Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2807

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.095.685
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2047, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Opheffing beslagen. Geschil erfgenamen. Onwaardig om voordeel te trekken uit de nalatenschap? (artikel 4:3 BW). Rol notaris. Niet gebleken van wilsonbekwaamheid erflater. Geen grond voor buiten toepassing laten testament op grond van de redelijkheid en billijkheid. Executele. Onderhandse boedelbeschrijving door een derde. Positie van geintimeerden als erfgenamen/verwachters. Geen beroep op legitieme gedaan. Niet gebleken van verplichting tot inbreng. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/382
ERF-Updates.nl 2014-0086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.095.685

Zaak-rolnummer Rechtbank : 328404/HA ZA 09-201

arrest van 24 juni 2014

inzake

[erfgenaam een],

wonende te [woonplaats],

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. N. Roodenburg te Den Haag,

tegen

[erfgenaam twee],

wonende te [woonplaats],

en

[erfgenaam drie],

wonende te [woonplaats],

en

[erfgenaam vier],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. M.A.Ossentjuk te Leiden.

1 Het geding

Bij exploot van 1 juli 2011 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 juni 2011 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen.

Bij arrest van dit hof van 6 december 2011 is er een comparitie van partijen bevolen.

Op 17 januari 2012 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden.

Op 28 februari 2012 heeft appellante voor memorie van grieven gediend.

Bij akte van 28 februari 2012 heeft appellante producties in het geding gebracht.

Op 22 mei 2012 hebben geïntimeerden voor memorie van antwoord gediend. Tevens hebben zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Bij akte van 14 augustus 2012 hebben geïntimeerden stukken in het geding gebracht.

Op 11 september 2012 heeft appellante een memorie van antwoord in het incidentele appel genomen tevens antwoordakte.

Op 8 januari 2013 hebben geïntimeerden een antwoordakte genomen.

Partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. Door appellante wordt gevorderd: “het hof behage het vonnis van 8 juni 2011 van de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de voorwaardelijke vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen, zonodig onder aanvulling/wijziging van rechtsgronden, dit met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties, met veroordeling van geïntimeerden tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen 14 dagen na veroordeling daartoe zijn voldaan.

3. De voorwaardelijke vorderingen van appellante waren: a) geïntimeerden te veroordelen tot het doen opheffen van het conservatoire beslag op de woning annex praktijk van erflater te [plaatsnaam] alsmede tot het doen opheffen van de op de aandelenportefeuille van erflater gelegde conservatoire beslagen, alsmede alle overige derdenbeslagen, b) te verklaren voor recht dat geïntimeerden aansprakelijk zijn voor de waardevermindering van de woning/annex praktijk en voor die van de aandelen gedurende de periode van de beslagen, en de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure voor de vaststelling van de dientengevolge geleden schade,

c) dit alles met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure.

4. In voorwaardelijk incidenteel appel wordt door geïntimeerden gevorderd: dat het hof behage, opnieuw rechtdoende middels arrest, zonodig onder aanvulling en/of wijziging van de door geïntimeerden gestelde rechtsgronden, en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om alsnog:

I primair: nietig te verklaren, dan wel te vernietigen, het testament van [erflater] van

23 mei 2008,

II subsidiair: te verklaren voor recht dat appellante aan het testament van [erflater] de dato 23 mei 2008 geen rechten kan ontlenen, alsmede te verklaren voor recht dat gelding heeft, en ten gevolge daarvan dient te worden uitgevoerd, het testament van[erflater] de dato 15 maart 2006,

III meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de uitvoering van het testament van 23 mei 2008 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is,

IV te verklaren voor recht dat appellante naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde uitvoering van het testament van 23 mei 2008 niet mag verwachten,

V de gevolgen van het testament van 23 mei 2008 te wijzigen in die zin dat aan appellante slechts toekomt 5% van de waarde van hetgeen appellante op grond van het testament van

23 mei 2008 als enig erfgenaam zou toekomen, althans een zodanig percentage in goede justitie door het hof te bepalen,

