Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2799

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-01-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
BK-13-00473
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedifferentieerde premie volksverzekeringen. In geschil zijn de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1880
V-N 2014/54.25.5
FutD 2014-2165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00473

Uitspraak van 10 januari 2014

in het geding tussen:

Stichting [X], statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Holland-Midden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2013, nummer AWB 12/9431, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en beroep

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2009 een naheffingsaanslag in de gedifferentieerde premie volksverzekeringen van € 1.020.597 opgelegd. Bij beschikking is € 121.074 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 310 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 478 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 november 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

Het Hof gaat met partijen uit van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten:

3.1. Belanghebbende exploiteert verzorgingshuizen. Bij separate beschikkingen van 5 oktober 2007, 13 december 2007 en 29 november 2008 heeft de Inspecteur voor respectievelijk de jaren 2007, 2008 en 2009 de voor belanghebbende in die jaren geldende percentages gedifferentieerde premie op grond van de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) vastgesteld.

3.2. Naar aanleiding van een verzoek van 27 december 2011 van de administrateur van belanghebbende om onderbouwing van de vaststelling van de percentages gedifferentieerde WGA-premie is een controle uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Daarbij is gebleken dat belanghebbende over de jaren 2007 tot en met 2009 te weinig gedifferentieerde premie heeft afgedragen, omdat niet alle uitkeringen krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de WGA van de nevenvestigingen van belanghebbende zijn meegenomen.

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3.

Bij brief van 1 maart 2012 heeft [de Inspecteur] op grond van de toegevoegde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen [belanghebbende] in kennis gesteld van de nieuwe gedifferentieerde premiepercentages voor de jaren 2007 tot en met 2009 en daarbij tevens aan [belanghebbende] verzocht om per kalenderjaar aangifte te doen van het premieloon van al haar werknemers voor de gedifferentieerde premie. Na ontvangst van de door [belanghebbende] ingediende aangiften heeft [de Inspecteur] bij het primaire besluit over de jaren 2007 tot en met 2009 een bedrag van € 1.020.597,= aan gedifferentieerde premie nageheven en een bedrag van € 121.074,= aan heffingsrente in rekening gebracht. Bij het bestreden besluit heeft [de Inspecteur] het primaire besluit gehandhaafd.

4.

In beroep heeft [belanghebbende] aangevoerd dat [de Inspecteur] is tekortgeschoten in zijn plicht om de gedifferentieerde premie over de jaren 2007 tot en met 2009 op een deugdelijke manier vast te stellen. [Belanghebbende] vindt dat [de Inspecteur] ten onrechte geen beschikking heeft genomen ter correctie van de in de oorspronkelijke beschikkingen van 5 oktober 2007, 13 december 2007 en 29 november 2008 neergelegde premiedifferentiatiepercentages. Aldus is, zo meent [belanghebbende], de naheffingsaanslag de vrucht van onzorgvuldige besluitvorming. [Belanghebbende] is tevens van mening dat aan haar ten onrechte heffingsrente in rekening is gebracht nu het niet aan haar, maar aan de Belastingdienst is te wijten dat bij de oorspronkelijke beschikkingen is uitgegaan van onjuiste uitkeringsgegevens.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat de regeling met betrekking tot de gedifferentieerde premie met ingang van 1 januari 2006 is neergelegd in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). In de Wfsv is bepaald dat de rijksbelastingdienst de premies voor de werknemersverzekeringen heft en dat deze premies worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. De premieheffing werknemersverzekeringen vindt plaats door middel van een gecombineerde aangifte en afdracht van loonbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De heffing van gedifferentieerde premie werknemersverzekeringen geschiedt door middel van een jaarlijkse beschikking, waarbij de Inspecteur zich baseert op door het Uwv aangedragen uitkeringsgegevens WAO/WGA.

5.2

Binnen dit kader heeft [de Inspecteur], nadat hem het verzoek van 27 december 2011 van [belanghebbende] had bereikt om onderbouwing van de gedifferentieerde premie WGA over de jaren 2007 tot en met 2009, [belanghebbende] met zijn brief van 1 maart 2012 en de daarbij meegezonden berekeningen van de nieuw vastgestelde gedifferentieerde premie WGA en de instroomlijsten van het Uwv in kennis gesteld van de voor haar geldende gecorrigeerde gedifferentieerde premiepercentages. De rechtbank is van oordeel dat deze brief van 1 maart 2012 met bijlagen is aan te merken als, dan wel op één lijn is te stellen met een correctiebesluit van de oorspronkelijke premiedifferentiatiebeschikkingen van 5 oktober 2007, 13 december 2007 en 29 november 2008 en dat [de Inspecteur] daarmee de grondslag heeft gelegd voor een juiste vaststelling van de premiedifferentiatiepercentages voor die jaren en, vervolgens, voor de naheffing van door [belanghebbende] verschuldigde gedifferentieerde premie werknemersverzekeringen. Van een ondeugdelijke besluitvorming, als [belanghebbende] heeft betoogd, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande geen sprake. Dat aan de brief van 1 maart 2012 een bezwaarclausule ontbreekt, maakt dit oordeel niet anders.

