Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2802

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
200.131.252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldleen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.131.252/01

Rolnummer Rechtbank : 1205939 \ RL EXPL 12-33486

Arrest van 2 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.J. Nomen te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. Z.B. Gyömörei te Den Haag.

Het geding

1.

Op 17 september 2013 is tussen partijen in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Van het ter comparitie verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. De comparitie heeft niet geleid tot een regeling van het tussen partijen bestaande geschil, waarna [appellant] een memorie van grieven (met producties) genomen heeft met daarin opgenomen vijf grieven. [geïntimeerde] heeft die grieven alle bij memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) bestreden. [appellant] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel de drie incidentele grieven gemotiveerd bestreden.

Beide partijen hebben arrest gevraagd, onder overlegging van stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

In het principaal en incidenteel appel

2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, zittingsplaats Delft (hierna: de kantonrechter) een aantal feiten vastgesteld. Voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen, zal het hof ook van die feiten uitgaan. Samengevat gaat het om het volgende.

2.1

[appellant] was (tot in 2009) een regelmatig bezoeker van restaurant Amon-S te

Zoetermeer, destijds gedreven door [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A]).

2.2

[appellant] had het voornemen om naast [betrokkene A] mede-eigenaar te worden van genoemd

bedrijf/restaurant.

2.3

[appellant] heeft [geïntimeerde] op enig moment in contact gebracht met [betrokkene A]. [betrokkene A] zocht een

geldschieter in verband met voormeld door hem gedreven restaurant, dit om een andere

(mede) eigenaar uit te kopen alsmede om een verbouwing te kunnen financieren. Met een

en ander was een bedrag groot € 40.000,-- gemoeid.

2.4

[geïntimeerde] heeft besloten voormeld bedrag ad € 40.000,-- te investeren in de zaak van

[betrokkene A]. 2.5 [appellant], [geïntimeerde] en [betrokkene A] hebben een schriftelijke overeenkomst opgesteld,

gedateerd 27 april 2009. Die overeenkomst is ondertekend door [betrokkene A], [appellant] en

[geïntimeerde] en luidt als volgt:

“27-4-2009

Vandaag overeen gekomen met [geïntimeerde] dat zij een bedrag

A 40.000,- euro schrijven; Veertigduizend euro overmaakt ten behoeven van en ten

name van AMON’s gevestigd op de Luxenburglaan 48 te zoetermeer.

Indeze zal [appellant] als vertegenwoordiger op treden en voor 1/3

eigenaar worden van AMON’s

De rente die is afgesproken zal per halfjaar worden uitbetaald A 10% per

jaar het totaal bedrag zal uiterlijk na 3 jaar worden terug betaald maar

indien mogelijk eerder dan de afgelopen loop tijd.

Tevens zal er bij eerdere terug betaling wel de afgesproken rente worden

voldaan van de looptijd.

Voor akkoord getekend door

[betrokkene A] [appellant] [geïntimeerde]”“.

2.6

Van voormelde € 40.000,-- heeft [geïntimeerde] rechtstreeks een bedrag groot € 30.000,-- aan

[betrokkene A] betaald (die op het moment van de overeenkomst en betaling het restaurant

AMON’S als eenmanszaak dreef). Het resterende bedrag ad € 10.000,-- heeft [geïntimeerde]

aan [appellant] betaald, dit in verband met door [appellant] in genoemd restaurant te

verrichten verbouwingswerkzaamheden. Van die € 10.000,-- heeft [appellant] naderhand

€ 3.000,-- doorbetaald aan [betrokkene A].

3.

Tegen de achtergrond van voormelde feiten vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg van [appellant], ten titel van geldleen, vervallen rente en buitengerechtelijke incassokosten, naast nevenvorderingen, betaling van een bedrag groot € 24.105,95.

4.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag groot

€ 10.000,-- (zijnde het bedrag dat [geïntimeerde] daadwerkelijk aan [appellant] verstrekt heeft) met rente en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. Voor het overige heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] afgewezen.

5.

Zowel [appellant] als [geïntimeerde] kunnen zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen.

6.

In hoger beroep vordert [appellant] in principaal appel vernietiging van genoemd vonnis, afwijzing van het door [geïntimeerde] gevorderde met veroordeling van [geïntimeerde] om aan hem terug te betalen al hetgeen hij uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties. [appellant] bestrijdt dat hem enig bedrag door [geïntimeerde] is uitgeleend. De € 10.000,-- die hem daadwerkelijk verstrekt is en waarvan naderhand nog € 3.000,-- naar [betrokkene A] is doorgestort, is volgens [appellant] een onderdeel van de door [betrokkene A] met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van geldleen en volledig ten behoeve van [betrokkene A] en zijn onderneming aangewend. Het betreft hier, aldus [appellant], een beloning van door hem in de onderneming van [betrokkene A] uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden.