VI appellante te veroordelen om aan geïntimeerden inzage te verschaffen, zo veel mogelijk middels verificatoire bescheiden, in de totale omvang van de door haar van [erflater] ontvangen giften/schenkingen, zowel ten aanzien van de waarde van deze giften/schenkingen, door haar van [erflater] ontvangen sedert 1 augustus 2003. Dit zowel wat betreft de directe giften in de vorm van door appellante zelf ontvangen gelden en door appellante zelf ontvangen zaken, als wat betreft de indirecte giften in de vorm van door [erflater] ten behoeve van appellante gedane betalingen,

VII appellante te veroordelen, zo veel mogelijk middels verificatoire bescheiden, tot het afleggen aan geïntimeerden van volledige rekening en verantwoording over de periode dat appellante als enig erfgenaam en executeur de nalatenschap van[erflater] heeft beheerd,

VIII te bepalen dat appellante vanaf de dag van de betekening van het vonnis een aan geïntimeerden te betalen dwangsom verbeurt van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat appellante in gebreke blijft aan het in deze te wijzen arrest, daar waar het betreft het door geïntimeerde gevorderde te voldoen, dit met een maximum van € 500.000,

IX appellante te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van de gehoorde getuigen, van de gelegde (conservatoire) beslagen, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen nadat deze door appellante aan geïntimeerde verschuldigd zijn.

Kern van het geschil

5. In r.o. 4.24 heeft de rechtbank overwogen: “Tegen de achtergrond van al het voorgaande en alles bij elkaar afwegende, is de rechtbank van oordeel dat [erfgenaam een] [ergenaam twee-vier]. ten opzichte van hun vader als ware buiten spel heeft gezet en uiteindelijk heeft bereikt dat [erflater] (hierna ook : erflater) zijn testament zodanig heeft gewijzigd dat [erfgenaam een] tot enig erfgenaam werd benoemd. Uit de werkwijze waarop [erfgenaam een] dat heeft gedaan door de familiebanden op een negatieve manier te beïnvloeden en door een man, die al op leeftijd was daardoor ook afhankelijker werd van de mensen om hem heen, af te zonderen van zijn sociale omgeving, leidt de rechtbank af dat daarbij het doel heeft voorgezeten om zichzelf tot enig erfgenaam te benoemen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [erfgenaam een] als enig erfgenaam van [erflater] toe te laten. Naar het oordeel van de rechtbank kan appellante naar redelijkheid en billijkheid geen rechten ontlenen aan het testament van erflater.”.

6. Appellante geeft in punt 5 van haar 666 punten tellende memorie van grieven aan wat in haar visie de kern van het geschil is. Zij stelt aldaar: “Het geschil betreft de vraag of [erfgenaam een] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid inderdaad geen rechten aan het testament kan ontlenen, terwijl wijlen [erflater] volgens de rechtbank wel bekwaam was (in ieder geval geen geestelijke stoornis had).”.

7. Kort samengevat heeft appellante in de punten 14 tot en met 658 betoogd dat zij de familiebanden niet negatief heeft beïnvloed door erflater afhankelijk van haar te maken en hem van zijn sociale omgeving te willen uitzonderen met het doel om haar tot enig erfgenaam te benoemen.

8. In punt 11 stelt appellante: “De notarissen verklaren[erflater] “doorgezaagd” te hebben over zijn motieven. Hij had er volgens hen 3. Tijdens dit doorzagen en dus controle op consistentie/eigen mening, is dus gebleken dat hij de wijziging zelf wilde en dat deze motieven niet waren gedicteerd door anderen.” Appellante heeft verwezen naar een brief van de notarissen van 28 mei 2009.

9. Geïntimeerden stellen in punt 7 van hun memorie van grieven dat appellante een onjuiste samenvatting van het geschil geeft. Appellante geeft volgens hen blijk van een onjuiste kijk op de zaak. Dit kan zijn omdat appellante zich daadwerkelijk vergist danwel omdat appellante hiermee bewust tracht een onjuist beeld te schetsen. Geïntimeerden lichten dit als volgt toe:

  • -

    ten eerste is in onderhavige zaak de redelijkheid en billijkheid niet gekoppeld aan het al dan niet hebben van een geestelijke stoornis van[erflater]. Dit staat daar uiteraard geheel los van. De besproken geestelijke stoornis is gekoppeld aan de door geïntimeerde gestelde nietigheid van het testament;

  • -

    ten tweede heeft de rechtbank niet gesteld dat er geen sprake van een geestelijke stoornis was, doch slechts gesteld dat dit onvoldoende is komen vast te staan;

  • -

    ten derde heeft de rechtbank ten aanzien van de geestelijke stoornis slechts gesteld dat niet is komen vast te staan dat deze aanwezig was ten tijde van het opstellen van het testament.

