Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2818

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
200.107.084
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeid; premievordering van bpf en twee andere sociale fondsen na finale kwijtingafspraak; appelgrens; reikwijdte finaele kwijting; dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.107.084/01

Rolnummer rechtbank : 961996 \ RL EXPL 10-14892

arrest van 2 september 2014

inzake

Yami B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Yami,

advocaat: mr. Y. Ersoy te Den Haag,

tegen

1.

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te Rijswijk ZH,

2.

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technische Installatiebedrijf,

gevestigd te Den Haag,

3.

Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: gezamenlijk PMT cs, en ieder afzonderlijk resp. PMT, OTIB en SFM,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.

Het geding (vervolg)

In vervolg op het tussenarrest van 29 april 2014 hebben PMT cs een akte na tussenarrest (met producties) genomen, waarop Yami heeft gereageerd bij antwoordakte na tussenarrest.

Tot slot is onder overlegging van de stukken (opnieuw) arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep (vervolg)

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

1.

In voormeld tussenarrest is het hof er voorshands van uit gegaan dat de op het overzicht van 19 februari 2008 vermelde nota's betrekking hebben op de periode t/m het tweede kwartaal van dat kalenderjaar en dat de finale kwijting zoals tussen partijen overeengekomen geen betrekking heeft op de periode nadien.

Uit voormelde aktes blijkt thans dat partijen het er over eens zijn dat voormelde nota's betrekking hebben op de periode t/m het derde kwartaal, zodat de finale kwijting geen betrekking heeft op de periode na 30 september 2008.

2.

De vorderingen van OTIB en SFM liggen elk beneden de appelgrens, zodat Yami in haar hoger beroep tegen elk van hen niet ontvankelijk zal worden verklaard.

3.

Door PMT is onweersproken gesteld dat haar vordering over de periode na laatstgenoemde datum - in dit geval betrekking hebbend op [werknemer X] - neerkomt op € 6.804,25 (excl. rente en boete). Dat gedeelte van de vordering van PMT zal daarom worden toegewezen.

4.

Voor wat betreft het beroep op dwaling heeft PMT - hoewel daartoe in het tussenarrest uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld - geen wezenlijk nieuwe argumenten aangevoerd dan zij reeds voordien had gedaan. Met name is op geen enkele wijze concreet onderbouwd dat en waarom de naderhand gebleken gegevens niet reeds uit het van de kant van PMT verrichte onderzoek naar voren hadden kunnen komen. Immers, Yami heeft haar loonadministratie in kopie aan PMT verstrekt en PMT voert niet aan dat daarin niet reeds de naderhand op verzoek van PMT verstrekte gegevens waren opgenomen. PMT vermeldt ook niet op grond waarvan zij (de boekhouder van) Yami medio 2009 nadere informatie heeft gevraagd. Niet uit te sluiten valt dat de in het kader van het eerder onderzoek door PMT door Yami verstrekte kopie van haar loonadministratie daartoe (alsnog) de aanleiding vormde.

5.

Het gaat hier om een specifiek geval, waarin er naar aanleiding van diverse premienota's discussie is ontstaan omtrent de door Yami verschuldigde premiebedragen, er uitvoerig onderzoek van de kant van PMT heeft plaatsgevonden en daartoe ook door Yami haar loonadminstratie in kopie aan PMT is verstrekt en PMT ruimschoots de tijd heeft gehad om tot aanpassing van haar in rekening gebrachte bedragen te komen, waarna bij/na een gesprek bij de door PMT ingeschakelde deurwaarder tot een finale kwijting afspraak is gekomen. Zoals Yami heeft aangevoerd, gaat het daarbij om een vaststellingsovereenkomst, die zoals in het tussenarrest (zie aldaar sub 8.) reeds is overwogen betrekking heeft op de hele periode waarop de nota's betrekking hebben. Naar het oordeel van het hof heeft PMT onvoldoende gesteld om te oordelen dat het voor Yami zo duidelijk was dat de thans alsnog over die periode gevorderde bedragen - met betrekking tot [werknemer X] en twee andere werknemers - ontbraken of de bij de vaststellingsovereenkomst afgesproken bedragen te laag waren dat zij PMT daarop had moeten wijzen. Daarbij is in aanmerking genomen dat Yami onweersproken heeft gesteld dat PMT geen gevolg heeft willen geven aan haar verzoek om een overzicht met per werknemer uitgesplitste premiebedragen, teneinde het controleren van de juistheid van de uiteindelijk in rekening gebrachte premiebedragen te vergemakkelijken. Evenmin hebben PMT voldoende gesteld om te oordelen dat Yami er niet op mocht vertrouwen dat met de betaling van het overeengekomen bedrag "het boek definitief werd gesloten" (voor zover betrekking hebbend op de periode t/m 30 september 2008). Als PMT zich meer vrijheid ter zake had willen behouden had zij daaromtrent een (duidelijk) voorbehoud moeten maken, hetgeen zij - zoals in het tussenarrest reeds is overwogen - niet heeft gedaan. Het beroep op dwaling faalt derhalve.

6.

Door Yami zijn de verschuldigdheid van de door PMT gevorderde boete ad 10%, de wettelijke rente vanaf 30 dagen na de factuur, die onweersproken dateert van 6 november 2009, alsmede de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad, als zodanig niet weersproken, zodat ook deze toewijsbaar zijn.

7.

Het bovenstaande leidt er toe dat het vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2012 (hierna: het eindvonnis) - voor zover tussen Yami en PMT gewezen - niet in stand kan blijven. Nu Yami en PMT ieder op wezenlijke punten in het ongelijk worden gesteld zullen de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Daarbij ziet het hof - gelet op de inhoud van het geding en de onderlinge verhouding tussen de vorderingen van PMT, OTIB en SFM - aanleiding om de proceskosten in beide instanties in hun geheel toe te rekenen aan uitsluitend het geschil tussen Yami en PMT.

Met betrekking tot het voorwaardelijk incidenteel appel is geen plaats voor een kostenveroordeling, aangezien het daarin aan de orde gesteld reeds in het kader van de devolutieve werking van het appel aan de orde komt en dat appel dus niet noodzakelijk was.

Nu de dicta van de aan het eindvonnis voorafgaande tussenvonnissen geen voor executie vatbare beslissingen bevatten zal in het dictum van dit arrest omtrent die tussenvonnissen niets worden opgenomen.

Beslissing (vervolg)

Het hof:

in het geschil tussen Yami en OTIB en SFM:

- verklaart Yami niet ontvankelijk in haar hoger beroep jegens OTIB en SFM en veroordeelt Yami in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op dit arrest aan de zijde van OTIB en SFM begroot op nihil;

in het geschil tussen Yami en PMT:

- vernietigt het eindvonnis uitsluitend voor wat betreft hetgeen aan PMT (eiseres sub 1) is toegewezen, te weten al hetgeen is vermeld bij het eerste gedachtestreepje bij de eerste bullit en bij het tweede gedachtestreepje, en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

en in zoverre opnieuw recht doende:

- veroordeelt Yami - uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan PMT van een bedrag van € 6.804,25, te vermeerderen met € 680,43 aan boete en met de wettelijke rente over eerstgenoemd bedrag vanaf 6 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten tussen Yami en PMT - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, S.R. Mellema en H.M. Wattendorff en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.