Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2857

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
2200032514
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van “détournement de pouvoir”;

Onderzoek aan verdachte’s kleding en de doorzoeking van de auto rechtmatig.

Vrijspraak medeplegen voorhanden hebben (vuur)wapens en munitie

Naar het oordeel van het hof is rechtens in onvoldoende mate komen vast te staan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en die munitie in de auto van de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000325-14

Parketnummer: 10-651090-13

Datum uitspraak: 25 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 augustus 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis nader omschreven. Daarnaast is de teruggave aan de verdachte gelast van een inbeslaggenomen zaktelefoon. Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van het tot dan toe ondergane voorarrest gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 1 en 4 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 02 september 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad; (Artikel 26/55 wet wapens en munitie)

3:
hij op of omstreeks 02 september 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, twee, althans één of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1e van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e van die wet in de vorm van een revolver van het merk RECK, model TROOPER, kaliber .22 LR, met daarbij voor dat wapen geschikte munitie, te weten 6 kogelpatronen van het kaliber .22 LR, en/of een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een gaspistool van het merk BBM. model GAP, kaliber 9 MM PAK, voorhanden heeft gehad; (Artikel 26/55 Wet wapens en munitie)

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de doorzoeking van de auto waarin de verdachte en de medeverdachte zaten onrechtmatig is geweest. Er is sprake geweest van “détournement de pouvoir”, aldus de raadsman. De in die auto aangetroffen wapens en munitie, dienen dan ook van het bewijs uitgesloten te worden. De verbalisanten die de verdachte en de medeverdachte aanspraken wilden de auto waarin zij zaten doorzoeken en zochten naar een middel om die doorzoeking te rechtvaardigen, aldus de raadsman. De omstandigheid dat de verdachte een gebroken identiteitskaart aan een van de verbalisanten toonde, kon die doorzoeking en de daaraan voorafgaande fouillering van de verdachte, waarbij een zakje wiet werd aangetroffen, echter niet rechtvaardigen omdat aan de hand van die gebroken identiteitskaart verdachte’s identiteit kon worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak.

Op grond van artikel 1 juncto artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht is een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012, een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden.

Op grond van artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn politieambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten bevoegd een staande gehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.

Op grond van artikel 9 van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot

tot de vervoermiddelen, waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmee vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II.

Vaststelling van feiten en omstandigheden

Op basis van het door de verbalisanten [A], [B] en [C] ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 1 t/m 3) stelt het hof vast dat genoemde verbalisanten

van personeel van de Regionale meldkamer eenheid Rotterdam op 2 september 2013 de opdracht hadden gekregen te gaan naar de [x]laan te Rotterdam, alwaar een personenauto van het merk Audi, type A4, kleur blauw, voorzien van het kenteken [X] zich verdacht zou ophouden. Volgens de melding die de verbalisanten hadden gekregen, was voornoemd voertuig en de inzittenden betrokken bij een verdachte situatie waarbij zij aandacht hadden voor hun omgeving. Het was de verbalisanten bekend dat er in het betreffende deel van de stad veel inbraken werden gepleegd.

Ter plaatse aangekomen zagen de verbalisanten dat er twee personen in het voertuig zaten. De ene persoon, naar later bleek de medeverdachte [medeverdachte, zat als bestuurder in het voertuig. De andere persoon, naar later bleek de verdachte [verdachte], zat als bijrijder in het voertuig.

Verbalisant [B] zag op de grond van het voertuig, bij de voeten van de bijrijder een bruin gekleurde panty liggen.

Verbalisant [A} zag op de grond, van het voertuig, bij de voeten van de bestuurder, een zwart gekleurde zaklamp liggen.

Verbalisant [A}, kreeg van de persoon die op de bijrijdersstoel zat – de verdachte [verdachte] - een Nederlandse identiteitskaart in handen. [A} zag dat deze identiteitskaart op diverse plaatsen gebroken was en door middel van plakband aan elkaar geplakt was. [A} constateerde dat de identiteitskaart van [verdachte] niet voldeed aan de eisen van een geldig legitimatiebewijs waarop [verdachte] desgevorderd uit de auto stapte.

Daarop heeft verbalisant [A} de verdachte aan een fouillering onderworpen met het doel een geldig legitimatiebewijs in handen te krijgen.

Bij gelegenheid van deze fouillering trof de verbalisant in de rechterzak van de spijkerbroek van de verdachte een doorschijnend gripzakje met wiet aan.