10. Kort samengevat zijn geïntimeerden van mening dat appellante wel degelijk de familiebanden op een negatieve wijze heeft beïnvloed en dat erflater van zijn sociale omgeving is geïsoleerd (zie punt 120 van de memorie van antwoord)

De uiterste wil van erflater

11. Het hof overweegt als volgt. Een uiterste wil is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een beschikking wordt gemaakt die eerst werkt bij overlijden van de erflater, die in Boek 4 BW is geregeld of in de wet als zodanig is aangemerkt en die slechts door hem persoonlijk kan worden gemaakt en steeds eenzijdig door hem/haar kan worden herroepen. De eenzijdigheid en daarmee het persoonlijke van de rechtshandeling zijn cruciale elementen van de uiterste wil. Het gaat om de laatste wil van de erflater.

12. Voorop moet worden gesteld, dat een uiterste wil nimmer vernietigbaar is indien deze tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden (artikel 4:43 lid 1 BW). De bepaling is door de wetgever opgenomen omdat men bevreesd was voor veel procedures tussen enerzijds degenen die na de dood van de erflater teleurgesteld waren dat zij minder kregen dan verwacht en anderzijds degenen die in hun ogen te veel uit de nalatenschap zouden krijgen. Evenmin is gesteld en/of gebleken dat het testament van erflater door bedreiging of bedrog tot stand is gekomen.

13. In artikel 4:3 BW heeft de wetgever aangegeven wie onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Appellante is niet onwaardig gebleken om uit de nalatenschap van erflater voordeel te genieten.

14. Erflater heeft zijn door zijn overlijden onherroepelijk geworden testament op 23 mei 2008 opgemaakt ten overstaan van notaris[naam] te [plaatsnaam]. De vormeis van een notariële akte, waaraan een uiterste wil moet voldoen, dient als waarborg dat:

  1. volstrekt duidelijk moet zijn dat deze erflater deze uiterste wil heeft gemaakt;

  2. hij de inhoud ervan ook werkelijk gewild heeft;

  3. de instrumenterende notaris zorgt voor een formulering die zo duidelijk mogelijk deze laatste wil onder woorden brengt, nadat aan de testateur de nodige voorlichting is gegeven.

Uit de brief van de notarissen mr. [naam] en mr [naam] 28 mei 2009 aan de advocaat van appellante volgt dat er met erflater drie besprekingen zijn gehouden en wel op 3 april 2008, 14 april 2008 en 23 mei 2008 alvorens erflater zijn testament op die laatste datum heeft ondertekend. Bij die besprekingen was steeds een kandidaat-notaris aanwezig. De notarissen verklaren expliciet dat de besprekingen zijn gevoerd “zonder de aanwezigheid van anderen”. De notarissen verklaren voorts in hun brief: “Er zijn ons in de gesprekken geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit een discrepantie tussen de (uiterste) wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid.”. Bovendien verklaren de notarissen dat “[erflater] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties toonde.”. De notarissen hebben erflater “doorgezaagd”.

15. Het hof is van oordeel dat de notaris(sen) – waaronder de instrumenterende notaris- in deze uiterst zorgvuldig heeft gehandeld en voldoende waarborgen heeft ingebouwd om zelf genoegzaam te kunnen beoordelen of de erflater zijn wil kon bepalen en de (rechts)gevolgen van zijn nieuwe uiterste wil kon overzien. Bovendien kende een van de notarissen – niet de instrumenterende notaris – erflater uit andere hoofde en zagen zij elkaar regelmatig.