7.

In incidenteel appel vordert [geïntimeerde], na vermeerdering van eis, vernietiging van het door de kantonrechter gewezen vonnis met veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag groot € 58.900,70 alsmede een bedrag groot € 1.815,00 aan buitengerechtelijke incassokosten met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure. In hoger beroep stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellant] (mede) gehouden is tot betaling van het totaal uitgeleende bedrag ad € 40.000,-- vermeerderd met (tot 25 februari 2014) vervallen rente en buitengerechtelijke incassokosten.

8.

Het debat van partijen draait, zowel in principaal als in incidenteel appel om de vraag hoe de overeenkomst van 27 april 2009 moet worden uitgelegd, met name gaat het daarbij om de vraag of [appellant] (geheel of ten dele) partij is (geworden) bij de in deze procedure bedoelde overeenkomst van geldlening. De in principaal en incidenteel appel opgeworpen grieven hebben alle in meer of mindere mate met deze kwestie te maken en zullen daarom gezamenlijk worden besproken.

9.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

10.

Op grond van het contract zoals opgesteld en op grond van hetgeen partijen in dat kader hebben aangevoerd, komt het hof tot de slotsom dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. Het principale beroep slaagt en het incidentele appel faalt.

Bedoeld contract bevat geen enkel aanknopingspunt op grond waarvan [appellant] jegens [geïntimeerde] gehouden zou zijn tot terugbetaling van enig bedrag. De enkele zinsnede “Indeze zal [appellant] als vertegenwoordiger optreden en voor 1/3 eigenaar worden van AMON’s” betekent niet dat [appellant] enkel door die passage (als vennoot en mede-exploitant) is toegetreden tot het bedrijf van [betrokkene A] en dientengevolge naast [betrokkene A] aansprakelijk is voor het geld dat [geïntimeerde] aan (het bedrijf van) [betrokkene A] heeft uitgeleend. Er is slechts sprake van een intentie, waarvan niet gebleken is dat aan die intentie ook (verdere) uitvoering is gegeven. [geïntimeerde] geeft ook niet aan dat er meer is dan dat voornemen alleen. Dat [appellant] zich ten opzichte van [geïntimeerde] (rechtstreeks) verbonden zou hebben tot terugbetaling van genoemde € 40.000,-- of een gedeelte daarvan blijkt evenmin, een eenduidige schuldigverklaring ter zake ontbreekt.

Ook het aan [appellant] ter beschikking stellen van de € 10.000,-- schept aan de kant van [appellant] geen gehoudenheid tot terugbetaling van dat bedrag. De € 10.000,-- is onderdeel van de lening aan [betrokkene A] en is enkel aan [appellant] ter hand gesteld ter (voor)financiering van door [appellant] ten behoeve van (het bedrijf van) [betrokkene A] verrichte werkzaamheden. Van enige overeenkomst van geldleen tussen [appellant] en [geïntimeerde] wat betreft die € 10.000,-- is geen sprake. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter in dezen niet.

11.

De slotsom van het voorgaande is, is dat de grieven opgeworpen in het principaal doel treffen en dat de grieven in het incidenteel hoger beroep niet opgaan. Het vonnis van de kantonrechter kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd. De door [geïntimeerde] tegen [appellant] ingestelde vordering wordt integraal afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld worden in de kosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep (zowel het principaal appel als het incidenteel appel).

12.

Het hof verwerpt het door [geïntimeerde] gedane bewijsaanbod nu dat aanbod volstrekt onvoldoende is gespecificeerd/geconcretiseerd.

Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank

Den Haag, zitting houdende te Delft van 20 juni 2013,

en opnieuw recht doende:

  • -

    wijst de vordering van [geïntimeerde], zoals gewijzigd in hoger beroep, af;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van de door [appellant] uit hoofde van voormeld vonnis aan [geïntimeerde] betaalde bedragen, dit te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening tot de dag der algehele terugbetaling;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 20 juni 2013 begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd :

salaris gemachtigde : € 500,--;

verder in het principaal appel

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van

[appellant] tot op heden begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd :

exploot : € 92,82;

vastrecht : € 299,--;

salaris advocaat : € 3.262,--;

in het incidenteel appel

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidentele hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 815,50;

in principaal en incidenteel appel

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, M.H. Olthof en M.J. van der Ven, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.