Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2808

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.140.367/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering omgangsregeling door vader jegens Bureau Jeugdzorg. Geen belang meer bij de vordering in hoger beroep nu in eerste aanleg inmiddels definitief (afwijzend) is beslist op de vordering van de vader. Vader in de proceskosten in hoger beroep veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Rolnummer : 200.140.367/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 433687/KG ZA 13-985

arrest van de familiekamer d.d. 1 juli 2014

inzake

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [de vader],

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

tegen

de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ,

advocaat: mr. Ü. Altantas-Gümüs te Rotterdam.

Het geding

[de vader] is bij exploot van 7 januari 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013, rechtdoende in kort geding, gewezen tussen [de vader] als eiser en BJZ als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis. In de appeldagvaarding heeft [de vader] vijf grieven aangevoerd en daarbij heeft hij dertien producties overgelegd.

BJZ heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en heeft daarbij zeventien producties overgelegd.

Vervolgens is de zaak aangehouden voor beraad. Daarop volgend heeft BJZ zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

[de vader] heeft in eerste aanleg –verkort weergegeven – gevorderd dat BJZ en zijn medewerkers zal worden geboden zowel de overeenkomst “afspraken met betrekking tot begeleid bezoek” als het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 21 juni 2013 na te komen. Daarnaast heeft [de vader] gevorderd dat een voorlopige omgangsregeling zal worden bepaald, inhoudende dat hij met zijn zoon - [naam], geboren [datum, geboorteplaats], hierna: de minderjarige - iedere zes weken omgang zal hebben op de wijze zoals overeengekomen in de genoemde ‘afspraken’ en BJZ en zijn medewerkers te gebieden deze omgangsregeling na te komen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom; met veroordeling van BJZ in de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis [de vader] ontvankelijk verklaard in zijn vordering, de vorderingen van [de vader] afgewezen en heeft [de vader] veroordeeld in de proceskosten.

2.

[de vader] vordert in hoger beroep, verkort weergegeven:

primair: voor de duur van de behandeling van de bodemzaak een voorlopige omgangsregeling te bepalen waarbij [de vader] iedere dinsdag van 11.00 uur tot 14.00 uur omgang met de minderjarige zal hebben, onder verbeurte door BJZ van een dwangsom; een veroordeling van BJZ tot het doorbetalen van de kosten van de extern deskundige zolang er gedurende de voorlopige omgangsregeling sprake is van begeleide bezoeken; met veroordeling van BJZ in de kosten van de procedure in beide instanties;

subsidiair: BJZ te gebieden tot het nakomen van zowel de overeenkomst “afspraken met betrekking tot begeleid bezoek” als het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 21 juni 2013, onder verbeurte van een dwangsom; voorts BJZ te veroordelen tot het doorbetalen van de extern deskundige als vorenstaand weergegeven en tot veroordeling van BJZ in de kosten van beide instanties;

daarnaast ten aanzien van de contactregeling om BJZ te gebieden deze na te komen, onder verbeurte van een dwangsom.

3.

BJZ concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, tot niet-ontvankelijkverklaring van [de vader] in zijn vorderingen dan wel tot ontzegging daarvan, met veroordeling van [de vader], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente zal zijn verschuldigd met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest.

4.

Het gaat er in deze zaak om of, hangende de bodemprocedure, een voorlopige omgangs- of bezoekregeling moet worden vastgesteld dan wel of BJZ de door [de vader] gestelde overeenkomst en/of het vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 21 juni 2013 met betrekking tot begeleid bezoek moet nakomen. [de vader] heeft in zijn memorie van grieven gesteld een bodemprocedure bij de rechtbank Rotterdam aanhangig te hebben gemaakt onder meer, en meer subsidiair, strekkende tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarige. Daarnaast speelt de vraag of er sprake is van een toezegging tot een contactregeling, inhoudende dat [de vader] een maal per zes weken aan de minderjarige mag vragen hoe het gaat.

5.

Nadat [de vader] hoger beroep heeft ingesteld, is op 6 maart 2014 door de rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de bodemzaak. Deze is door BJZ bij Memorie van Antwoord overgelegd. In die beschikking is het verzoek van [de vader], voor zover te dezen van belang, te weten dat een regeling zal worden vastgesteld inzake de uitoefening van het omgangsrecht, afgewezen. De rechtbank heeft in de beschikking overwogen dat omgang gedurende het kalenderjaar 2014 niet in het belang van de minderjarige wordt geacht.

6.

Het hof overweegt dat een voorziening in kort geding een ordemaatregel betreft. [de vader] erkent dit ook. Hij vordert in hoger beroep een voorziening die heeft te gelden gedurende de bodemprocedure. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of ook in hoger beroep nog altijd een spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorziening(en). Nu in deze bodemzaak een beschikking is gegeven is daarmee, ongeacht de vraag of [de vader] nog hoger beroep zal instellen of al heeft ingesteld tegen die beschikking, het spoedeisend belang aan een voorziening in kort geding komen te ontvallen. Dit betekent dat [de vader] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de omgang tussen hem en de minderjarige.

7.

[de vader] stelt verder aan de orde dat BJZ hem heeft toegezegd dat hij een maal per zes weken aan de minderjarige mag vragen hoe het gaat en hij vordert nakoming van deze contactregeling.

8.

BJZ ontkent dat sprake is van een toegezegde contactregeling. BJZ heeft [de vader] gezegd dat hij eens per zes weken, tijdens de nog op te zetten begeleide bezoeken, aan de minderjarige kon vragen hoe het gaat. Echter, de overeenkomst ten aanzien van begeleide bezoeken is niet tot stand gekomen en er kan dus geen sprake zijn van een toezegging, aldus BJZ.

9.

Het hof overweegt dat, nu van begeleide bezoeken vooralsnog geen sprake is, het bestaan van een toegezegde contactregeling, gelet op de betwisting door BJZ, daarmee evenmin is komen vast te staan. Het hof ziet ook geen aanleiding een ordemaatregel in deze zin te treffen. Het is aan partijen, zoals de rechtbank heeft overwogen, om de voorwaarden waaronder begeleide omgang kan plaatsvinden, nader uit te werken en in dat verband kan ook een contactregeling in deze zin tussen partijen aan de orde komen.

10.

De grieven behoeven, gelet op het vorenoverwogene, geen verdere bespreking, nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

11.

Het hof zal [de vader] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

verklaart [de vader] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit de omgang tussen [de vader] en de minderjarige betreft;

wijst de vorderingen van [de vader] voor het overige af;

veroordeelt [de vader] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van BJZ begroot op € 1.598,-, te weten € 704, - aan griffierecht en € 894, - aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mink, Van den Wildenberg en Sutorius-van Hees en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014 in aanwezigheid van de griffier.