Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2803

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.133.895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stille cessie; inningsbevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.133.895/01

Zaak/rolnummer rechtbank: C/10/414412 / HA ZA 12-1081

arrest d.d. 2 september 2014

inzake

1.

[naam],

2.

[naam],

wonende [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse te Utrecht,

tegen

EMBER HYPOTHEKEN 2 B.V. (voorheen genaamd “GE ARTESIA BANK HYPOTHEKEN 15 B.V.),

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Ember,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 juli 2013 zijn [appellanten] in beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de Rechtbank Rotterdam van 20 februari 2013 en 1 mei 2013. [appellanten] hebben bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis vier grieven tegen het eindvonnis van 1 mei 2013 geformuleerd. Ember heeft deze grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens is arrest gevraagd en hebben partijen de stukken overgelegd.

De beoordeling van het hoger beroep

1.

Geen grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis van 20 februari 2013, zodat [appellanten] in zoverre niet ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

Op 17 augustus 2005 zijn [appellanten] met Ember, toen nog Artesia geheten, een hypothecaire geldlening aangegaan met als onderpand hun woonhuis te Amsterdam.

2.2

In 2008 is Ember, met het doel haar balanspositie te verbeteren, overgegaan tot securisatie van een aantal uitstaande vorderingen onder hypothecaire leningen, waaronder die op [appellanten] Dit hield in dat de vorderingen werden gecedeerd aan een daartoe opgerichte stichting, te weten Stichting Seven Bridges I (hierna: SSB I), welke stichting voor de financiering van de te betalen koopprijs obligaties (notes) heeft uitgegeven.

2.3

[appellanten] zijn in oktober 2008 opgehouden Ember te betalen.

3.

[appellanten] vorderden uiteindelijk in eerste aanleg, kort weergegeven, dat de overeenkomst tussen hen en Ember zou worden vernietigd, althans ontbonden, met veroordeling van Ember in de kosten.

4.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] in de kosten veroordeeld.

5.

[appellanten] vorderen thans in hoger beroep, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, dat de vonnissen worden vernietigd en voorts

primair: dat voor recht wordt verklaard dat Ember geen vordering heeft op [appellanten] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst en dat de op grond van de hypotheekovereenkomst vanaf 8 juni 2012 verrichte betalingen onverschuldigd zijn gedaan; en

subsidiair: dat Ember wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het arrest gewaarmerkte uittreksels van de aktes van cessie en haar titel ter hand te stellen, op verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van Ember in de kosten van beide instanties.

6.

Ember concludeert tot bekrachtiging van de vonnissen en tot veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

7. 1

Met de derde grief komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij bevrijdend aan Ember kunnen betalen. Zij leggen hieraan ten grondslag dat Ember vanaf juni 2012 mededeling van de cessie aan SSB I heeft gedaan en dat zij ingevolge artikel 94 lid 3 BW vanaf dat moment niet meer bevrijdend aan Ember hebben kunnen betalen.

7.2

Gedaagden hebben een en ander gemotiveerd bestreden.

7.3

De correspondentie vanaf juni 2012, waarin Ember zich op het standpunt stelt dat van de cessie aan SSB I uit 2008 geen mededeling is gedaan en dat zij overigens sinds 2009 door een retrocessie weer schuldeiser is, is niet aan te merken als een dergelijke mededeling, reeds omdat de brieven van Ember onmiskenbaar niet inhouden is dat zij niet langer schuldeiser is, maar, integendeel, dat zij dat nu juist wel is.

Grief 3 faalt derhalve.

8.

Voor een cessie als bedoeld in artikel 94 lid 3 BW geldt dat, zolang er geen mededeling van is gedaan, de schuldenaar, ook als hij anders dan door een dergelijke [naam partij] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep. mededeling op de hoogte is van de cessie, niet alleen aan de cedent mag betalen maar aan deze ook moet betalen. De stille cessie heeft tegenover de schuldenaar tot het moment van mededeling geen enkele werking en de cedent blijft exclusief inningsbevoegd. (Kamerstukken II 2003/2004, 28 878, nr. 5, p. 11).

Nu vaststaat dat Ember de oorspronkelijke schuldeiser van [appellanten] is en ook vaststaat dat geen mededeling in de zin van artikel 94 lid 3 BW heeft plaatsgevonden, staat vast dat Ember tegenover [appellanten] sinds het aangaan van de overeenkomst onverminderd als schuldeiser aan te merken is. Wat zich tussen Ember en SSB I heeft afgespeeld is in de relatie tussen Ember en [appellanten] niet van belang. Ember behoeft dan ook niet aannemelijk te maken dat sprake is geweest van een retrocessie en behoeft evenmin bewijsstukken van de cessies te produceren. [appellanten] hebben geen belang bij die informatie. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn gesteld nog gebleken. Grieven 1,2 en 4, waarmee [appellanten], kort gezegd, betogen dat de door Ember gestelde retrocessie niet is komen vast te staan en dat zij belang hebben bij duidelijkheid over wie nu hun schuldeiser is, zijn gebaseerd op het onjuiste standpunt dat Ember tegenover hen mogelijk niet de positie van schuldeiser inneemt, en falen dan ook.

9.

Nu alle grieven falen, dient het eindvonnis van 1 mei 2013 te worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten . Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun beroep tegen het tussenvonnis van 20 februari 2013;

bekrachtigt het eindvonnis van 1 mei 2013;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten tot op heden bepaald op € 683,-- aan vast recht en op € 894,-- (1 punt tarief II) aan salaris voor de advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Rijperman, A.J.M.E. Arpeau en M. Flipse en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.