is en in zijn geval onrechtvaardig uitpakt. Hij heeft daartoe onder verwijzing naar artikel 1 van het eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het Protocol) - kort weergegeven - aangevoerd dat de wijze waarop hij ter zake van de woning in de inkomstenbelasting wordt betrokken:

a. a) inbreuk maakt op het ongestoord genot van zijn eigendom;

b) voor hem een individuele en buitensporige last is;

c) hem schaadt in zijn vermogenspositie;

d) leidt tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel;

e) hij voorrang moet geven aan het betalen van belastingschulden waardoor hij de woning niet kan onderhouden;

f) leidt tot immateriële schade.

6.

Voor de standpunten van [de Inspecteur] wordt verwezen naar de stukken.

7.

Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter recht spreken volgens de wet en mag hij de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen niet beoordelen. Dit brengt mee dat de rechtbank een wettelijke regeling als zodanig niet mag toetsen, behoudens voor zover die regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen.

8.

Dat sprake is van strijd met dergelijke verdragsbepalingen heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt. Volgens artikel 1 van het Protocol heeft een ieder recht op het ongestoord genot van zijn eigendom en zal aan niemand zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder voorwaarden die zijn voorzien in de wet. [Belanghebbendes] stelling dat belastingheffing een inbreuk maakt op het ongestoord genot van zijn eigendom is op zichzelf juist, maar dit is een inbreuk die op grond van het Protocol geoorloofd is indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Er moet een redelijke verhouding ("fair balance") bestaan tussen het algemene belang dat met de belastingheffing wordt gediend en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl HR 3 april 2009, ECLl:NL:HR:2009:BC2816).

9. [

Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belastingheffing in zijn geval moet worden beschouwd als een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan geen sprake meer is van voornoemde fair balance. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld is voor de vraag of sprake is van een buitensporige last beslissend de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de desbetreffende verplichting (Hoge Raad, 12 augustus 2011, nr. 10/02949, ECLl:NL:HR:2011:BR4868). De hoogte van de belastingheffing, welke voor het onderhavige jaar € 4.056 bedraagt voor de drie onroerende zaken gezamenlijk, geeft in dit geval gezien de omvang van de bate waarover deze belasting wordt geheven geen aanleiding om een individuele buitensporige last aan te nemen. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de belastingheffing voor [belanghebbende] een zodanige last vormt, zijn niet gebleken. Dat op de woning geen hypotheekschuld meer rust en dat het, zoals [belanghebbende] stelt, niet mogelijk is, zoals bij voorbeeld bij een spaartegoed, een deel van het vermogen aan te wenden voor de betaling van de verschuldigde belasting is daartoe onvoldoende.

10.

De stelling van [belanghebbende] dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, treft evenmin doel nu hij hiervoor slechts heeft aangevoerd dat de belastingheffing het gevolg is van wijziging in wetgeving.

11.

Hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd aangaande andere materiële en immateriële gevolgen van de aanslag kan, wat daar overigens van zij, evenmin tot een ander oordeel leiden.

12.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Belanghebbende heeft primair gesteld dat de vermogensrendementsheffing van box 3 zoals opgenomen in de Wet IB 2001 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM omdat de verschuldigde belasting voor hem leidt tot een buitensporige hoge last. Belanghebbende voert aan dat de woning niet wordt verhuurd en er daarom geen sprake is van behaald rendement waarover belasting kan worden geheven.

7.2. Artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM luidt als volgt:

"Artikel 1. Bescherming van eigendom

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."

7.3. In rechtsoverweging 5.2 van HR 27 juni 2014, nr. 12/04123, V-N 2014/35.5, overwoog de Hoge Raad inzake de kansspelbelasting die een exploitant van kansspelautomaten na een wetswijziging verschuldigd was het volgende: “Artikel 1 EP brengt onder meer mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de exploitant door de onderhavige regelgeving wordt getroffen met een individuele en buitensporige last. Bij de keus van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe.”

7.4. De wetgever heeft met ingang van 1 januari 2001 de vermogensbelasting en progressieve inkomstenbelastingheffing over de werkelijke inkomsten uit vermogen afgeschaft in ruil voor de bestreden forfaitaire rendementsheffing. De reden voor die wijziging was het belastingstelsel ‘robuuster’ te maken (vereenvoudiging en vermindering van ongewenste belastingontwijking). Met deze wijziging van het belastingstelsel per 1 januari 2001 is de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge gebleven. Overigens ligt naar het oordeel van het Hof al in HR 28 oktober 2011, nr. 10/03727, BNB 2011/297 besloten dat de Hoge Raad de forfaitaire rendementsheffing niet in strijd acht met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (rechtsoverweging 3.4 jo. punt 7.15 van de conclusie van de A-G).

7.5. Belanghebbende voert aan dat hij de onroerende zaken al voor de invoering van de Wet IB 2001 in zijn bezit had en dat hij daarom geen mogelijkheid had zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving. De klacht faalt, omdat artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM niet het recht bevat dat een bestaande toestand (i.c. de eigendom van onroerende zaken) altijd op dezelfde wijze in de belastingheffing wordt betrokken. Daarbij komt dat de aanslag betrekking heeft op het jaar 2011, tien jaar na de (in punt 7.4 genoemde) wetswijziging. De stelling dat belanghebbende onvoldoende tijd had zich aan de gewijzigde belastingheffing aan te passen, moet derhalve worden verworpen.

7.6. Het is denkbaar dat een wetswijziging die op het niveau van de regelgeving niet heeft geleid tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, voor de desbetreffende belastingplichtige leidt tot een individuele, buitensporige last. Een (vermogens)belasting van 1,2% over de waarde van de bezittingen is naar het oordeel van het Hof geen individuele, buitensporige last. Dat de bezittingen niet worden verhuurd, maar voor eigen gebruik zijn bestemd, doet hieraan niet af. Het feit dat de bezittingen geen liquide middelen opleveren waarmee de forfaitaire rendementsheffing betaald kan worden, maakt de last naar het oordeel van het Hof evenmin buitensporig. Overigens heeft belanghebbende geen argumenten genoemd die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een individuele, buitensporige last.

7.7. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

Proceskosten

8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, G.J. van Leijenhorst en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 19 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.