5.3

De rechtbank stelt vast dat het beroep van [belanghebbende] niet is gericht tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde naheffingsaanslag gedifferentieerde premie werknemers-verzekeringen, maar tegen de daarbij opgelegde heffingsrente ten bedrage van € 121.074,=, waarbij de berekening van de (hoogte van de) heffingsrente niet in geschil is. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid van de in de zogenoemde naheffingsaanslag van 7 mei 2012 nageheven gedifferentieerde premie. [Belanghebbende] meent dat zij zonder schuld is en bepleit het achterwege laten van de heffingsrente nu [de Inspecteur] bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het niet aan de schuld of nalatigheid van [belanghebbende] is te wijten dat te weinig belasting in de vorm van gedifferentieerde premie werknemersverzekeringen is afgedragen, aan het in rekening brengen van heffingsrente niet in de weg staat, aangezien de heffingsrente geen boete is. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1993, LJN: ZC5535. De rechtbank overweegt in dit verband dat naar aanleiding van het verzoek van 27 december 2011 van [belanghebbende] [de Inspecteur] een nader onderzoek heeft ingesteld naar de afdracht van gedifferentieerde premie over de jaren 2007 tot en met 2009, welk onderzoek onjuistheden in de oorspronkelijke beschikkingen aan het licht heeft gebracht. De correctie daarvan bij de naheffingsaanslag van 7 mei 2012 leidt dan ingevolge wettelijk voorschrift tevens tot het belopen van heffingsrente over het bedrag van die correctie. De rechtbank wijst erop dat heffingsrente slechts het nadeel beoogt te compenseren dat de Staat door de te late ontvangst van de verschuldigde loonheffingen heeft geleden.

5.5

De beroepsgrond van [belanghebbende] dat het in rekening brengen van heffingsrente achterwege had kunnen blijven indien [de Inspecteur] de uitkeringsgegevens van het Uwv zorgvuldig had gecontroleerd, waarvoor temeer aanleiding was nu de premie over de jaren 2004 en 2005 ook al onjuist was vastgesteld, slaagt niet. Met [de Inspecteur] is de rechtbank van oordeel dat de wet herstelmogelijkheden biedt wanneer er bij het vaststellen van de premiepercentages fouten zijn gemaakt. [De Inspecteur] heeft binnen de verjaringstermijn van vijf jaren de fouten hersteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] na het verzoek van 27 december 2011 van [belanghebbende] adequate actie heeft ondernomen om tot een juiste premievaststelling te komen en binnen drie maanden de correctiebeschikking van 1 maart 2012 heeft genomen, kort daarna gevolgd door de naheffingsaanslag van 7 mei 2012. Van onzorgvuldig handelen van [de Inspecteur], dat tot het achterwege laten of tot beperking van de heffingsrente aanleiding zou dienen te geven, is hier geen sprake.

6.

Het beroep is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil in hoger beroep

5.

In hoger beroep houden partijen de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente verdeeld.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De inhoud van het beroepschrift, de pleitnota die ter zitting in eerste aanleg namens belanghebbende is voorgedragen en het proces-verbaal van die zitting laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in het geding voor de rechtbank zowel de naheffingsaanslag als de heffingsrentebeschikking (als "vruchten van onzorgvuldige besluitvorming") heeft betwist. Het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet is gericht tegen de gehandhaafde naheffingsaanslag is mitsdien onbegrijpelijk en, gelet op de wijze waarop belanghebbende het hoger beroep ter zitting van het Hof heeft toegelicht, ook onjuist. In hoger beroep moet derhalve, gelijk ook partijen van mening zijn, worden geoordeeld over de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en van de beschikking heffingsrente.

6.2. Ter zitting hebben partijen, daarnaar gevraagd, verklaard akkoord te gaan dat, zo het Hof oordeelt dat de in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2013, nummer 12/00563, ECLI:NL:GHAMS:2013:3384, aan de orde zijnde kwestie rechtsvragelijk, ook in het licht van de door dat hof gegeven beslissing, dezelfde is als de kwestie die hier voorligt, de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente worden vernietigd, ook in aanmerking nemende dat de Staatssecretaris van Financiën tegen die hofuitspraak geen beroep in cassatie heeft ingesteld.

6.3. In de procedure voor het Gerechtshof Amsterdam doet zich de situatie voor dat nieuwe beschikkingen zijn afgegeven waarbij de percentages van de gedifferentieerde premies ten opzichte van de eerdere beschikkingen zijn verhoogd. Het Gerechtshof Amsterdam heeft beslist dat de inspecteur niet bevoegd is de beschikkingen te nemen, daarbij in het bijzonder overwegend: "Behoudens voor de in dezen niet aan de orde zijnde gevallen bedoeld in het derde lid van de artikelen 37 en 38 Wfsv (tekst voor het jaar 2007), ontbreekt het in die artikelen aan een bepaling die de inspecteur de bevoegdheid geeft een eerder bij beschikking vastgestelde opslag of korting op de gedifferentieerde premie WAO of WGA te herzien of die beschikking te vernietigen en door een nieuwe te vervangen."

6.4. Nu de met die beslissing beantwoorde rechtsvraag naar 's Hofs oordeel overeenkomt met de hier voorliggende rechtsvraag, gevoegd bij het feit dat de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam enkel is gegrond op de wettelijke onmogelijkheid van herziening, vernietiging of vervanging van een beschikking, brengt het overwogene in 6.2 mee dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De overige stellingen van belanghebbende hoeven geen behandeling.

6.5. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierechten

7.1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De kosten stelt het Hof vast op in totaal € 3.286,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar: 1 punt à € 243 x 1,5, en in beroep en hoger beroep: 4 punten à € 487 x 1,5. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. De Inspecteur dient het in beroep betaalde griffierecht van € 310 en het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 478 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.286,50; en

- gelast de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 788 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 10 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.