Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:2773

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
BK-13/00269
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schenkbelasting. Belanghebbende heeft geen recht op de vrijstelling van schenkingsrecht als bedoeld in art. 33, aanhef en ten 8°, Successiewet 1956.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1869
V-N 2014/59.20 met annotatie van Redactie
FutD 2014-2156
PFR-Updates.nl 2014-0252
ERF-Updates.nl 2015-0066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00269

Uitspraak van 21 maart 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, thans de directeur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2013, nummer AWB 12/5669, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en beroep

1.1. Belanghebbende is op 5 juli 2011 een aanslag in de schenkbelasting opgelegd wegens een schenking door zijn ouders in het jaar 2010. De aanslag beloopt € 3.379.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2012 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 42. De rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht is geheven van € 118.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 februari 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 31 oktober 2010 hebben [A] en diens echtgenote [B] belanghebbende, hun zoon, een bedrag van € 38.794 geschonken.

3.2. Op het moment van de schenking bestond het vermogen van belanghebbende, exclusief de ontvangen schenking en globaal weergegeven, uit:

Activa:

- eigen woning

844.000

- vorderingen op banken

3.174

- aandelen [C] B.V.

11.279

- recht op periodieke uitkeringen

225.752

- woninginrichting en auto

p.m.

Passiva:

- eigenwoningschuld

705.000

- schulden [C] B.V.

139.339

- beslaglegging waarvoor [A] garant staat

77.331

3.3. Belanghebbende heeft bij [C] B.V., ten behoeve van zijn woning, twee leningen gesloten, een van € 69.339 (2006) en een van € 70.000 (2007), tezamen € 139.339.

3.4. [C] B.V. heeft gedurende 2010 een banktegoed van € 19.275.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is evenals voor de rechtbank in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de vrijstelling van schenkingsrecht als bedoeld in artikel 33, aanhef en ten 8°, van de Successiewet 1956, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. In hoger beroep heeft de Inspecteur de in eerste aanleg ingenomen standpunten gehandhaafd, maar geen grief geuit tegen het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar ontvankelijk is.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft overwogen:

"2. In geschil is of het bezwaar ontvankelijk is en of eiser recht heeft op toepassing van de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 8, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet)

3.

Eiser heeft zijn vader bij brief, ingekomen bij verweerder op 26 september 2011, gemachtigd namens hem het bezwaarschrift tegen de hiervoor bedoelde aanslag af te handelen. Ingevolge artikel 2.1 van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Alvorens tot niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar kan worden overgegaan, dient ingevolge artikel 6.6 van de Awb de indiener van het bezwaarschrift de gelegenheid te hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe geboden termijn. Dat verweerder eiser een termijn heeft gesteld als hiervoor bedoeld is niet gebleken, zodat er geen reden is het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerders standpunt dat een machtiging binnen de bezwaartermijn dient te worden overgelegd, vindt geen steun in het recht.

4.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder 8, van de Wet is van schenkbelasting vrijgesteld hetgeen wordt verkregen door iemand die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen. De bewijslast dat recht bestaat op deze vrijstelling rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op toepassing van voornoemde vrijstelling. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt dat hij ten tijde van de schenking beschikte over een positief eigen vermogen (WOZ-waarde € 844.000, eigen woningschuld € 735.000, beslaglegging waarvoor gemachtigde garant staat € 77.331,05). Eisers enkele stelling dat de werkelijke waarde van de woning minder bedraagt dan de WOZ-waarde acht de rechtbank onvoldoende om een negatief eigen vermogen aan te nemen. Reeds hierom bestaat geen recht op de vrijstelling (zie HR 27 maart 1985, nr. 22 890, BNB 1985/166), nog daargelaten de vraag of eiser met de schenking direct opeisbare schulden heeft voldaan. Voorts rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat op de door de gemachtigde aan eiser gedane schenking in 2009 wel (deels) de vrijstelling is toegepast, niet de toepassing van de vrijstelling op de onderhavige schenking. Daarvoor is meer vereist, zoals een uitdrukkelijke toezegging van verweerder bij de behandeling van de schenking in 2009 om de vrijstelling ook in latere jaren toe te passen. Dit is gesteld noch gebleken.

5.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

6.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het Hof komt in hoger beroep niet tot andere overwegingen en oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De voormelde overwegingen en oordelen en de gegeven eindbeslissing maakt het Hof tot de zijne. In aanvulling overweegt het Hof nog het volgende.

7.2. Ingevolge artikel 33, aanhef en ten 8°, van de Successiewet 1956 is van het recht van schenking vrijgesteld hetgeen wordt verkregen door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene ertoe strekt de begiftigde daartoe in staat te stellen. Van het recht van schenking is dus slechts vrijgesteld het bedrag dat de begiftigde nodig heeft het gedeelte van zijn schulden te betalen dat hij, na te gelde making van al zijn vermogensbestanddelen, niet in staat zou zijn te voldoen (HR 27 maart 1985, nr. 22.890, BNB 1985/166).

7.3. Blijkens de overgelegde stukken toont het saldo van activa en passiva geen negatief vermogen. Indien veronderstellenderwijs de waarde van het recht op periodieke uitkeringen van € 225.752 op 31 oktober 2010 te gelde zou worden gemaakt en het banksaldo van € 19.275 van [C] B.V., de eigen B.V. van belanghebbende, beschikbaar staat, toont het saldo evenmin een negatief vermogen. Voorts is niet gebleken dat de schulden van belanghebbende dringende betaling behoefden. Ten slotte kan een andere waarde dan de WOZ-waarde van € 844.000 niet aan de orde zijn. Deze WOZ-waarde van € 844.000 is immers vastgesteld op de waardepeildatum 1 januari 2009 en daarmee geldig gedurende het belastingjaar 2010.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, W.M.G. Visser en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 21 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.