Gezien voornoemde bevindingen hebben de verbalisanten een doorzoeking van het voertuig verricht op grond van artikel 55b lid 1 Wetboek van Strafvordering en de Opiumwet teneinde een geldig legitimatiebewijs van [verdachte] in handen te krijgen en om het voertuig te controleren op de aanwezigheid van meer verdovende middelen.

Bij gelegenheid van de verrichte doorzoeking werd achter de bijrijdersstoel een rugzak aangetroffen met daarin het in de tenlastelegging genoemde gasdrukpistool. Achter de bestuurdersstoel werd een rugzak aangetroffen met daarin de in de tenlastelegging genoemde revolver met daarbij behorende munitie.

De bij de voeten van de bestuurder aangetroffen zwart gekleurde zaklamp bleek het in de tenlastelegging genoemde stroomstootwapen te zijn.

Conclusie

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte (desgevorderd) niet een geldig identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 juncto 2 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden aan verbalisant [A}. Gegeven de meerbedoelde melding was de verbalisant bevoegd aanbieding van een geldig identiteitsbewijs te vorderen. Zulks was naar het oordeel van het hof redelijkerwijs noodzakelijk voor de uitvoering van de politietaak.

Vervolgens is rechtmatig toepassing gegeven aan de de verbalisanten op grond van artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toekomende bevoegdheid de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede de auto waarin de verdachte als bijzitter was gezeten te onderzoeken, nu zulks noodzakelijk was voor de vaststelling van zijn, verdachte’s, identiteit.

Daarnaast, zo stelt het hof vast, hadden de verbalisanten gegeven het aantreffen van een zakje met wiet in de broekzak van de verdachte ook op grond van artikel 9 van de Opiumwet, toegang tot meergenoemde auto.

Slotsom is dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van “détournement de pouvoir” en het onderzoek aan verdachte’s kleding en de doorzoeking van de auto rechtmatig is geweest.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten overvloede overweegt het hof dat ook indien de doorzoeking van de auto als onrechtmatig zou moeten worden aangemerkt, het niet de verdachte is die door de niet-naleving van enig voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen -het betreft immers de aan de medeverdachte D.S. [medeverdachte] toebehorende auto die aan een doorzoeking is onderworpen - zodat in de onderhavige zaak geen rechtsgevolg zou behoeven te worden verbonden aan dat verzuim.

Vrijspraak

Het hof stelt vast dat de verdachte met de medeverdachte [medeverdachte] onder zeer verdachte omstandigheden in de auto van de medeverdachte in de [x]laan, een woonwijk te Rotterdam, is aangetroffen.

De verdachte en de medeverdachte, hebben ’s-ochtends, van ongeveer 9:10 uur tot het moment waarop meergenoemde verbalisanten hen aanspraken om 9:40 uur, aldaar in die auto, waarin de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie zijn aangetroffen, gezeten.

De verdachte noch de medeverdachte [medeverdachte], die beiden woonachtig waren in [woonplaats verdachte], heeft een aannemelijke verklaring afgelegd omtrent de reden waarom zij toen en daar in die auto zaten.

De verdachte heeft verklaard dat zij daar waren omdat zij met [Y] hadden afgesproken in het Plaswijkpark. [Y], die als getuige is gehoord door de politie heeft evenwel verklaard niets te weten van een afspraak met de verdachte(n).

Voorts acht het hof het minst genomen zeer merkwaardig dat de verdachte, die naar eigen zeggen niet wist dat de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie in de auto van [medeverdachte] lagen, doch in verband met de onderhavige zaak geruime tijd in voorarrest heeft gezeten en door de rechtbank wegens het voorhanden hebben van die wapens en munitie tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is veroordeeld, volgens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring enkele weken voor die terechtzitting weer contact heeft gehad met [medeverdachte], waarbij hij en [medeverdachte] de onderhavige zaak “hebben uitgesproken”, terwijl in zijn verklaring besloten ligt dat hij mede door toedoen van [medeverdachte] is veroordeeld.

Hoewel het dossier voor de verdachte zeer belastende feiten en omstandigheden bevat, is naar het oordeel van het hof evenwel rechtens in onvoldoende mate komen vast te staan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die wapens en die munitie in de auto van de medeverdachte.

Derhalve dient de verdachte vrijgesproken te worden van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

gsm zaktelefoon KL: grijs HTC, zoals vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Moussault, mr. R.F. de Knoop en mr. P.J. van der Flier, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 augustus 2014.

Mr. P.J. van der Flier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.