16. Wilsonbekwaamheid van erflater bij het maken van zijn uiterste wil is niet gebleken. Integendeel, het testament is met zorgvuldige inachtneming van de hiervoor omschreven waarborgcriteria en buiten aanwezigheid van derden tot stand gekomen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het testament de wil van een wilsbekwame erflater weergeeft. Uitgangspunt is derhalve dat de benoeming van appellante tot bezwaarde erfgename – erflater heeft een tweetrapsmaking gemaakt - rechtsgeldig is en dat geïntimeerden verwachters/erfgenamen zijn. Bovendien zijn geïntimeerden en kleinkinderen legatarissen. Van een gehele onterving van geïntimeerden is geen sprake.

17. De erfstelling ten behoeve van appellante is rechtsgeldig tot stand gekomen, maar de visie van de rechtbank zou die – op zichzelf geldige erfstelling – klaarblijkelijk buiten toepassing moeten worden gelaten vanwege de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van het hof vindt die visie geen steun in het recht. De rechtszekerheid staat daaraan naar het oordeel van het hof in de weg, nu er sprake is van een uiterste wil gemaakt door een klaarblijkelijk wilsbekwame erflater, die zorgvuldig door de instrumenterende notaris is voorgelicht en zijn wil meermalen buiten aanwezigheid van derden aan de notaris (en zijn kantoorgenoten) heeft kenbaar gemaakt en overigens van vernietigingsgronden niet is gebleken.

Het feit dat appellante erflater mogelijk heeft beïnvloed om haar tot zijn (bezwaarde) erfgename te benoemen is niet een omstandigheid die maakt dat zij niet enig voordeel uit de nalatenschap van erflater zou mogen trekken. Het gaat erom of erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen. Menig erflater laat zich daarbij ook leiden door zijn relatie met een partner. Eveneens indien zij de familierelatie tussen erflater en zijn kinderen negatief zou hebben beïnvloed, of erflater in enige mate heeft geïsoleerd van zijn vrienden en kennissen – hetgeen appellante gemotiveerd heeft bestreden - zijn dit eveneens geen feiten en omstandigheden op grond waarvan appellante geen voordeel uit de nalatenschap van erflater kan trekken. Het behoort tot het persoonlijke domein van erflater om zich door zijn eigen gevoelens en beweegreden te laten leiden bij het formuleren van zijn uiterste wil. De notarissen hebben in deze specifieke zaak zorgvuldig getoetst of de verklaring van erflater overeenkwam met hetgeen is beschreven in het testament van erflater. Naar het oordeel van het hof heeft appellante jegens erflater geen handelingen verricht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij op grond van de wet en/of het recht geen voordeel zou kunnen ontlenen aan het testament van erflater.

18. Het feit dat de relatie tussen appellante en geïntimeerden verstoord was en is brengt eveneens niet mede dat appellante geen voordeel kan trekken uit het testament van erflater. Indien dit wel het geval zou kunnen zijn, is dit in strijd met de fundamentele uitgangspunten van het erfrecht. Erflater bepaalt wie wat krijgt uit zijn nalatenschap en niet zijn kinderen of anderen.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de grief van appellante doel treft.

Voorwaardelijk incidenteel appel

19. Geïntimeerden hebben 6 voorwaardelijke incidentele grieven geformuleerd.

20 In hun toelichting hebben geïntimeerden slechts gesteld: “[ergenaam twee-vier]wensen ter onderbouwing van de door hen ingestelde voorwaardelijke grieven 1 tot en met 6 te verwijzen naar hetgeen door hen hieromtrent reeds is gesteld in eerste aanleg. [ergenaam twee-vier]. verzoeken uw hof om het door hen in eerste aanleg gestelde hier als integraal ingelast en letterlijk herhaald te beschouwen.”.

21. Appellante heeft in de punten 115 tot en met 126 van haar memorie van antwoord in het incidenteel appel verweer gevoerd.

22. Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mede dat geïntimeerden in hun toelichting op de voorwaardelijke grieven exact dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten.

23. In het onderhavige geval hebben geïntimeerden uitsluitend verwezen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben gesteld. Zij hebben geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld of aangegeven op grond waarvan de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen.

24. In het licht van het hiervoor door het hof overwogene, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen dat het testament van erflater niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis. Voorts is de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat het testament van erflater niet kan worden vernietigd op basis van misbruik van omstandigheden, dan wel op grond van het bepaalde in artikel 4:59 BW. De incidentele grieven die inhouden dat het testament van erflater van 23 mei 2008 nietig verklaard moet worden dan wel moet worden vernietigd, slagen niet.

