Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2816

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
000362-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van drie maanden, als bedoeld in artikel 591a, vierde lid, juncto, artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, eerst een aanvang neemt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte van het einde van de zaak, in casu de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011, kennis heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

datum uitspraak 31 juli 2014

GERECHTSHOF DEN HAAG

Meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2013 op een verzoek-schrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:

[naam verzoeker],

geboren op [datum] te [plaats],

in deze zaak woonplaats kiezende aan het kantooradres van zijn advocaat mr. G.R. Stolk aan de Bergweg 192, 3035 BM Rotterdam.

Procesgang

Verzoeker is in zijn strafzaak gedagvaard om op

27 oktober 2011 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen.

Bij brief van 24 oktober 2011, gericht aan mr. Stolk, heeft de officier van justitie medegedeeld dat hij de dagvaarding van verzoeker intrekt en de zaak tegen verzoeker zal seponeren omdat de zaak tegen de medeverdachte (de oom van verzoeker) inmiddels al is geseponeerd op grond dat het een oud feit betreft.

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 25 januari 2012 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 1.443,17 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, te vermeerderen met een bedrag van € 275,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de procedure ex artikel 89/591a van het Wetboek van Strafvordering, dan wel een bedrag van € 540,- in het geval van een mondelinge behandeling in raadkamer.

Bij brief van 6 mei 2012 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat is besloten verzoeker niet (verder) te vervolgen op grond dat het feit waarvan verzoeker werd verdacht te oud is.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 12 februari 2013 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek. Daarbij heeft de rechtbank eerst vastgesteld dat uit het verzoekschrift en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011 de verzoeker ook heeft bereikt en dat zowel de advocaat als de verzoeker hebben vertrouwd op deze mededeling van de officier van justitie en er ook vanuit zijn gegaan dat de zaak tegen verzoeker als verdachte op 24 oktober 2011 is geseponeerd. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat de strafzaak tegen verzoeker op 24 oktober 2011 is geëindigd en dat de sepotmededeling van 6 mei 2012 dat oordeel niet anders maakt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de zaak door de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011 is geëindigd, dat de termijn van drie maanden, waarbinnen het verzoek op grond van het voorschrift van artikel 89, lid 3, Sv had moeten worden ingediend, is ingegaan op 25 oktober 2011 en is geëindigd op 22 januari 2012, zodat het op 25 januari 2012 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift buiten de door de wet gestelde termijn van drie maanden en derhalve te laat is ingediend.

Namens verzoeker is op 18 februari 2013 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 3 juli 2014 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de advocaat van verzoeker, mr. Stolk, en de advocaat-generaal mr. Van Zeben. De verzoeker is –hoewel behoorlijk opgeroepen– niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en tot toewijzing van het verzoek.

Ontvankelijkheid van het verzoek

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de zaak is geëindigd door de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011, gericht aan mr. Stolk, waarin de officier van justitie mededeelt dat hij de dagvaarding van verzoeker intrekt en de zaak tegen verzoeker zal seponeren.

Op grond van artikel 591a, vierde lid, juncto, artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient een verzoek als het onderhavige te worden ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de strafzaak.

Echter, een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van drie maanden eerst een aanvang neemt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte van het einde van de zaak, in casu de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011, kennis heeft genomen.

Echter, anders dan de rechtbank heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verzoeker reeds op 25 oktober 2011 op de hoogte is gekomen van de brief van de officier van justitie van 24 oktober 2011. Dat de raadsman heeft verklaard dat hij zelf wel op 25 oktober 2011 van die beslissing op de hoogte was acht het hof onvoldoende om te kunnen vaststellen dat dit ook voor verzoeker dient te gelden.

In hoger beroep heeft ook de advocaat-generaal niet aan-getoond dat verzoeker op enig tijdstip voor 23 januari 2012, zijnde de datum waarop het verzoekschrift is ondertekend, op hoogte was van de sepotbeslissing van de officier van justitie van 24 oktober 2011, terwijl ook het hof niet is gebleken van een omstandigheid op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verzoeker vóór 23 januari 2012 van die beslissing op de hoogte was.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zich eerst op 23 januari 2012, zijnde de datum van onder-tekening van het verzoekschrift, een omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verzoeker op de hoogte was van de beslissing van de officier van justitie van 24 oktober 2011, zodat –nu het verzoekschrift op 25 januari 2012 ter griffie van de rechtbank is ingekomen- de termijn van drie maanden na het eindigen van de zaak, waarbinnen op grond van op grond van artikel 89, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het verzoekschrift had moeten worden ingediend, niet is overschreden.

Verzoeker is derhalve ontvankelijk in het verzoek.

Dit brengt mee dat de beschikking waarvan beroep moet worden vernietigd.

Beoordeling van het verzoek

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak, waaronder de kosten voor rechtsbijstand in de procedure ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandig-heden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Nu het hof die gronden van billijkheid aanwezig acht, dient aan verzoeker een bedrag te worden toegekend van € 1.443,17 als vergoeding voor de kosten van rechts-bijstand in de strafzaak, alsmede het forfaitaire bedrag van € 540,- als vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in verband met opstellen, indienen en het in eerste aanleg mondeling toelichten van het verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering te worde toegekend, derhalve in totaal een bedrag van € 1.983,17.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst het verzoek toe en kent aan verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van een bedrag van

€ 1.983,17 (ÉÉNDUIZENDNEGENHONDERDDRIEËNTACHTIG EURO EN ZEVENTIEN CENT).

Deze beschikking is gegeven door

mr. Van Walderveen, voorzitter,

mrs. Verburg en Grootveld, leden,

in bijzijn van mr. Mulder, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2014.

Deze beschikking is door de voorzitter en de griffier ondertekend.