Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2810

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
200.102.435-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

contractteelt paprika's; niet afgenomen wegens virus; wist teler dat zaad niet aan de wettelijke eisen voldeed?; bewijs niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.102.435/01

Zaaknummer rechtbank : 388590

Arrest van 2 september 2014

inzake

[de maatschap],

gevestigd te [plaats], gemeente Westvoorne,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A. Buth te Middelharnis, Gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te Maasdijk, gemeente Westland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.P.G. Bouwman te Naaldwijk, gemeente Westland.

Het vervolg van het geding

Het hof heeft in deze zaak op 28 mei 2013 een tussenarrest gewezen. Het verwijst voor het procesverloop tot die datum naar dat tussenarrest. Nadien heeft [appellante] getuigen doen horen. Daarna hebben [appellante] en [geïntimeerde] achtereenvolgens een memorie na enquête (met producties) en een antwoord-memorie na enquête ingediend. Ten slotte hebben partijen stukken overgelegd en wederom arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

Het hof blijft bij hetgeen het in voormeld tussenarrest heeft overwogen en beslist. Het heeft bij dat tussenarrest [appellante] toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] het litigieuze zaad van Ajuma-peperplanten (verder: de planten) heeft aangekocht, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat daarbij niet is voldaan aan de bij of krachtens het Besluit verhandeling teeltmateriaal (Stb. 2005, 654) gestelde eisen. [appellante] heeft daartoe haar maat [getuige sub 1] (verder: [getuige sub 1]), [getuige sub 2], werkzaam bij [geïntimeerde] (verder: [getuige sub 2]) en [getuige sub 3], eveneens werkzaam bij [geïntimeerde] (verder: [getuige sub 3]) als getuigen voorgebracht.

2.

[getuige sub 1] heeft als getuige verklaard dat op de dag na die waarop [getuige sub 2] telefonisch had medegedeeld dat bij de planten een virus was geconstateerd, [getuige sub 2] bij hem langs is gekomen en hem heeft verteld dat bij het zaad niet de juiste papieren zaten, en voorts dat, toen de vertegenwoordiger van de zaadproducent aan [geïntimeerde] had gevraagd zaad van peperplanten voor een vervangende teelt uit te zaaien, [getuige sub 2] hem telefonisch heeft medegedeeld dat [geïntimeerde] die vervangende teelt niet heeft willen zaaien omdat daar weer de juiste papieren niet bij zaten. [getuige sub 2] heeft, met deze verklaringen geconfronteerd, ontkend dat hij de dag na het eerstbedoelde telefoontje bij [getuige sub 1] is langs geweest en dat hij hem heeft gezegd dat de juiste papieren niet bij het zaad zaten. Met betrekking tot het tweede telefoontje heeft [getuige sub 2] verklaard dat hij niet durfde te zeggen of hij daarin wel of niet tegen [getuige sub 1] heeft gezegd dat de benodigde papieren er weer niet bij zaten, dat hij dat gezegd zou kunnen hebben als hij daarover iets binnen het bedrijf gehoord had, maar dat dat niet het geval was. [getuige sub 3] heeft als getuige verklaard dat de planningsafdeling van [geïntimeerde] alle binnenkomende zaden controleert, dat deze afdeling in geval van problemen contact opneemt met de afdeling Sales, waarin hij en [getuige sub 2] werkzaam zijn, en dat zij dan contact opnemen met de klant, en voorts dat zij in dit geval geen contact met [appellante] hebben opgenomen omdat er problemen waren met het zaad van de planten, maar omdat er een virus was geconstateerd.

3.

[getuige sub 1] is als maat van [appellante] aan te merken als partijgetuige. Daarom kan zijn verklaring geen bewijs ten voordele van [appellante] opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. [getuige sub 2] heeft ontkend dat hij de dag na de ontdekking van het virus aan [getuige sub 1] heeft medegedeeld dat de juiste papieren niet bij het zaad van de planten zaten. Het samenstel van de verklaringen van [getuige sub 2] met betrekking tot de vervangende teelt bevat evenmin enig bewijs waaruit kan worden afgeleid dat de papieren bij het zaad voor de planten niet aan de eisen voldeden. Ook uit de verklaring van [getuige sub 3] kan geen onvolledig bewijs worden gedestilleerd tot aanvulling waarvan de verklaring van [getuige sub 1] kan dienen. Uit de door [appellante] bij memorie na enquête overgelegde producties volgt dat zaad bij aflevering voorzien moet zijn van een afleverbon/leveranciersdocument. [getuige sub 3] heeft verklaard dat het zaad is geleverd met een leverbon en in een originele en gesloten verpakking met een etiket waarop de vereiste gegevens stonden, maar dat het leverdocument niet kon worden teruggevonden omdat leverdocumenten door [geïntimeerde] niet plegen te worden bewaard. [appellante] heeft weliswaar betwist dat het zaad is geleverd met leverbon en in originele en gesloten verpakking met etiket, maar heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waardoor zij aannemelijk maakt dat [geïntimeerde] in dat opzicht niet aan de eisen heeft voldaan. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] de leverbon en de verpakking niet heeft overgelegd, is daartoe onvoldoende.

4.

De slotsom is, dat [appellante] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [geïntimeerde] het zaad van de planten heeft aangekocht, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat daarbij niet is voldaan aan de bij of krachtens het Besluit verhandeling teeltmateriaal (Stb. 2005, 654) gestelde eisen. Dat leidt ertoe dat ook de derde, vierde en vijfde grief van [appellante] niet tot resultaat leiden. De zesde en zevende grief bouwen op de eerdere grieven voort en moeten daarom het lot daarvan delen. Aangezien alle grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en het in hoger beroep meer gevorderde afwijzen. Daarbij past een veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde]. Tot die kosten behoren de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 2011;

- wijst het in hoger beroep meer gevorderde af;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.815,- aan griffierecht en € 3.262,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, M.A.F. Tan-de Sonnaville en M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.