Executele

25. Erflater heeft in zijn testament bepaald: “Ik benoem [erfgenaam een] tevens tot de executeur van mijn nalatenschap. Als executeur verzorgt zij mijn uitvaart. Ik ken de executeur verder het beheer van mijn nalatenschap toe en bepaal dat titel 5 afdeling 6 van boek 4 van het burgerlijke wetboek van toepassing is.”.

26. Uit artikel 4:145 lid 2 BW volgt dat de executeur gedurende zijn beheer de erfgenamen in en buiten rechten vertegenwoordigt. Bijzonder aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid is dat de bevoegdheid van de executeur privatief is. Hij/zij is dus beheersbevoegd met uitsluiting van de erfgenamen. De beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen om zelfstandig over nalatenschapsgoederen te beschikken treedt reeds in bij het openvallen van de nalatenschap.

27. De executeur die het beheer heeft mag het beheer naar eigen inzicht voeren en de keuzes maken die hem/haar ten behoeve van dat beheer geraden voorkomen, zij het dat hij/zij daarbij de zorg van een goed executeur moet betrachten.

28. De kracht van de executele zit in het feit dat bij de boedelafwikkeling de macht wordt geconcentreerd in de handen van één persoon, te weten de vertrouwensman van erflater.

29. In het testament van erflater is appellante behalve tot executeur tevens benoemd tot enige bezwaarde erfgenaam van erflater. Geïntimeerden zijn benoemd tot verwachters/erfgenamen. Daarnaast is aan ieder van geïntimeerden een bedrag gelegateerd ter grootte van de helft van de waarde van ieders erfdeel bij versterf. Daarnaast zijn aan geïntimeerden goederen gelegateerd krachtens het gedeeltelijk niet herroepen testament van erflater van 15 maart 2006. Het bezwaarde erfdeel van appellante wordt daarmee derhalve verminderd, nu de rentedragende (geld)legaten opeisbaar zijn geworden zes maanden na het overlijden van erflater.

30. Uit de zeer omvangrijke processtukken volgt dat appellante en geïntimeerden een tegengesteld belang hebben en dat er tussen hen een groot conflict bestaat over wie van hen recht heeft op de nalatenschap van erflater.

31. In artikel 4:149 BW is geregeld wanneer de taak van de executeur eindigt. Het hof begrijpt uit de stukken in eerste aanleg dat appellante haar taak als executeur in onderling overleg met geïntimeerden heeft neergelegd.

32. Ondanks het feit dat de executeur – in beginsel - niet behoeft terug te treden bij een mogelijk tegengesteld belang tussen de executeur en een derde heeft appellante dit toch gedaan. De controle op de executeur vindt onder meer plaats door middel van de rekening en verantwoording die de executeur moet afleggen bij het einde van de executele.

33. Het hof begrijpt verder uit de stukken – dat ondanks de aan appellante in het testament opgelegde verplichting tot het opmaken van een notariële boedelbeschrijving – partijen in eerste aanleg een regeling hebben getroffen met betrekking tot de inventarisatie van de nalatenschap van erflater en daarmee een onderhandse boedelbeschrijving zijn overeengekomen. Het hof verwijst onder meer naar: het proces-verbaal van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2009, het proces-verbaal van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2010 en de brief van T.J. Pool gericht aan mr. B.C. Punt met het rapport nalatenschap [erflater]. De brief van T.J. Pool heeft het kenmerk: “afwikkeling nalatenschap[erflater]”.

34. Uit het rapport van T.J. Tool volgt dat hij namens partijen een onderhandse boedelbeschrijving heeft gemaakt per sterfdatum van erflater en met betrekking tot de opvolgende jaren heeft hij een overzicht gegeven voor alle vermogensmutaties.

35. Gezien deze feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat er voor geïntimeerden voldoende waarborgen zijn ingebouwd dat op een objectieve wijze kan worden vastgesteld wat de omvang is van hun erfrechtelijke verkrijgingen: de legaten en hun erfdelen als erfgenamen/verwachters.

36. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen zijn er geen rechtens relevante gronden om af te wijken van het testament van erflater.

37. Geïntimeerden zijn erfgenamen/verwachters en legatarissen van erflater. Appellante is de enige bezwaarde erfgenaam van erflater. Als executeur was zij gehouden tot het opstellen van een boedelbeschrijving. Door het door haar zelf doen beëindigen van haar beheer is zij die verplichting niet kunnen nagekomen. Bij het einde van het beheer had zij rekening en verantwoording moeten afleggen aan degene die haar in het beheer opvolgt. Geïntimeerden zijn weliswaar erfgenamen van erflater onder opschortende voorwaarden. Aan geïntimeerden komt thans het beheer niet toe, maar aan appellante als erfgename onder ontbindende voorwaarden. Uit dien hoofde is zij niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording aan geïntimeerden met betrekking tot het beheer van de nalatenschap van erflater.

38. Voor de bepaling van de omvang van het legaat van geïntimeerden hebben geïntimeerden voldoende informatie gekregen in de vorm van het rapport van de heer T.J. Pool. Geïntimeerden hebben zelf met een onderhandse boedelbeschrijving ingestemd. Bovendien kunnen zij in die boedelbeschrijving gemotiveerd doen aantekenen met welke opgaven van appellante zij het niet eens zijn. Zij moeten immers bij die boedelbeschrijving aanwezig zijn zoals artikel 3:205 lid 1 BW in verbinding met artikel 4:138 lid 2 BW bepaalt. De functie daarvan is dat zij ”hun beschrijving” kunnen doen aantekenen in die boedelbeschrijving.

39. Het is niet gesteld of gebleken dat geïntimeerden een beroep hebben gedaan op hun legitieme portie. Evenmin is gebleken dat appellante verplicht zou zijn tot inbreng van giften in de nalatenschap van erflater. Voor de periode voor het overlijden van erflater is appellante ook geen rekening en verantwoording schuldig over het mogelijke beheer van het vermogen van erflater. Erflater was vlak voor zijn overlijden nog praktiserend [beroep] en naar objectieve maatstaven heeft het hof niet kunnen vaststellen dat erflater niet zijn wil kon bepalen. Ook voor de notarissen die betrokken zijn geweest bij het passeren van het testament van erflater in mei 2008 was er geen aanleiding om hun dienst te weigeren. Zij hebben zelfs schriftelijk verklaard dat erflater wist wat hij deed. Dat erflater bij leven veel met appellante heeft gereisd en voor haar wellicht veel kosten heeft betaald behoort tot de vrijheid van erflater waarover de kinderen van erflater geen zeggenschap hebben. Een ieder (erflater incluis) die zelf zijn wil kan bepalen heeft ook de vrijheid om zijn vermogen uit te geven aan die dingen waarvan hij/zij dat wenst. Dat geïntimeerden daarin zijn teleurgesteld doet daaraan niet af. Er kan dan ook geen sprake zijn van een verplichting van appellante tot opgave van giften en dergelijke.

Opheffing beslag

40. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dienen geïntimeerden over te gaan tot opheffing van het beslag op:

  • -

    het woonhuis/praktijkpand te [plaatsnaam] van erflater;

  • -

    de aandelenportefeuille van erflater.

41. Naar het oordeel van het hof heeft appellante onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat er als gevolg van het conservatoire beslag schade is ontstaan voor appellante met betrekking tot het woonhuis en de aandelenportefeuille.

Proceskosten

42. Gezien het feit dat geïntimeerden in het ongelijk worden gesteld dienen zij te worden veroordeeld in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in appel.

Vernietiging

43. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het bestreden vonnis van 8 juni 2011 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen te worden vernietigd.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het betreden vonnis van 8 juni 2011 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

beveelt geïntimeerden om binnen 14 dagen na datum van dit arrest over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag dat zij hebben gelegd op de aandelenportefeuille van erflater alsmede met betrekking tot het woonhuis/praktijkpand van erflater te Delft;

veroordeelt geïntimeerden in de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in appel en begroot deze kosten op € 12.276, gespecificeerd als volgt:

  • -

    eerste aanleg € 4.096

  • -

    hoger beroep vastrecht € 284 salaris advocaat € 7.896 totaal € 8.180

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Stollenwerck en Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2014 in aanwezigheid van de griffier.